.
 .
 
Nieuw! Het blog Recht en Commentaar!
Click hier om interactief deel te nemen aan het Woordenboek Juridische Terminologie en Politiejargon,
met uw vragen, aanvulllingen en verbeteringen. Bij voorbaat dank!
.
Wet Mulder is een wangedrocht dat leidt tot rechtsongelijkheid en criminalisering
.
Jaap van der Wijk
.
 
 
Uit het Woordenboek Juridische Terminologie en Politiejargon 
. 
"Wet Mulder. Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, door juristen de lex Mulder gedoopt. Wet die een aantal verkeersovertredingen van het strafrecht naar het bestuursrecht overhevelde. De wet is genoemd naar mr.dr. Albert Mulder (1916-1995), secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie en lid van de Raad van State.  
Wie nu een Mulder-overtreding begaat krijgt een bestuurlijke boete. De Officier van Justitie (OvJ) geldt als bestuursorgaan en heeft het recht van parate executie. Wie niet betaalt zal hierdoor via een deurwaarder met executiemaatregelen worden geconfronteerd. Niet op tijd betalen kan er ook toe leiden dat de boete(s) hoger worden. Wie van mening is dat de boete onterecht is opgelegd, kan bezwaar aantekenen bij de OvJ. Wordt dit afgewezen, dan kan de burger naar de kantonrechter van de rechtbank stappen. Deze neemt echter de zaak pas in behandeling indien als zekerheid de boete voldaan is. Deze zekerheidsstelling is uitermate controversieel, aangezien on- en minvermogenden dit niet kunnen opbrengen. Mocht de burger door de OvJ of bij de kantonrechter in het gelijk gesteld worden krijgt hij de betaalde boete terug. Mocht hij in het ongelijk worden gesteld dan staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Leeuwarden.   
Een ander zwak punt van de ontworpen procedure is de parate executie die bijvoorbeeld ook door de politie kan worden uitgevoerd. Een bestuurder die een boete niet betaald heeft kan daarvoor gesignaleerd worden in het opsporingsregister en de politie kan bij aantreffen van deze persoon het voertuig waar hij op dat moment in rijdt als zekerheid voor het betalen van de boete inbeslagnemen. Dit terwijl, in voorkomende gevallen, nog niet is komen vast te staan of een dergelijk boete rechtmatig opgelegd is geweest. De ontworpen procedure doet daarmee ernstig afbreuk aan bepaalde waarborgen van een goede procesorde, zoals de onschuld-presumptie en het gematigd inquisitoir karakter van het Nederlandse strafrecht. Formeel zou betoogd kunnen worden dat te dien aanzien het bestuursrecht op zogenaamde Mulder-overtredingen van toepassing is en niet het strafrecht, maar dit is evenzeer een oneigenlijke constructie als de fiscalisering van parkeerboetes." 
. 
"Registercontrole van de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW). De RDW mag vanuit het kentekenregister de APK-vervaldatum controleren en de kentekenhouder zonder meer een beschikking (bekeuring) sturen als blijkt dat het kenteken niet geschorst is en de APK verlopen is. Het strafbare feit hoeft dus niet feitelijk te worden geconstateerd, bijvoorbeeld door middel van geflitst worden of politiecontrole. 
Sinds de invoering van de Wet Mulder en de registercontrole van de RDW worden er jaarlijks klachten gedeponeerd bij de Nationale Ombudsman. Voor ongeveer 35 van deze klachten over boetes heeft de Nationale ombudsman de RDW in 2010 via interventie gevraagd om de zaken te beoordelen op hun schrijnendheid. In de gevallen die als schrijnend werden beoordeeld, heeft de RDW voor nog openstaande boetes correctieverzoeken ingediend bij het CJIB en/of de CVOM, en, indien relevant, de Belastingdienst benaderd. In een meerderheid van de gevallen bleek de RDW hiertoe bereid. In een aantal gevallen wees de RDW dit verzoek af, bijvoorbeeld als betrokkenen heel lang geen actie hadden ondernomen om een en ander recht te zetten ondanks berichtgeving van de RDW en men ook geen gebruik had gemaakt van de mogelijkheid om bezwaar en eventueel beroep in te stellen tegen de opgelegde boetes."  
