Jaap van der Wijk
Dit was in 1996, toen het boek werd gepubliceerd
.
En dit is de auteur in 2011, vijftien jaar later
.
DE TAAL VAN HET WATER
interactieve encyclopedie van de watersport, visserij, koopvaardij, marine en bruine vloot
.
Een die sijn zeyl te hooge stelt,
Wert lichtlick van den wint gevelt.
Vader Cats
Meer lexicografisch en informatief werk van Jaap van der Wijk?
Click hier!
.
Het interactief blog van de Taal van het Water
Voor vragen, aanvullingen, opmerkingen, etc.
.
.
Nu ook op Facebook!
.

 

A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z
 
B  

Baai. (1) Ronde inham van de zee; zeearm. (2) Ook: keel. Gleuf van een » kous 

Baaivanger. (1) Ook: schansloper. Bovenkledingstuk; soort jas, inwendig van baai (een soort flanel), uitwendig van geolied linnen. (2) Ruwe matroos.  

Baal. Grote, dichtgenaaide jute of grof linnen zak met een inhoud van vijftig of honderd kilo.  

Baal hooi (m). Waardeloze vent.  

Baanderij. Touwslagerij.  

Baansein (w). Sein gegeven door het wedstrijdcomité dat aangeeft welke baan zal worden gezeild, met andere woorden welke merktekens moeten worden gerond of gepasseerd.  

Baantjesgast. Schepeling die werk verricht dat niet tot het eigenlijke scheepswerk behoort, bijvoorbeeld als timmerman, schrijver, verpleger of kapper.  

Baar. (1) Zandbank voor een riviermonding, waarover schepen slechts bij hoog water kunnen komen. (2) (m) Groentje.  

Baard. (1) Halfronde verdikking om het kluisgat. (2) Aangroeisel aan de scheepshuid onder de waterspiegel.  

Baarhaven. Haven die door een » baar (1) wordt afgesloten.  

Baartijd (m). De tijd die men als groentje op het » KIM doorbrengt.  

Babystag. Stag dat zich in voorkomende gevallen tussen het voorstag en de mast bevindt.  

Backface (e). Achtervlak.  

Backlash (e). Het » blindslaan van de schroef. `Ik heb een backlash.'  

Backpack (e). Draagstel waar een of meer cilinders op zijn gemonteerd, behorend tot een » duikset 

Badkuip (m). Commandobrug van een onderzeeër.  

Bag (e). Het bollende deel van een zeil.  

Bagger. Modder. Om nauwkeuriger te zijn: blauwzwarte vergane organische resten en oeverafslag.  

Baggerindustrie. Gesaneerde bedrijfstak, die zich onder andere bezighoudt met het uitdiepen, aanleggen en onderhouden van havens en waterwegen, het aanwinnen en opspuiten van land en het bouwen van dijken.  

Baggerspecie. Enigszins verdunde, dus vloeibare » bagger 

Sleephopperzuiger Geopotes 14 aan het werk op het Noordzeekanaal
.
Baggerwerktuig. Vaartuig dat zand wint of vaarwaters uitdiept. Men onderscheidt mechanisch werkende schepwerktuigen (zoals emmerbaggermolens, dipper dredges en grijpers) en hydraulisch werkende zandzuigers (zoals bodemzuigers, sleepzuigers en cutterzuigers).  

Baghla. Prachtig, sierlijk groot zeilschip uit de Arabische wateren, ontwikkeld uit de Portugese koopvaarders van de zestiende eeuw.  

Bagijnera. Onderra van de bezaansmast of kruismast (afhankelijk van het schip). Zie afb. 52.  

Bagijnezeil. Zeil dat aan de » bagijnera wordt bevestigd. Zie ook afb. 52.  

Bahama-methode. » Vertuid ankeren 

Bahia. » Trailerbaar polyester zeiljacht met slaapaccommodatie voor vier personen. L.O.A. 6,93 m., zeiloppervlak 19,50 m².  

Baidarka. Russische benaming van de » kajaks van de Eskimo's.  

Bail (e). (1) Hozen. (2) Hoosvat.  

Bailer (e). Hoosvat.  

Bail out (e) (s). Van de surfplank afspringen.  

Bak. (1) Een zeil staat bak als de schoot aan loefzijde vast staat en de wind van de verkeerde kant in het zeil valt. (2) Voorste gedeelte van het opperdek. (3) Verblijf van de matrozen, onder de bak, waar ook geschaft werd. (4) (m) Groep manschappen in één wacht, aan één tafel. (5) Vaartuig voor het transporteren van » bagger.  

Bakboord. De linkerkant van een vaartuig, wanneer men van achter naar voor kijkt.  

Bakboordlicht. Rood van kleur. Ezelsbruggetje: bakboord = links = PvdA = (was) rood. Zie ook Boordlichten, Heklicht, Navigatielichten, Toplicht en Stuurboordlicht.  

Bakdek. Flushdek. Boot met een verhoogd voordek waardoor de kajuit geheel onder dek komt te liggen.  

Bak één (m). De gezamenlijke officieren van een oorlogsschip. `Bak één lijdt echt geen honger hoor!'  

Baken (n). Een drijvend of in de grond gestoken merkteken. Zie ook Geleidebakens en Merklijn.  

Bak halen. » Bak (1).  

Bakkebord. Versierde bovenlijst van het achterschip.  

Bakkie. (1) `Even een bakkie doen' = Even een kop koffie drinken. Letterlijk: even de » bak aandoen, even de manschappenverblijven bezoeken. (2) (m) `Een bakkie krijgen' = Een straf oplopen.  

Bakkie zweet (m). (1) Kopje thee. (2) Kopje koffie.  

Bakkwartier. De helft van de bemanning, die de kooien aan bakboord heeft.  

Baksen (m). Het in het horizontale vlak draaien van het geschut.  

Bakser (m). Schepeling die helpt bij het » baksen.  

Baksgewijs (m). Aantreden.  

Bakskist. Kist waarin het » kommaliewant en het rantsoen van een bak zijn opgeborgen.  

Baksmaat (m). Iemand die aan dezelfde » bak eet.  

Baksmeester (m). Korporaal belast met de leiding aan de » bak.  

Baksplank (m). Ook: spekplank. Plank waarmee je 21 klappen krijgt op je 21e verjaardag.  

Bakstagen. Verstaging vanaf het achterboord naar de top van de mast, om deze vooral bij ruimere koersen te steunen. We belasten alleen het bakstag aan de loefzijde van het schip. Dat aan lijzijde kan worden ontkoppeld, móet zelfs worden ontkoppeld wanneer het gevaar bestaat dat giek en grootzeil te grote druk op het bakstag uitoefenen. Zie ook Binnenvoorstag, Hoofdwant en Topwant.  

Bakstaghefboom. Ook: Highfield lever. Met de hand bediende hefboom voor het snel instellen van de lengte van een stag.  

Bakstagloper. Lijn waarmee het bakstag wordt doorgezet of losgegooid.  

Bakstagwind. Wind die schuin van achteren komt, over bakboord of stuurboord. Zie ook afb. 44.  

Bakszeuntje (m). Matroos die hielp bij het opdienen van het eten aan de » bak.  

Bakzeil halen. De zeilen zo brassen dat de wind er van voren inkomt en het schip dus stil blijft liggen of achteruit gaat.  

Bak zetten. Een zeil zodanig uitzetten dat de wind er aan de `verkeerde' kant in blaast, bij voorbeeld om de boeg van de boot te doen afvallen of om achteruit te zeilen.  

Balam. Slank gebouwd zeilschip met latijnzeil, afkomstig uit de wateren rond Aden. Werd veel gebruikt door smokkelaars en slavenhalers.  