. 
. 
Het wangedrocht: de juridische constructie van de Wet Mulder 
. 
Vóór 1989 vielen alle verkeersovertredingen onder het strafrecht. De Wet Mulder heeft de meest eenvoudige en veelvuldig voorkomende overtredingen, zoals te hard rijden, bumperkleven, door rood rijden, foutparkeren, verlopen APK, overgeheveld naar het bestuursrecht. De bestraffing van verkeersovertredingen valt zodoende niet langer onder de regels van het Wetboek van Strafrecht en -Strafvordering, maar onder die van de Awb (Algemene wet bestuursrecht), naast de WvW (Wegenverkeerswet) en het Reglement verkeersregels en verkeerstekens.  
. 
Ondanks de overheveling naar het bestuursrecht is de relatie met het strafrecht blijven bestaan. Wanneer de boete niet wordt betaald, kan de burger immers worden opgenomen in het opsporingsregister, kan de politie het voertuig in beslag nemen, kan het rijbewijs van de burger worden ingenomen en kan de burger worden gegijzeld. Hij wordt dan voor maximaal 7 dagen opgesloten. 
Dit alles als dwangmiddel, en in bepaalde gevallen zonder dat in rechte is komen vast te staan of de sanctie rechtmatig is opgelegd. De politie als handhaver van het bestuursrecht, de penitentiaire inrichtingen als uitvoerder van het bestuursrecht. Er wordt ernstig afbreuk gedaan aan de waarborgen van een goede procesorde, en daarmee is de Nederlandse rechtsorde verworden tot die van een bananenrepubliek. Bestuursorganen kunnen immers in principe geen vrijheidsstraf opleggen. Voor de vorm noemen we de vrijheidsbeneming dan ook geen "hechtenis" maar "gijzeling".   
. 
Alvorens de Wet Mulder werd ingevoerd hebben de juristen van het Ministerie van Justitie zich gebogen over de vraag of de wet strookt met de vereisten van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Men kwam tot de conclusie dat dit wel het geval was. Er was immers hoger beroep mogelijk, en dus een tweede rechtsgang. 
In de praktijk is deze tweede rechtsgang echter niet mogelijk voor on- en minvermogenden. Wanneer iemand ten onrechte een Muldersanctie opgelegd krijgt, kan hij daartegen slechts in beroep gaan wanneer er zekerheidsstelling heeft plaatsgevonden, dat wil zeggen dat het bedrag van de sanctie is betaald.  
. 
Afgezien van het feit dat niemand staat te springen om een boete te betalen voor een overtreding die men niet heeft begaan, zijn de meeste on- en minvermogenden financieel niet in staat om een boete te betalen. Hun budget laat dit niet toe. Sociale diensten weigeren om een lening te verstrekken die bedoeld is voor zekerheidsstelling. Kantonrechters verklaren vrijwel elk beroep niet-ontvankelijk wanneer aan de zekerheidsstelling niet is voldaan.  
. 
Uit diverse verslagen en rapporten blijkt dat er in Nederland sprake is van armoede en dat een deel van de bevolking al jaren onder de armoedegrens leeft. In de praktijk betekent dit dat voor een deel van de bevolking wegens geldgebrek geen tweede rechtsgang (beroep) mogelijk is, hetgeen in strijd is met het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVMR).  
. 
. 
Het wangedrocht: de uitvoering van de Wet Mulder 
. 
De uitvoering van de Wet Mulder is uitbesteed aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). Het CJIB beschikt over de bovengenoemde controversiële dwangmiddelen om betaling van de al dan niet terecht opgelegde sancties te bewerkstelligen. Het CJIB is verplicht de opgelegde boetes te innen, maar in de wetgeving wordt nergens vermeld dat dit niet op een nette of professionele manier kan gebeuren.  
. 
Het CJIB is dus een incassobureau van de overheid, maar faalt als zodanig omdat het niet beschikt over de incassomiddelen die de belastingdienst bijvoorbeeld wél heeft. Veel on- of minvermogenden hebben hoge schulden en als gevolg daarvan is er beslag gelegd op hun loon of uitkering. Een deel daarvan, de zogenaamde beslagvrije voet, doorgaans 90% van de minimum-uitkering, wordt vrijgelaten om van te leven. Wanneer de belastingdeurwaarder, het incassobureau van de belastingdienst, een vordering heeft op de belastingplichtige, kan hij zonder gerechtelijke uitspraak beslag leggen op het loon of de uitkering van de belastingplichtige. De vordering van derden, bijvoorbeeld banken, wordt dan opgeschort totdat de belastingdienst het volledige bedrag van de belastingschuld heeft geïncasseerd.  
Het voordeel van deze wijze van incasseren is dat deze betaling het toch al lage budget van de on- of minvermogende die van de beslagvrije voet moet rondkomen niet extra aantast. 
Omdat het CJIB niet over deze mogelijkheid tot incasseren beschikt moet de betaling van de boetes dus wél direct uit het besteedbare budget van de on- of minvermogende komen, en dat leidt doorgaans tot schrijnende problemen.  
. 
De Nationale Ombudsman heeft in 2010 een aantal klachten ontvangen over de uitvoering van de Wet Mulder. Voor ongeveer 35 van deze klachten over boetes heeft de Nationale ombudsman de RDW in 2010 via interventie gevraagd om de zaken te beoordelen op hun schrijnendheid. In de gevallen die als schrijnend werden beoordeeld, heeft de RDW voor nog openstaande boetes correctieverzoeken ingediend bij het CJIB en/of de CVOM, en, indien relevant, de Belastingdienst benaderd. In een meerderheid van de gevallen bleek de RDW hiertoe bereid.  
Alhoewel het CJIB dit niet in zijn correspondentie vermeldt, blijkt er dus voor de burger een mogelijkheid te zijn om toch zijn recht te halen. De Nationale Ombudsman functioneert in bepaalde gevallen als mediator. Dat is mooi, maar er is geen sprake van rechtsgelijkheid. Het besluit van de Nationale Ombudsman om de RDW over individuele gevallen te benaderen en het besluit van de RDW om aan het verzoek van de Nationale Ombudsman te voldoen is immers volstrekt arbitrair. Men heeft geen recht op optreden van de Nationale Ombudsman en men heeft geen recht op een weloverwogen besluit van de RDW. Het is een gunst, en niet meer dan dat. De één krijgt het wel voor elkaar, de ander - in exact dezelfde omstandigheden - niet.  
. 
De rechtsongelijkheid komt ook voort uit het feit dat wettige maatregelen, zoals de hoogte van de beslagvrije voet of de minimum-uitkering, geen financiële ruimte laten voor betaling van een boete of zekerheidsstelling, waardoor on- of mindervermogenden minder toegang tot het rechtssysteem hebben dan anderen. De overheid lijkt er bovendien - zeer ten onrechte - van uit te gaan dat iedereen wel een familielid of buurman heeft bij wie men een relatief klein bedrag voor betaling van een boete of zekerheidsstelling zou kunnen lenen. In veel gevallen kan dat echter niet, of maakt men om persoonlijke redenen geen gebruik van deze mogelijkheid.  
. 
   