Balanoïdea. Zeepok. Zie Aangroeiing 

  
  

Afb. 3. BALANS; romp en onderwaterschip
 
Afb. 4. BALANS; zeilplan en zijaanzicht.
Balans. Mijn lief, oud stalen knikspant zeiljachtje van het Snekermeer-type, waarmee ik voortdurend trachtte de grenzen van de zeewaardigheid te verleggen. L.O.A. 9,10 m., breedte 2,80 m., diepgang 1,10 m., zeiloppervlak 45 m². Aan de zeewaardigheid van de Balans hoefde (bij goed weer) niet te worden getwijfeld, maar over die van de schipper liepen de meningen nogal uiteen, met name binnen het gezin. Zie ook afb. 3 en 4.  
 
Balansrif. Schuin rif in het bezaans- of brikzeil.  

Balansroer. Roer waarbij de roerkoning door het midden van de klik gaat.  

Bal gehakt. Stakingsbreker. Het scheldwoord is ontstaan toen de » KNSM tijdens een staking tegen het eind van de Eerste Wereldoorlog werkwilligen trachtte te paaien door ze op het maaltijd een warme prak met een bal gehakt te verstrekken.  

Balkon. Ook: bordes. Loopbrug langs de scheepsmotor(en). Balkweger. » Weger waarop de (dek)balken rusten.  

Ballast. (1) Kielballast, bestaande uit lood of ijzer onder aan de » kiel van een zeiljacht, dient om de stabiliteit te verbeteren. (2) Materiaal in ballasttanks, dat dient om een leeg vrachtschip een grotere » diepgang te geven, waardoor het » zeewaardiger wordt.  

Ballastbak. Verschuifbare bak voor zandzakjes, bij een botter.  

Ballastbroodjes. » Loodbroodjes.  

Ballastkiel. Zie Ballast (1).  

Ballasttanks. De levensduur van een schip wordt grotendeels bepaald door de staat van zijn ballasttanks. Een schip waarvan deze tanks in een onaanvaardbare conditie zijn moet naar de sloop. Het is dan ook uitermate belangrijk dat de ballasttanks in een goede staat worden gehouden. De manier waarop ballasttanks thans worden gebouwd is aan herziening toe. Vandaag de dag worden tanks gebouwd in grade A staal en beschermd met een standaard PSPC15 coating. Dit systeem is ongeveer gedurende 15 jaar adequaat. Gemiddeld gaan schepen echter 25 jaar mee en bijgevolg zijn de tanks onvoldoende beschermd gedurende 40% van hun levensduur. Andere bescherming en constructietechnieken bieden zich aan, zijnde het gebruik van “super” coatingen die het 25 jaar uithouden of de aanwending van corrosieresistent staal. Dit alles onder voorbehoud van kostprijs en de feitelijkheid van de vooropgestelde eigenschappen.  
Zie ook Ballast (2).   

Ballen draaien (m). Wisselende koersen varen, bijvoorbeeld bij oefeningen.  

Balletje. Spinnakeronderzeil.  

Ballonfok. (1) » Spinnaker. (2) Halfwinder; wordt ook wel als » spinnaker gebruikt.  

Ballonzeil. » Ballonfok.  

Balloon (e). » Spinnaker 

Balsavlot. Vlot gebouwd van balsahout, afkomstig uit Zuid-Amerika.  

Baltic 39. Prachtig polyester toerzeiljacht met goede zeileigenschappen. L.O.A. 11,80 m., breedte 3,80 m., diepgang 1,90 m.  

Baltic 41. Motorsailer. L.O.A. 12,50 m.  

Baltic 43. Zeer luxueus polyester zeiljacht. L.O.A. 13,21 m., zeiloppervlak 85 m².  

Baltic 48. Zeer luxueus polyester zeiljacht. L.O.A. 14,64 m., zeiloppervlak 108 m².  

Replica van de Baltimore-clipper Californian uit 1847
.
Baltimore-clipper. Voorloper van de echte » clipper. Zeer snel Amerikaans koopvaardijschip uit de negentiende eeuw, met scherpe boeg, aanvankelijk kottergetuigd maar later getuigd als schoener. De wet van 1808 verbood de slavenvaart, dus werden de slaven gesmokkeld. Om de achtervolgers te snel af te kunnen zijn en om blokkades te kunnen doorbreken, maakte men gebruik van Baltimore-clippers. Zie ook Ann McKim.  

Bamboes. Onbekwaam en onervaren matroos.  

Bandijk. Zware dijk langs de Nederlandse grote rivieren.  

Bandstopper. Ook: remband. Onderdeel van een » ankerlier, dat dient om de ankerketting tijdens het uitlopen te kunnen afremmen.  

Bang the corner (e) (w). Bij het » matchracen: naar een kant van de baan varen en van daaruit een strategische voorsprong trachten te bereiken.  

Bank. Natuurlijke ondiepte in zee, vaak voor een riviermonding.  

Bankie. » Treedoft.  

BAP (m). Brand- en averijploeg. Ook: herstellingsploeg. Groep schepelingen die verantwoordelijk is voor het herstellen van averij.  

Bar. Eenheid die de luchtdruk aangeeft. 1 bar = 0,986 atmosfeer.  

Baratterie. Onrechtmatige handeling van kapitein of bemanning, die nadelige gevolgen voor de reder of de verzekeraar heeft.  

Barbarijse zeerovers. Piraten uit Barbarije (het land der Berbers), die van de middeleeuwen tot 1830 de wateren van de Middellandse Zee en het oosten van de Atlantische Oceaan onveilig maakten. Hun thuishaven was meestal Algiers.  

Barcarolle. Venetiaans gondellied.  

Bareboat charter (e). Ook: demise charter. Hierbij betaalt de huurder een bepaalde som voor het `blote schip', zonder bemanning, en komen alle kosten, zoals die van verzekering en bemanning, voor rekening van de huurder.  

Baren. Golven; de zee. Van het Arabische woord bahr, dat `water' of `zee' betekent.  
. 

Kaart van Nova Zembla uit 1601 met daarop de route van Barentsz
.
Barentz, Willem (Formerum, ±1550 - Nova Zembla, 20 juni 1597) was een Nederlandse zeevaarder en ontdekkingsreiziger (poolonderzoeker), die drie reizen maakte om de Noordoostelijke Doorvaart te vinden, waarbij hij de kusten van Nova Zembla verkende en Bereneiland en Spitsbergen ontdekte. Barentsz slaagde er tijdens de derde reis naar de Noordpool de noordpunt van Nova Zembla te ronden, maar kwam daarna vast te zitten in het ijs. Van aangespoeld drijfhout werd een huis gebouwd, dat bekend staat als Het Behouden Huys, waarin vervolgens de winter werd doorgebracht. De volgende lente werd een extra sloep gebouwd, zodat de zestien opvarenden naar de bewoonde wereld konden terugkeren. Barentsz echter stierf een week na het vertrek. Zijn mannen keerden wel terug naar Kola, waar ze werden opgepikt door een Nederlands handelsschip onder commando van hun voormalige medereiziger Rijp. Zie ook Jacob van Heemskerck. 
. 
Barentz-zee. Deel van de Noordelijke IJszee, genoemd naar Willem Barentz, begrensd door het Noordeuropese vasteland, Nova Zembla, Frans Jozefsland en Spitsbergen. 100-590 meter diep.  

Barge (e). (1) Algemene Engelse benaming voor binnenvaartschip. Zie Thames barge en afb. 46. (2) Vroeger in Nederland een luxe trekschuit voor het vervoeren van passagiers.  

Barge carrier (e). Lichter-moederschip. Vervoert drijvende laadbakken, die met een portaalkraan of lift aan boord zijn gebracht, over de oceaan. Sommige barge carriers kunnen zinken als een drijfdok, waarna de lichters naar binnen of naar buiten worden gevaren.  

Barge port (e). Overlaadhaven zonder kaden.  

Bargoen. Balk waartegen de sloep in de » davits hangt. Wordt bij de marine `sjorbalk' genoemd.  