Het wangedrocht: mijn persoonlijk verslag 
. 
Op 14 november 2005 kocht ik een tweedehands Renault-Express, voorzien van het kenteken VV-99-TX. De auto was toen al ruim 12 jaar oud. 

In hetzelfde jaar verliet mijn echtgenote mij, waardoor het gezinsinkomen werd verminderd met € 1200,- per maand, terwijl de vaste lasten gelijk bleven. In mei 2007 werd mijn hypotheek verhoogd van € 550,- naar € 920,- en kon ik mijn vaste lasten niet meer opbrengen. De schuldeisers legden beslag op mijn arbeidsongeschiktheids-uitkering, waardoor ik moest rondkomen van 90% van het minimumloon. Ik raakte zwaar overspannen, heb mijn Renault-Express volgeladen met persoonlijke spullen, en ben in juni 2007 naar Zuid-Frankrijk gevlucht. 

De Renault Express is door mij op 20 september 2007 voor € 100,- verkocht aan dhr. Zineb Hammouche te Nice. Het voertuig was toen inmiddels zo'n 15 jaar oud. Het was defect en niet meer te gebruiken. Dhr. Hammouche had eveneens een Renault Express, van hetzelfde type, en heeft het voertuig gekocht voor onderdelen, om het vervolgens te slopen.  Helaas is het begrip “vrijwaringsbewijs” in Frankrijk onbekend. Derhalve heb ik dhr. Hammouche verzocht een door mijzelf opgesteld bewijs van vrijwaring te ondertekenen. Om het voertuig formeel te kunnen laten overschrijven op naam van dhr. Hammouche, zou het officieel in Frankrijk moeten worden ingevoerd en gekeurd. De kosten die daarmee gemoeid waren zouden de aanschafprijs van de auto vele malen hebben overstegen, en omdat dhr. Hammouche niet voornemens was de auto ooit nog op de openbare weg te brengen, werd daarvan in goed overleg afgezien. 

Op 20 juli 2009, bijna twee jaar nadat de auto was gesloopt, constateerde de registercontrole van de RDW te Veendam dat het keuringsbewijs van de auto zijn geldigheid had verloren. Mij werd een sanctie opgelegd van € 90,- + € 6,- administratiekosten. Omdat ik geen vaste woon- en verblijfplaats had bereikte dit schrijven mij pas op 8 oktober 2009. Ik stuurde onmiddellijk een brief naar het CJIB, waarin ik de situatie uitlegde en een kopie van het zelf opgemaakte vrijwaringsbewijs bijvoegde. 

Niet alleen vond ik het onredelijk om een administratieve sanctie te moeten betalen voor een "overtreding" met een voertuig dat al bijna twee jaar daarvoor was gesloopt, ook kon ik de boete niet betalen omdat ik moest rondkomen van de beslagvrije voet van zo'n € 700,- per maand. Dus toen de officier van justitie te Leeuwarden mij op 2 november 2009 liet weten dat ik schriftelijk beroep kon instellen bij de kantonrechter, heb ik dat gedaan, maar was ik niet in staat om de zekerheid ter hoogte van de (inmiddels verhoogde) sanctie te stellen. Ik heb getracht de kantonrechter duidelijk te maken dat ik niet over de financiële middelen beschikte om aan de verplichting tot zekerheidstelling te voldoen. 

Op mijn verzoek verklaarde de RDW te Veendam het kentekenbewijs VV-99-TX ongeldig op 4 november 2009, omdat "het voertuig voorgoed was uitgevoerd".  Op 9 november 2009 liet de belastingdienst mij weten dat het voertuig uit de administratie van de belastingdienst was verwijderd en dat ik de toegezonden rekeningen niet hoefde te betalen. 

Op 25 mei 2010 nam de rechtbank te Rotterdam de volgende beslissing inzake mijn beroep bij de kantonrechter: "Betrokkene heeft echter nagelaten binnen de in die brieven genoemde termijn zekerheid te stellen. (...) Betrokkene wordt derhalve niet-ontvankelijk verklaard in het beroep." 

Toen ik vervolgens niets meer van het CJIB vernam, ging ik ervan uit dat het CJIB hetzelfde besluit had genomen als de RDW en de belastingdienst, en dat de kwestie hiermee was afgedaan. 