Bark. Bark of barque is de naam van een koopvaardijschip, oorspronkelijk uitgerust met drie en later ook wel met vier of vijf masten. Alle masten zijn » vierkantgetuigd, behalve de achterste (bezaansmast), die uit een lange ondermast en » steng bestaat, waaraan resp. een » bezaan en een » gaffeltopzeil kunnen worden gevoerd. De Nederlandse driemasters varieerden van 300 tot 2600 » BRT, de viermasters haalden de 3000 BRT en de vijfmastbarken meer dan 4000 BRT.  

Barkas. De zwaarste sloep aan boord een schip, soms met een binnenboordmotor.  

Barkas 1200 ak. Stalen multiknikspant motorboot met zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 12 m., breedte 4,05 m., diepgang 1 m.  

Barkasroeier (m). Ook: hemelpiloot of hemeldragonder. Geestelijke; vlootpredikant.  

Barkassloep. Sloep die in grootte op de » barkas volgt.  

Barkentijn, schoenerbark. Een mengvorm van een » schoener en een » bark noemen we een `barkentijn' of `schoenerbark'. Bij dit schip zijn de (drie of meer) masten » langsscheepsgetuigd, behalve de voorste. De fokkemast is namelijk » vierkantgetuigd.  

Barograaf. Zelfregistrerende barometer.  

Barometer. Instrument waarmee de atmosferische luchtdruk wordt gemeten. Doorgaans duidt een stijgende barometerstand op beter weer, terwijl een snel dalende barometerstand stormachtig weer aankondigt. Zie ook Kanaalrat.  

Barrage. Stuwdam in een meer of rivier.  

Barrière-eiland. Een hoofdzakelijk uit zand bestaande afzetting die door golfwerking tot boven het zeeniveau is opgebouwd en door een lagune van de kust is gescheiden. De hoogte kan toenemen door duinvorming.  

Barrièrerif. Koraalrif op enige afstand van de kust, evenwijdig aan het land.  

Barring. (1) Alle » waarloos rondhout. (2) De plaats tussen de grote en de fokkemast waar (1) wordt geborgen.  

Bartholomew Diep. De grootste diepte (bijna acht kilometer) van de » Atacamatrog 
. 

Bartolomeu Dias' route naar Zuid Afrika en terug
.
Bartolomeu Dias (ook Diaz, ca. 1450 – op zee nabij Kaap de Goede Hoop, 29 mei 1500) was een Portugees zeevaarder en ontdekkingsreiziger, die in 1488 als eerste Europeaan Kaap de Goede Hoop rondde. Daarmee bereidde hij de weg voor de eerste tocht naar India door » Vasco da Gama. Bartolomeu Dias vertrok in augustus 1487 met een vloot van drie schepen uit Lissabon. Twee ervan, de São Cristóvão en de São Pantaleão, waren karvelen. Zijn broer Pêro Dias voerde het bevel over een bevoorradingsschip. Het was de eerste keer dat de Portugezen gebruik maakten van een bevoorradingsschip. Na tussenstops in São Jorge da Mina en bij de monding van de Kongo bereikte Dias in december Walvisbaai in Namibië. De route langs de zuidwestkust van Afrika betekende, dat de schepen steeds tegen de heersende zuidoostpassaat in moesten laveren. Na vertrek uit Walvisbaai koos Dias daarom voor een zuidwestelijke koers, weg van de kust. De beide karvelen kwamen in een zeer zware storm terecht, die dertien dagen duurde en hen ver naar het zuiden voortjoeg. Toen de storm ging liggen, koerste Dias terug naar het oosten, maar na verscheidene dagen was er nog steeds geen land te bespeuren. Daarop verlegde hij zijn koers noordwaarts totdat hij op 2 februari 1488 land vond bij de Mosselbaai. Zonder het te weten had Dias zowel Kaap de Goede Hoop als het zuidelijkste punt van Afrika, Kaap Agulhas, gepasseerd. 
. 
Basiscertificaat Marifonie. Certificaat dat men nodig heeft om een eenvoudige » marifoon voor de binnenwateren te mogen bedienen. Wordt door de » HDTP verstrekt na een schriftelijk examen met goed gevolg te hebben afgelegd. Zie ook Marcom-A, Marcom-B en DSC 

BASM. Stichting tot Behoud van Authentieke Stoomvaartuigen en Motorsleepboten. » Behoudsorganisatie die in 1980 is opgericht.  
  
  

De Batavia in Sydney, ter ere van de Olympische Spelen

Batavia. (1) » VOC-schip dat in 1629 bij het Westaustralische Perth op de klippen liep. (2) Reconstructie van (1), in tien jaar tijd gebouwd door de Stichting Nederland bouwt VOC-Retourschip, onder de bezielende leiding van Willem Vos, de bedenker van het project. Is te bezichtigen in Lelystad, aan de Oostvaardersdijk.  

Bathyale zone. Het deel van de zee tussen 200 en 1000 meter diepte waar geen zonlicht meer kan doordringen.  

Bathymetrische kaart (n). Kaart van de oceaan, waarop de diverse diepten van de zeebodem door middel van dieptelijnen worden aangegeven.  

Bathyscaaf. Duiktoestel voor diepzeeonderzoek, waarmee tot op diepten van meer dan 10.000 meter wordt gedoken. Het bestaat uit een zware stalen bol met dikke vensters van plexiglas, onder een stalen tank, die men kan laten stijgen of dalen. Ontworpen door de Zwitserse natuurkundige Auguste Piccard, die er in 1954 een diepte van 4000 meter mee bereikte.  

Bathysfeer. Bolvormig stalen toestel voor diepzeeonderzoek, in de jaren dertig ontworpen door de Amerikaanse ontdekkingsreiziger Charles William Beebe en de Amerikaanse ingenieur Otis Barton.  

Batsman (e) (m). » Signaleur 

Batterij (m). Geschutlaag op een oorlogsschip.  

Bavaria 26. Luxueus afgewerkt zeilschip met slaapaccommodatie voor vier personen. L.O.A. 7,75 m., zeiloppervlak 24,30 m².  

Bavaria 30. Modern polyester kajuitzeiljacht met slaapaccommodatie voor zes personen. L.O.A. 9,30 m.  

Bavaria 33. Polyester rondspant zeiljacht met vier tot zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 10,28 m., breedte 3,45 m., zeiloppervlak 58 m².  

Bavaria 34 Cruising. Snel polyester toerzeiljacht met slaapaccommodatie voor zes tot acht personen. L.O.A. 10,42 m., breedte 2,98 m., zeiloppervlak 67 m².  

Bavaria 34 Sport. Snel polyester toerzeiljacht met slaapaccommodatie voor zes tot acht personen. L.O.A. 10,42 m., breedte 2,98 m., zeiloppervlak 71 m².  

Bavaria 35 Holiday. Rondspant polyester zeiljacht met vier vaste slaapplaatsen. L.O.A. 10,95 m., breedte 3,70 m., zeiloppervlak 51,50 m².  

Bavaria 37 Cruising. Comfortabel polyester rondspant toer-wedstrijdzeiljacht met slaapaccommodatie voor vier tot zes personen. L.O.A. 11,28 m., breedte 3,65 m., zeiloppervlak 70 m² (inclusief genua).  

Bavaria 37 Sport. Comfortabel polyester rondspant toer-wedstrijdzeiljacht met slaapaccommodatie voor vier tot zes personen. L.O.A. 11,28 m., breedte 3,65 m., zeiloppervlak 74 m² (inclusief genua).  

Bavaria 38. Mooi gelijnd, snel polyester toerzeiljacht met slaapaccommodatie voor zeven personen. L.O.A. 11,50 m., zeiloppervlak 69,10 m².  

Bavaria 41. Rondspant polyester zeiljacht met zes tot acht vaste slaapplaatsen. L.O.A. 12,75 m., breedte 3,98 m., zeiloppervlak 92 m².  

Bavaria 42. Ruim en luxueus afgewerkt polyester zeilschip met slaapaccommodatie voor acht personen. L.O.A. 12,85 m.  

Bavaria 44. Mooi gelijnd, ruim en luxueus afgewerkt zeilschip. L.O.A. 13,40 m., zeiloppervlak 97,50 m².  

Bavaria 46. Polyester rondspant zeiljacht met zes tot tien vaste slaapplaatsen. L.O.A. 14,40 m., breedte 4,48 m., zeiloppervlak 128 m².  

Bavaria 47. Polyester rondspant zeiljacht met acht tot tien vaste slaapplaatsen. L.O.A. 14,60 m., breedte 4,60 m., zeiloppervlak 130 m².  

Bawley. Engels vissersschip, voornamelijk gebruikt voor de garnalenvisserij, met gaffelzeil, stagfok en kluiver. Lengte variërend van 6 tot 11 meter.  

BAZ. » Berichten aan zeevarenden.  

Baze visserlui (v). Ondernemende vissers.  

BBC 4. Brits radiostation. De beste informatiezender, met groot bereik.  

BBZ. Belangenvereniging Beroepszeilschippers. Zie Bruine vloot.  
  
  
  

Darwin en de Beagle

Beagle. Met dit schip maakte Charles Darwin van 1831 tot 1836 een reis om de wereld. De waarnemingen die hij tijdens deze reis maakte leidden tot zijn fameuze evolutietheorie. Het schip is te bezichtigen in Greenwich, ten oosten van Londen.  

Beam (e). (1) Dekbalk. (2) Grootste breedte van het schip. (3) Voor- of achterschip.  

Beat (e) (w). (1) » Kruisrak. (2) Het zeilen in de richting van waaruit de wind komt.  

Beaufortschaal. Schaal voor het meten van windsterktes van windkracht 0 tot 12, in 1808 ingevoerd door de Engelse admiraal Sir Francis Beaufort.  

Beaufort    Benaming KNMI    Engelse benaming    Equivalent knopen  

0                windstil                    calm                             > 1  

1 (à 2)        zwakke wind            light air                        1 - 6  

2                light breeze  

3 (à 4)        matige wind                gentle breeze                7 - 16  

4                                                moderate breeze  

5                vrij krachtige wind    fresh breeze                    17 - 21  

6                krachtige wind            strong breeze                22 - 27  

7                harde wind                moderate gale                28 - 33  

8                stormachtige wind        fresh gale                    34 - 40  

9                storm                            strong gale                  41 - 47  

10                zware storm                whole gale                    48 - 55  

11                zeer zware storm            storm                        56 - 63  

12                orkaan                        hurricane                        > 63  
  

Bedelbalk. Dwarsbalk over het voordek, zoals bij een » tjotter 

Bederven. `Valt er nog iets te bederven?' = Heb je iets voor me te eten, kok?  
. 

Zeiljacht ontworpen door Pieter Beeldsnijder
.
Beeldsnijder, Pieter. Nederlandse ontwerper van jachten. Hij is een van de meest vooraanstaande scheepsarchitecten van Nederland.  
. 
Beerklamp. Verdubbeling van de voorsteven, waartussen een schijf voor de dreg.  

Bef. » Kraag.  

Beheerloon. Zie Strandvonderij 

Behoud. Afstand over de grond.  

Behouden. Afleggen van een afstand. `Het schip behield » mijl.'  

Behouden-varen-verzekering. Scheepsverzekering op het » casco, waarbij slechts de schade is gedekt die is ontstaan door het niet arriveren van het schip in de bestemmingshaven, bijvoorbeeld doordat het schip onderweg vergaat of wordt afgekeurd.  

Behoudsorganisatie. Elk van de verenigingen en stichtingen die het behoud van traditionele vaartuigen nastreven. Zij worden doorgaans overkoepeld door de » FONV 

Beitass. Lang rondhout om het voorlijk van het zeil van een vikingschip uit te houden, wanneer het zeil geen onderra heeft.  

Bek. Metalen of houten vork, waarmee de » giek tegen de mast rust.  

Bekkengaal. Netwerk aan de opening (eerste twee » perken) van een » kuilnet 

Bekklamp. Halve » klamp 
. 
Bekoperen. Het verwijderen van metalen voorwerpen en die vervangen door koperen voorwerpen, ten einde negatief magnetisme in de buurt van het kompas te vermijden. 
. 
Beladingscoëfficiënt. Getal dat de verhouding aangeeft van de inhoud van het schip (tussen lege en geladen lastlijn) tot de belaadbare ruimte.  

Beladingsgraad. Het percentage van het beschikbare laadvermogen dat wordt gebruikt voor het vervoer van passagiers, vracht en/of post.  

Belboei. Verankerde » boei of » ton, die ten gevolge van de golfbeweging van het water voortdurend een belgeluid laat horen.  

Beleggen. Voorkomen dat een touw uitloopt door dit met over elkaar knijpende bochten vast te maken en op te schieten op een voorbolder, nagelbank of sjorlier.  

Belle-fast 27. Trailerbaar rondspant aluminium zeiljacht met vier vaste slaapplaatsen. L.O.A. 8,06 m., breedte 2,50 m., zeiloppervlak 36,20 m².  

Beluga. Actieschip van de milieuorganisatie » Greenpeace.  

Bemanning. Op een koopvaardijschip alle » opvarenden die een arbeidsovereenkomst met de » reder hebben en geen passagier zijn.  

Bemanningssterkte. Zie Wet Vaartijden en Bemanningssterkte.  

BENAS. N.V. tot Behartiging van Nationale Scheepvaartbelangen.  

Bends (e). The bends. » Decompressieziekte.  

Bendsel. Ook: bindsel. Omwinding. Zie ook afb. 14.  

Bendselen. Ook: bindselen. Binden met dun touw of garen.  

Beneden de wind. Aan de kant waar de wind naartoe blaast.  

Benedenrivier. Deel van de rivier waarin nog eb en vloed wordt waargenomen.  

Bénéteau Oceanis 44 CC. Polyester rondspant zeiljacht met zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 13,40 m., breedte 4,25 m., zeiloppervlak 102 m².  

Bénéteau Oceanis 281. Polyester rondspant zeiljacht met vier tot zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 8,70 m., breedte 2,86 m., zeiloppervlak 38,60 m².  

Bénéteau Oceanis 321. Polyester rondspant zeiljacht met zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 9,95 m., breedte 3,42 m., zeiloppervlak 58 m².  

Bengeldraad (v). Spakenburgse benaming voor de draad waaraan een te breien stuk netwerk wordt opgezet. Zie Opzetten.  

Benguelastroom. Zuidafrikaanse stroom. Komt voort uit de Westenwinddrift langs de westkust van Zuid-Afrika en gaat geleidelijk over in de » Zuidequatoriaalstroom. Zie ook Braziliëstroom.  

Benthos. (1) De in en op de zeebodem levende organismen. Zie ook Demersale vissen. (2) De zeebodem.  

Bentinckzeilen. Driehoekige onderzeilen op vierkantgetuigde schepen. Deze zeilen (twee naast elkaar, samen weer een driehoek vormend) kunnen bij stormweer veel langer blijven staan dan vierkante razeilen.  

Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee. » ZAR.  

Beperkte klasse (w). Ontwikkelingsklasse. Wedstrijdklasse van vaartuigen die gebouwd zijn onder dezelfde beperkingen betreffende afmetingen en dergelijke.  

Beplanken. Het aanbrengen van de huidplanken.  

Beplanking Het geheel der huidplanken.  

Beretand. Verticaal balkje tegen het » boeisel van het voorschip, ter geleiding van de anker- of sleeptros.  

Bergen. (1) Het in veiligheid brengen van schepen en ladingen die door kapitein en bemanning zijn verlaten of in nood verkeren. (2) (s). Het neerhalen van het zeil.  

Berghaven. Binnenhaven waar vissersvaartuigen en dergelijke kunnen overwinteren.  

Berghout. (1) Uitstekende plank of balk rond het vaartuig die dienst doet als stootrand. (2) Zware houten of stalen schuurlijst, voornamelijk rond het voor- en achterschip. Zie afb. 48.  