In oktober 2010 verhuisde ik van Zuid Frankrijk naar Engeland. In juli 2011 keerde ik berooid terug naar Nederland en meldde ik mij aan voor de schuldhulpverlening. Op 1 september 2011 werd mij een woning aangeboden in Rockanje, waar ik sindsdien woonachtig ben en moet rondkomen van de beslagvrije voet, in afwachting van het moment waarop ik daadwerkelijk gebruik kan maken van het schuldhulpverleningstraject. 

Op 13 september 2011 kreeg ik echter van het CJIB een "betalingsoverzicht beroep kantonrechter", hetgeen erop neerkomt dat ik vóór 25 oktober 2011 € 174,75 moest betalen voor een "overtreding" die is geconstateerd bijna twee jaar nadat het voertuig in kwestie was gesloopt. 
. 
Op 27 september 2011 schreef ik een brief aan minister Opstelten van Justitie & Veiligheid, waarin ik de situatie uitlegde en vroeg om begrip voor deze schrijnende toestand. Een kopie van deze brief stuurde ik aan het CJIB.  
. 
Op 4 oktober 2011 reageerde de minister. Zonder op de inhoud van mijn brief in te gaan verwees hij mij naar het CJIB.  
. 
Eeveneens op 4 oktober 2011 schreef het CJIB: “Wij hebben uw beroepschrift ontvangen. De rechtbank Brielle, sector kanton, locatie Brielle, is echter de instantie die het beroepschrift had moeten ontvangen. Ik heb uw beroepschrift daarom doorgestuurd naar de rechtbank.” 

Uit deze reactie bleek dat mijn brief niet met de nodige aandacht door de CJIB-ambtenaren was gelezen. In de eerste plaats omdat de brief geen “beroepschrift” was, maar een beroep op het gezonde verstand van de ambtenaar van het CJIB die de zaak behandelt, in de hoop dat ik eindelijk eens een ambtenaar zou treffen die zowel de bevoegdheid als de bereidheid heeft om deze zaak te seponeren, en in de tweede plaats omdat ik ervan uit ga dat elke ambtenaar van het Ministerie van Justitie over voldoende juridische kennis beschikt om te begrijpen dat op 4 oktober 2011 de termijn voor het indienen van een beroepschrift bij de rechtbank tegen een vonnis van 25 mei 2010 al geruime tijd is verstreken. En zoals verwacht reageerde de griffier van de rechtbank op 6 oktober 2011 met de mededeling dat ik niet meer in hoger beroep kon gaan omdat de termijn die hiervoor staat inmiddels ruimschoots verstreken was. 
. 
Op 14 oktober 2011 stuurde ik een brief aan het CJIB waarin ik nogmaals mijn bezwaren tegen de procedure duidelijk maakte.  
. 
Op 20 oktober 2011 reageerde het CJIB als volgt: "Indien u het niet eens was met de uitspraak van de kantonrechter en u voldeed aan de ontvankelijkheideisen, kon u hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden, door binnen zes weken na de datum van de uitspraak een beroepschrift aan de rechtbank, sector kanton in te zenden. Omdat u dit niet heeft gedaan, is de uitspraak van de kantonrechter bindend. 

U bent zelf verantwoordelijk om het kenteken tijdig bij de RDW af te melden. Als u dat niet doet, blijft u administratieve sancties ontvangen. Ook al is de auto 2 jaar gesloopt. 

Het openstaande bedrag is op dit moment nog € 174,75. Dit bedrag moet uiterlijk op 25 oktober 2011 zijn bijgeschreven op rekening 56.99.88.888 van het CJIB onder vermelding van 132365637." 