Berghoutsgang. Eerste gang onder het berghout. Is altijd aanmerkelijk dikker dan de overige gangen.  

Het bergingsvaartuig Jacomina

Bergingsvaartuig. Schip dat speciaal is gebouwd voor het » bergen van schepen.  

Bergumermeerklasse. Zie BM.  

Bergvaart. Binnenvaartterm, gebruikt voor schepen die de Rijn richting Bazel bevaren.  

Berichten aan zeevarenden (BAZ). De dagelijkse berichten die worden uitgegeven door de afdeling hydrografie van het ministerie van Defensie, en als doel hebben zeevarenden in staat te stellen hun » zeekaarten te corrigeren. De belangrijkste berichten worden onder andere opgenomen in de rubriek Vaartberichten van De Uitkijk, de nieuwsbijlage van De Waterkampioen, en in de rubriek `Praktijk' van het blad Zeilen 
. 
Berkelzomp. » Zomp.  
. 
Bermudasail (e). » Grootzeil.  

Bermudatuig. » Torentuig. Tuigage met driehoekig » voorzeil, zonder » gaffel.  

Bescherming van scheepvaarttekens. Een schip mag geen scheepvaarttekens gebruiken om daaraan af te meren of daaraan te verhalen. Boeien, tonnen, drijvers en bakens aan de wal mogen niet worden beschadigd of ongeschikt worden gemaakt voor hun bestemming.  

Beschieten. Rondom met planken afsluiten.  

Beslaan (van een zeil). Vastbinden van het zeil op de giek.  

Beslag. Hulpmiddelen voor bevestiging en bediening van tuigage en boot, zoals klampen en ogen.  

Beslaglijn. Soort touw om de zeilen aan de » ra vast te binden.  

Best boat (e) (r). Gladde boot, lichte wedstrijdboot.  

Bestek. (1) Berekening van de positie van het schip. Om nauwkeuriger te zijn: de uitkomst van de berekening van de geografische breedte en lengte waarop het schip zich bevindt. (2) Het bouwbestek; de lijst van materialen en afmetingen die nodig zijn voor de bouw van het schip.  

Bestman. Soort bootsman op een kustvaarder. Ervaren matroos die de navigatie verzorgt, wacht loopt en toezicht houdt op het dekpersoneel.  

Best of three (e) (w). Methode om bij » matchraces de winnaar vast te stellen. Degene die als eerste twee van de drie matches heeft gewonnen is winnaar. Meestal gebruikt om de winnaar van de halve finale te bepalen. Zie ook K.O. en Round robin.  

Best of five (e) (w). Methode om bij de » America's Cup de winnaar vast te stellen. Degene die als eerste drie van de vijf matches heeft gewonnen is winnaar.  

Beteugeling. Dichting van geulen en kreken bij bedijkingen.  

Beting. Zware verticale balk, die aan de onderkant op de kiel of de voorsteven rust en boven op het voorschip door het dek heen steekt. Dient voor het beleggen van een ankertros of sleeplijn.  

Betonning. Een systeem van » boeien en » bakens, waarmee in open zee of in een vaarwater ondiepten of de aanwezigheid van gevaarlijke objecten worden aangegeven.  

Beug (v). (1) Alle in zee gebrachte vistuig. (2) Ook: hoekwant. Vistuig, bestaande uit een lijn van ruim 70 meter, waaraan op bepaalde afstanden korte dwarslijntjes (sneuen) zijn vastgemaakt, voorzien van vishaken. Zie ook afb. 22. (3) Op de voormalige Zuiderzee was de beug een soort schrobnet voor de ansjovisvangst.  

Beugbak (v). Platte bak waarin twintig beuglijnen bij het inhalen worden opgeschoten.  

Beugen. Met de » beug vissen.  

Beuger (v). Met » hoekwant op de Noordzee vissende » botter. (2) Schip voor de beugvisserij.  

Beuggrond. Ondiepe plaats in de Noordzee waar met de » beug werd gevist, met name de Grote en Kleine Vissersbank ten noorden van de Doggersbank.  

Beuglijn (v). » Beug.  

Beugsloep (v). Tamelijk groot vissersschip, gebruikt voor de hoekwantvisserij, later ook voor de trawlvisserij.  

Beugvisserij (v). Lijnenvisserij met baken en aas.  

Beun. (1) Roef waarbij het dek is doorgetrokken over het hele achterschip, bij hoogaars en hengst. (2) (v). Loopsteiger rond de Volendammer haven. (3) Uitsparing in de romp van emmerbaggermolens of zandzuigers, waarin de emmerlader of zuigbuis is opgehangen.  

Beurs. » Schippersbeurs.  

Beurtgast (m). Wachtsman op een sloep.  

Beurtvaart. Geregelde dienst van binnenvaartschepen tussen bepaalde plaatsen.  

Beurtschip. Binnenvaartschip dat wordt ingezet bij de » beurtvaart.  

Bevels (s). Schuine vlakken, meestal voor aan de zijkanten van het » onderwaterschip.  

Bevoorradingsschip. Ook: tender. Bevoorraadt onder andere » boor- en produktieplatforms en oorlogsschepen met materieel en proviand.  

Bevrachting. Charter. De overeenkomst waarbij de ene partij (de vervrachter) zich in ruil voor een bepaalde prijs jegens de andere partij (de bevrachter) verplicht een aangewezen schip geheel of gedeeltelijk beschikbaar te stellen voor het vervoeren van goederen en/of personen.  

Bewegering. » Wegering.  

Bewerkt hoofdspant. Constructietekening van het hoofdspant.  

Beyerlandse schouw. Ook: Beyerlandse schuit. » Schouw met recht vallend boeisel, die veel op het Haringvliet en de Oude Maas werd gebruikt voor de lijnvisserij en het vervoer van personen en riet.  

Bezaan. Ook: druil. Trapeziumvormig of driehoekig zeil aan de achterste - of » bezaansmast. Zie ook afb. 20 en 52.  

Bezaansgaffeltopzeil. Zie Gaffeltopzeil.  

Bezaansmast. Ook: druilmast. Achterste mast, wanneer dit niet de hoofdmast is. Op volschepen wordt de achterste mast vaak jagermast genoemd. Zie ook afb. 20 en 52.  

Bezaansstagzeil. » Aap.  

Bezaansschoot aan! Melding dat de matrozen zich naar het achterdek kunnen begeven om een borrel te komen drinken.  

Bezaanstutter. Boom om de » aap uit te houden.  

Bezaantuig. Ook: boeiertuig. Normale langsscheepse tuigage van veel ronde- en platbodemjachten. Gaffeltuig met giek. Gaffelzeil, stagfok, kluiffok en jager. Bij harde wind wordt de piek van de gaffel gestreken en de giek opgedirkt.  

Bezeild punt. Waar je heen kan varen zonder » overstag te hoeven gaan.  

Bezem in de mast. Het land dat de bezem in de mast voert, bezit de heerschappij op zee. Zie ook Navalisme.  

Bezemkapitein. Schepeling aan boord die met het opbergen van de bezems belast is.  

Bezorgen. Iets goed zeevast zetten, zodat het ook bij slecht weer niet los kan raken. `Bezorg jij de sloepen?'  

BHM. Stichting Behoud Historische Motorjachten. » Behoudsorganisatie die in 1992 is opgericht.  

Biesheuvelgroepen (v). Groepen vissers die in het leven werden geroepen nadat minister Braks over de visfraude struikelde. In deze groepen houden de vissers elkaar in de gaten, om » visfraude te voorkomen. De sociale controle is streng, want fraude van één lid kan terugslaan op de hele groep. Europees commissaris Emma Bonino was in september '95 zo vol lof over het Nederlandse systeem dat zij de andere lidstaten van de EU wil voorstellen het systeem over te nemen.  

Big Boy. Groot » voorzeil samen met de » spinnaker gebruikt op zeewedstrijdjachten, bij het voor de wind zeilen.  

Bijboeten (v). Verrichten van kleine herstelwerkzaamheden aan een net.  

Bijboot. Open vaartuigje dat op sleeptouw of aan boord meegenomen wordt en dient om een anker uit te brengen, als verbinding met de wal en dergelijke.  

Bij-de-wind-linie. Lijn die een hoek van zes kompasstreken (67°30') met de wind maakt.  

Bij-de-wind-zeiler. » Portugees oorlogsschip.  

Bijdraaien. Met gestopt schip met de wind op een zijde gaan liggen, waardoor met de andere zijde lij wordt gemaakt en bijvoorbeeld de » loods veilig aan boord kan komen.  

Bijlander. Platboomd vaartuig van 30-50 meter lengte, getuigd als een » snauw.  

Bijlbrief. (1) Verklaring van de scheepsbouwmeester dat een schip op zijn werf is gebouwd en opgeleverd (`schoon van de bijl'). (2) Koopbrief van een schip waarin de verkoper zich voor de koopprijs van het schip laat verpanden.  

Bijleggen. Schip met de kop recht in de wind leggen. De zeilen zodanig zetten dat het schip vrijwel geen voortgang meer maakt en langzaam » verlijert. Methode om een storm » af te rijden, om » averij te voorkomen. Onder klein grootzeil, (bakstaande) fok en de helmstok aan lij vastgezet, behoudt het schip een positie aan de wind. Er is nauwelijks voortgang, maar wel ruime » drift.  

Bijlegger. (1) Degene die bij de visserij met staande haring- en ansjovisnetten in de botter blijft, terwijl de anderen in de vlet het viswant bewerken. (2) Schip dat wegens gedurige tegenwind of slecht weer een » rede of haven opzoekt om betere weersomstandigheden af te wachten.  

Bijliggen. Een deel van de vracht van een ander schip overladen.  

Bijligger. (1) Schip dat een gedeelte van de vracht van een beurtschipper laadt. (2) De persoon die naast je in de kooi ligt.  

Bijltjes. Benaming voor scheepstimmerlieden te Amsterdam, die vaak Oranjegezind waren.  

Bijschaken. Ook: toeschaken. Helpen bij het strijken of vieren van een opgehesen last.  

Bijtstuk. Ook: mondstuk. Zie Tweede trap.  

Bijzaathout. Langsscheeps verbanddeel langs het » zaathout.  

Bijzakken. Doorzakken. `De gaffel is bijgezakt.'  

Bijzetten. Een zeil uitspannen om dienst te doen.  

Bijzeuntje (m). Bemanningslid dat onder meer was belast met het schoonmaken van het » kommaliewant; assistent en in de hiërarchie opvolger van het » bakszeuntje.  

Bikken en steken. Het verwijderen van roest op de scheepshuid door middel van een bikhamer en een steker.  

Bil (m). Achterdeel van het schip.  

Bilbord. » Ankervoering.  

Bilge. » Kim.  

Bilges. » Vulling.  

Billen. Het achterdeel van de romp van een schip, ongeveer ter hoogte van de waterspiegel.  

Billow (e). Zware golf, hoge zee.  

Bindrif. Reefinrichting. Om het zeil te verkleinen wordt het onderste deel ervan samengebonden.  

Bindsel. » Bendsel.  

Binnen (v). Het water ten zuiden van het Enkhuizerzand.  

Binnenballast. Doorgaans bestaande uit lood, ijzer, zand of water, meestal in de » kimmen geplaatst, dient om de stabiliteit te verbeteren en/ of om de diepgang groter te maken zodat schroef en roer beter functioneren. Zie ook Ballast en Loodbroodjes.  

Binnenboord. Langsscheepse balk tegen de binnenzijde van het boord, ter versteviging en als balkweger.  

Binnenborg. Touw aan het gaffeltuig.  

Binnen de wind. Nog verder dan voor de wind afgevallen zijn; dreigende » klapgijp.  

Binnendijk. Dijk die niet meer aan het water ligt.  

Binnengaats. (1) Binnen het betonde gedeelte van de zeegaten. (2) In de haven. (3) Thuis.  

Binnenkiel. Dubbeling ter versterking van de lassen van de kiel.  

Binnenkluiver. Tweede » kluiver. Zie ook afb. 20 en 52.  

Binnenlek. Het water op de Noordzee binnen het zicht van de kust. `Vissen in de binnenlek.'  

Binnenloods. Ook: rivierloods. » Loods op de binnenwateren, die het schip van de haven tot de monding van de rivier brengt, waarna zijn werk wordt overgenomen door de zeeloods. Vaak is de loods echter gelijktijdig rivier- en zeeloods.  

Binnenloodsen. Een schip uit volle zee op de rede of in de haven brengen of, wanneer de zeeloods wordt afgelost door de binnenloods, van de riviermonding in de haven.  

Binnenlopen. Een haven aandoen.  

Binnenschepenwet. Deze wet bevat bepalingen ter bevordering van de veiligheid van de vaart van schepen op binnenwateren en van goede omstandigheden aan boord van die schepen.  

Binnenschoot. (1) Binnenste schoot van een lijzeil. (2) Schoot van de » jager.  

Binnensleper. Sleepboot voor de binnenvaart.  

Binnenvaart. Het deel van de handelsvloot dat uitsluitend is uitgerust voor het bevaren van de » binnenwateren, dit in tegenstelling tot de zeevaart.  

Binnenvaartpolitiereglement. » BPR.  

Binnenval. » Klauweval.  

Binnenvertuining. Beplanking van de vertuining of verschansing aan de binnenzijde.  

Binnenvoorstag. » Want dat vrij ver naar voren staat, ongeveer halverwege het » hoofdwant en het » voorstag. Zie ook Bakstagen en Topwant.  

Binnenwateren. Alle rivieren, kanalen, meren, baaien, wadden en havens die niet direct deel uitmaken van de territoriale zee van een land.  

Binnenwegering. De hele binnenbeplanking van een schip.  

Binnenwinkelknie. Knie waarvan de beide armen een scherpe hoek maken.  

Binnenzee. Zee die (vrijwel) geheel door een land wordt ingesloten.  

Bint. Uitneembare dwarsscheepse balk waarop de » scheerbalk rust.  

Biogas. » Groene diesel.  

Bipod mast. Ongestaagde stalen mast met twee poten, die dwarsscheeps staan opgesteld en boven samenkomen. Daarboven is een korte horizontale dwarsbalk aangebracht, die men » zaling noemt. In het midden van de zaling staat een kleinere verticale mast, de zogenaamde » steng.  

Bireme. » Galei met twee rijen roeiers boven elkaar.  

Biskaje, Golf van - . Deel van de » Atlantische Oceaan, tussen de westkust van Frankrijk en de noordkust van Spanje. Berucht om de vele, zware stormen. De Spanjaarden noemen dit water Mar Cantábrico, de Fransen zeggen Golfe de Gascogne en wij spreken soms ook wel van de `Golf van Aquitanië'.  

Bismarck. Groot Duits slagschip met een waterverplaatsing van 52.600 ton, dat in 1939 te water werd gelaten. L.O.A. 251 meter, breedte 36 meter, diepgang 10,20 m. Op 24 mei 1941 bracht de Bismarck de Engelse slagkruiser Hood tot zinken. Na een zeeslag van vijf dagen, waaraan 19 grote Engelse oorlogsschepen deelnamen, zonk de Bismarck ten slotte op 27 mei 1941, om 10.36 uur.  

Bitstuk. » Loefhouder.  

Bitter. Slag om de » beting.  

Bittermeren. De twee Egyptische meren waardoor het » Suezkanaal loopt. Het Grote Bittermeer is 21 kilometer lang en 12 kilometer breed, het Kleine Bittermeer is 12 kilometer lang en 3 kilometer breed.  

Björke-boot. Scandinavische overnaads gebouwde boot van ± 100 n.C., L.O.A. meer dan 7,22 m. Werd gevonden in Zweden, bij Björke.  

BL (m). De officiële bemanningslijst.  

De Black Jack

Black Jack (e). » Zeeroversvlag.  