Op 23 oktober 2011 weerlegde ik de argumenten van het CJIB. Ik gaf aan dat het CJIB de vordering gemakkelijk kon vereffenen door beslag te leggen op mijn uitkering en besloot mijn brief met de volgende zin: "Ik ben bezig met een aanvraag voor schuldhulpverlening en zal uw vordering daarin laten opnemen, losstaande van het feit dat ik mij tegen de vordering verzet." 
. 
Op 3 november 2011 had ik eindelijke alle benodigde documenten voor de schuldhulpverlening verzameld en kon ik de aanvraag indienen bij de gemeente. In deze aanvraag werd de schuld aan het CJIB vermeld. Deze schuld werd door de gemeentelijke kredietbank als zodanig geaccepteerd.  
. 
Op 26 november 2011 ontving ik van het CJIB een brief met de tekst "Inneming rijbewijs". Daarin stond dat ik mijn rijbewijs op 19 december 2011 moest inleveren bij het CJIB en dat ik strafbaar was wanneer ik vanaf die datum een voertuig zou besturen. Ook stond erin dat ik geen betalingsregeling kon treffen.  
. 
Op 5 december 2011 reageerde ik met een emotionele noodkreet en wees ik het CJIB er nogmaals op dat het geld gemakkelijk via beslag op mijn uitkering kon worden geïncasseerd en dat het bedrag was opgenomen in mijn aanvraag voor schuldhulpverlening.  
. 
Op 14 december 2011 reageerde het CJIB koud en onverbiddelijk: "Wij kunnen openstaande bedragen niet via automatische incasso innen." Deze zin werd gevolgd door de tekst van de brief "Inname rijbewijs".  
. 
Op 16 december 2011 nam ik contact op met de gemeente. De gemeente aarzelde niet en stuurde een fax naar het CJIB, waarin men verzocht om enig geduld en duidelijk maakte dat het gevorderde bedrag inderdaad was meegenomen in de aanvraag om schuldhulpverlening. 
. 
Eveneens op 16 december 2011 liet ik het CJIB weten dat ik mij verbaasde over het feit dat het CJIB niet in staat is om een vordering te incasseren middels beslag op mijn uitkering en besloot ik mijn brief met de zin: "Desalniettemin hoop ik dat u bereid bent om genoegen te nemen met betaling van de vorderingen via de gemeentelijke kredietbank te Rotterdam. De kwestie sleept zich nu al voort sinds 2009 en nu duidelijk is geworden dat de betaling zal plaatsvinden, zouden enkele weken uitstel mijns inziens geen onmogelijkheid moeten zijn." 
. 
De starre houding van het CJIB begon steeds meer op een persoonlijke vendetta te lijken. In de "Aanwijzing (doen) besturen tijdens ontzegging e.d. (art. 9 WVW 1994)" staat immers het volgende: "De officier van justitie te Leeuwarden kan de inlevering van het rijbewijs vorderen en dit doen innemen, teneinde de wanbetaler ertoe te bewegen alsnog tot betaling van de aan hem opgelegde sanctie over te gaan (zie aanwijzing administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften ). 
Is het stadium van (vordering tot) inneming van het rijbewijs bereikt, dan mag er vanuit worden gegaan dat betrokkene geen verdere of geen enkele medewerking zal verlenen aan het betalen van het aan hem opgelegde sanctiebedrag."  
Pardon? Dat gaat in mijn geval niet op. Al op 23 oktober 2011 heb ik het CJIB laten weten dat ik al mijn medewerking zou verlenen aan de betaling van het aan mij opgelegde sanctiebedrag, en ook in mijn brieven 5 december en 16 december 2011 heb ik duidelijk gemaakt dat het CJIB op die medewerking kon rekenen, hetgeen nog eens werd bevestigd door de fax van de gemeente. Het op mij toegepaste dwangmiddel wordt dus oneigenlijk gebruikt, want ik stel mij niet op als wanbetaler. Waarom doet het CJIB dit? Waarom wil men zich, met inachtname van de regels, niet humaner opstellen? 
. 
Wordt vervolgd 
 
 

 Click hier om terug te gaan naar het Woordenboek Juridische Terminologie en Politiejargon
 .
 
Nieuw! Het blog Recht en Commentaar!
Click hier om interactief deel te nemen aan het Woordenboek Juridische Terminologie en Politiejargon,
met uw vragen, aanvulllingen en verbeteringen. Bij voorbaat dank!
.