Blaasbalg. Ook: tent. Omhoog te zetten voordek.  

Blaaswier. Soort bruinwier met drijfblaasjes.  

Blackwall-fregat. Groot koopvaardijschip dat in het begin van de negentiende eeuw in Engeland werd ontwikkeld uit de bestaande marinefregatten, voor het vervoer van de grote stroom goederen en passagiers naar de Nieuwe Wereld.  

Black water (e). Diep, veilig water, zonder veel lucht. Zie ook White water.  

Blaffen. Het slaan van de boeg op de golven.  

Blakte. Situatie waarin er geen wind is, zodat het water spiegelglad is.  

Blank (s). Ook: schuimblank. Blok schuim waaruit een zeilplank wordt gevormd. Meestal van polyethyleen, soms van polystyreen. Het vormen noemt men shapen 

Blanke lak. Vernis of jachtvernis.  

Blauwe drenkeling. Zie Drenkeling.  

Blauwe Hand-kotter 1300 SL. Stalen multiknikspant, spitsgattype motorjacht met vier vaste slaapplaatsen. L.O.A. 13 m., breedte 4,35 m., diepgang 1,20 m.  

Blauwe laag. » Walshuid.  

Blauwe neus (m). `Een blauwe neus halen' = de poolcirkel passeren.  

Blauwe Wimpel. In Engeland en de Verenigde Staten een onderscheiding voor een schip, ongeacht de nationaliteit, dat in de kortste tijd de Atlantische Oceaan overstak. Werd voor het laatst in 1952 uitgereikt.  
  
  

Blazer

Blazer. Vissersschip, voornamelijk gebruikt in het noordelijk deel van de Zuiderzee en op Texel en Terschelling. Forser en zwaarder dan de » botter, met breed boeisel en vol achterschip. Voerde grootzeil, stagfok en kluiver.  

Bleik (v). Volendams voor » bliek.  

Bleke drenkeling. Zie Drenkeling.  

Bliek (v). Jonge haring.  

Blijf-weg sein. Bestaat uit een geluids- en een lichtsein. Het geluidssein bestaat uit het gedurende 15 achtereenvolgende minuten voortdurende herhalen van een » korte stoot, gevolgd door een » lange stoot. Gelijktijdig met het geluidssein moet een geel licht worden getoond met eveneens een korte en een lange periode. Het blijf-weg sein moet onder andere worden gegeven bij een gebeurtenis of ongeval waardoor een vervoerde gevaarlijke stof vrij zou kunnen komen.  

Blikje. Zo werden de leerlingen van de zeevaartschool in Vlissingen vroeger wel genoemd.  

Blind anker. Uitgeworpen » anker waar geen ankerboei aan is bevestigd, zodat je niet precies weet waar hij ligt.  

Blind drop (e) (k). Stroomversnelling waarvan het einde vanaf het begin niet te zien is.  

Blinde. » Blindezeil.  

Blinde klip. Zich onder water bevindende, dus onzichtbare klip.  

Blindeman (m). Helper van de roerganger.  

Blinde passagier. » Verstekeling.  

Blinde ra. Kleine spier die aan één eind voorzien is van een zwanehals, terwijl aan het andere eind twee ijzeren lippen zijn aangebracht. Dient om de gei van de kluiverboom te spreiden.  

Blindezeil. Zeil vastgemaakt aan een ra onder de boegspriet. Wordt het eerst vermeld door Columbus. Noodzakelijk om schepen met een hoge achteropbouw op ruimere koersen te kunnen sturen.  

Blindslaan. Ook: backlash. Doet de schroef als er niet genoeg water naar de schroef toevloeit of een groot deel van de schroef zich boven water bevindt. Er ontstaat dan een tegenstroom.  

Blindvaren. Het varen zonder kompas, radar en andere technische of elektronische hulpmiddelen.  

Blip. Echo op de » radar. `Ik krijg telkens een blipje.'  

Blister. Soort » halfwinder.  

Blizzard. Plotseling opkomende hevige sneeuwstorm, die gepaard gaat met felle kou. Komt regelmatig voor in Canada en het noordwesten van de Verenigde Staten.  

Bloedraad (v). Weinig flatterende bijnaam van de commissie uit de visserijvereniging die toezicht moest houden op de aanvoer van garnalen. Genoemd naar Alva's Raad van Beroerten.  

Twee blokken, samen een talie vormend

Blok. Katrol om schoten e.d. door te scheren. Vroeger bestond bij grote tjalken de gewoonte om het blok waarmee de buitenkluiver of jager werd gehesen te vergulden, als bewijs dat het schip `vrij en onbezwaard' eigendom was van de schipper. Zie ook talie.  

Blokkade. Afsluiting van een haven, doorvaart of kust met oorlogsschepen.  

Blokkadebreker. Schip dat door de linie der blokkerende schepen weet heen te breken.  

Blokkanaal. Marifoonkanaal van het blokgebied waarin men zich bevindt en waarvoor een uitluisterplicht geldt. Het blokkanaal staat vermeld in de vaarkaarten, onder `M' (plus het betreffende kanaal), en op de borden langs de oever, bijvoorbeeld `VHF 19'.  

Blokkenmaker. Katrolmaker.  

Blokwerk. Alle blokken van het schip.  

Blooper. Fat Boy, » voorzeil dat samen met een » spinnaker gevoerd kan worden.  

Blue Peter (e). De blauwe seinvlag P, die in de voormast wordt gehesen als het schip klaar ligt voor vertrek.  

Blue Ribbon. » Blauwe Wimpel.  

Blusboot. Boot waarmee de brandweer branden en milieurampen op en bij het water bestrijdt. Zie ook Jan van der Heyde III.  

BM. Zeilboot uit de Bergumermeerklasse. Heeft ongeveer dezelfde afmetingen als de » Schakel. L.O.A. 4,75 m., zeiloppervlak 11,80 m².  

BMS. Bond van Makelaars in Schepen. Zie ook HISWA en VSN.  

Board (s). Surfplank.  

Boatboys (e). Jongens die je in het Caribisch gebied met bootjes tegemoet komen, om je iets te verkopen of (tegen een vergoeding) je anker uit te brengen.  

Boat handing (e). Elektronische-navigatieterm. Berekening van verlies van snelheid en tijd door overstag gaan en andere werkzaamheden aan boord.  

Boatrace (e). Zie Head of the River.  

Boatsje. Soort » tjotter. Fries bootje met een plat vlak, ongeveer 3.80 tot 5.00 meter lang, dat veel door fouragehandelaren en kruideniers werd gebruikt. Ook gebruikt als vissersscheepje op de Friese meren. In dat geval is achterin een bun geplaatst.  

Bobstay (e). » Waterstag.  

BOC Challenge. Zeilwedstrijd om de wereld voor solozeilers, waarbij etappeplaatsen worden aangedaan. De race, die is bedacht door de Amerikaanse zeezeiler David White, wordt gesponsord door de British Oxygen Corporation. Zie ook Sponsor Wanted.  

Bochtaak. Vlet waarop de gierkabel van een veerpont rust.  

Bodem (m). Schip; oorlogsbodem.  

Bodemerij. Belening van schip of lading. Het geld wordt gebruikt om tijdens de reis opgelopen » averij te herstellen.  

Bodemtrawlvisserij (v). Zie Trawl en Trawler.  

Bodemzuiger. Zie Baggerwerktuig.  

Bodenbroodswinner. Ook: torenkijker. Werknemer die in eerste instantie de reder en vervolgens de familie der opvarenden op de hoogte stelde dat een bepaald schip in aantocht was. Hij verrichtte zijn werk vanuit een toren en was doorgaans in dienst van een genootschap, zoals de Vereeniging ter Bevordering van Visscherij, Handel en Nijverheid te Vlaardingen.  

Body dip (s). Een freestyle figuur waarbij de romp van de zeiler het water raakt.  

Boeg. (1) Voorschip. Het voorste deel van de romp, ongeveer 1/3 à 1/4 van de lengte. (2) Bakboord- of stuurboordzijde. `Over welke boeg?'  

Boeganker. Anker dat vóór op het schip ligt, in tegenstelling tot hekanker.  

Boegbeeld. Beeld dat ter versiering aan de boeg is aangebracht.  

Boegbok. Dekschuit voor het opleggen van de » boegdraad.  

Boegdraad. Kabel waaraan een baggermolen zich voorttrekt.  

Boeghand (s). » Masthand.  

Boeghout. Voorste berghout van een hengst.  

Boegjet. Pomp die met grote kracht water wegperst uit een kleine monding in de boeg, aan bak- of stuurboord. Door middel van deze dwarskracht kan men beter manoeuvreren. Zie ook Dwarsschroef.  

Boegklamp. Verhaalklamp op het boeisel dicht bij de voorsteven.  

Boegkluis. » Ankerkluis.  

Boeglastig. Ook: koplastig. De boot steekt van voren te diep in het water.  

Boeglul. De voorste man in een sloep, die de haak moet hanteren.  

Boegroer. Extra roer, bevestigd aan de voorsteven, dat het manoeuvreren vergemakkelijkt. Komt onder andere voor bij Kanaalschepen en veerboten.  

Boegrol. Een rol aan de voorsteven waar de ankerketting of ankertros overheen loopt.  

Boegschroef. » Dwarsschroef.  

Boegseren. Al roeiend een boot slepen of opduwen.  

Boegspriet. Vast » rondhout dat voor de voorsteven van de boot uitsteekt en waarop de » fok en/of de » kluivers vastzitten.) Zie afb. 5.  
  
  

Afb. 5. Boegspriet met kluiverboom en Spaanse ruiter

Boegstag. Stag dat de boegspriet aan de zijkant steunt.  

Boegstopper. Stopper voor de ankerketting.  

Boegstuk (m). Ook: jager. Kanon bij de boeg.  
  
  

`Boei' of `ton'

Boei. (1) Ton. Een verankerd drijvend voorwerp met of zonder verlichting, vervaardigd van staal, hout of kunststof, dat dient voor het aangeven van vaarwegen, gevaren onder water, bijzondere punten van een wedstrijdbaan, of de positie van een uitstaand anker. (2) (v) Tros kurken.  

Boeier. Klein type rondebodemjacht, dat vijfhonderd jaar geleden al voorkwam in de annalen van de Nederlandse maritieme geschiedenis. De oorspronkelijke boeier was een overnaads gebouwde koopvaarder, die een vierkant marszeil boven het sprietzeil voerde en een latijnzeil als bezaan. Tegenwoordig ook kielboot die boeiergetuigd is. L.O.A. 8 tot 18 meter. Zeiloppervlak vanaf 55 m².  

Boeieraak. Zie Aak.  

Boeiertuig. Op ronde- en platbodemjachten zien we als tweede » voorzeil ook de » kluiver. Achter de mast kan dan soms naast het grootzeil de » aap of broodwinner gevoerd worden.  

Boeilijn (v). Lijn met een aantal kurken, die het midden van een » sleepbeug vormt.  

Boeireep. Lijn waarmee de ankerboei aan het kruis van het anker is bevestigd om het anker gemakkelijk te kunnen uitbreken. Zie ook Neuringlijn (2) en afb. 6.  

Afb. 6. Boeireep met ankerboei

Boeiring. Ring aan een » meerboei, waaraan een » landvast kan worden bevestigd.  

Boeisel. Scheepswand boven het » berghout van ronde- en platbodemjachten.  

Boeiselrand. » Zeddelboord.  

Boekaniers. Ook: flibustiers. Zeerovers die in de 17e en 18e eeuw de kusten van Zuid-Amerika en West-Indië onveilig maakten. Het woord is afkomstig van het Franse boucaner, hetgeen betekent `vlees bereiden op een boucan', een soort barbecue. De belangrijkste `nesten' van de boekaniers waren Tortuga en Port Royal, op Jamaica.  

Boekwerken, Verplichte -. De kapitein van een beroepsvaartuig is verplicht zorg te dragen dat aan boord aanwezig zijn: de Schepenwet; het Schepenbesluit 1965; de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie uitgegeven bekendmakingen aan de scheepvaart. Onder bepaalde omstandigheden is hij ook verplicht het Handboek Gevaarlijke Stoffen, de Voorschriften voor het veilig vervoer van gestorte ladingen en andere handboeken aan boord te hebben.  

Boelijn. Lijn die dient om het loefwaartse staande lijk van een vierkant zeil naar voren te trekken, waardoor het zeil aan de wind varend een betere stand krijgt dan met brassen alleen zou worden bereikt.  

Boerenknoop. Ook: oud wijf. Verkeerd gelegde platte knoop.  

Boerennacht. (1) Als men de tijdens de vaart de hele nacht kan slapen. (2) Nacht dat het schip aan de wal ligt.  

Boerennachtsgast. Iemand die geen nachtwacht heeft.  

Boerenschouw. » Schouw van zes tot zeven meter lang, zonder voor- en achterbord. De bodem bestaat uit twee of drie lange, gebogen planken. De boorden worden door één enkele plank gevormd. Kwam het meest voor in de Krimpener- en Alblasserwaard.  

Boer met zijn varkens. School dolfijnen of bruinvissen.  

Boeten (v). Het repareren van visnetten.  

Boetlade (v). Opbergkistje voor brei- en boetgereedschap.  

Boezee (v). Jas.  

Boezem. (1) Het stelsel van afgesloten wateren ter voorlopige berging van overtollig water uit een polder. (2) (v) Het middelste deel van een » zegen. (3) Vaak een van de oorzaken van » Kanaalkoorts.  

Boffer (v). Pannekoek. (Groot poffertje?)  

Bok. (1) Een solide raamwerk van hout of staal, dat dient om een romp op het droge te ondersteunen. (2) Hollands binnenscheepje met » onbewegerd ruim, vaak gebruikt als turfschip. Voerde » bezaantuig, met een stagfok op de voorsteven. De bok is verwant aan de » snik en de » westlander.  

Bokkemand (v). Mand waarin garnalen worden gelost.  

Bokkepoot. (1) Soort ronde teerkwast met een steel die aan het eind is omgebogen. (2) Soort platte radiateurkwast, waarbij de eigenlijke kwast horizontaal is geplaatst. Zie ook Kuttelikker.  

Bokkepoten. Twee » spieren, als juk in V-vorm tegen het ondereind van het » voorstag geplaatst om de hoek tussen » voorstag en mast bij het » strijken even groot te houden. Een enkele steun noemt men » sprenkel.  

Bokkumhang (v). Haringrokerij.  

Boktalie. Strijktalie. Lijn (door » blokken) waarmee de » bokkepoten en het » voorstag vanaf het dek gevierd kunnen worden. Zie ook afb. 7.  

Afb. 7. Strijken van de mast met een boktalie.

Bolbaken (n). Baken op een hoge paal, doorgaans een cilinder van rood-wit-blauw geverfd mandewerk of een ruit gevormd door twee kegels, ter aanduiding van een vaargeul.  

Bolder. (1) Twee verticale of schuine stalen kokers op een grondplaat, bevestigd op het achterdek en op de bak, waarop de meertrossen worden belegd. (2) Houten, betonnen of ijzeren paal om een » landvast aan vast te maken.  

Bolk (v). Kleine kabeljauw.  

Bolkoppenrace. Wedstrijd voor traditionele schepen met een bolle kop of een kop die afgeleid is van de kromme steven, alsmede voor schouwen. De deelnemers strijden om de Holland-Friesland bokaal.  

Bollebuis. Scheepsbeschuit.  

Bollejan. Zeer groot, bol gesneden » voorzeil van licht doek dat het grootzeil ver overlapt. Het kan op alle koersen worden gevoerd, behalve hoog aan de wind.  

Bollestal. Friese benaming van stuurkuip op kleinere binnenschepen.  

Bolletjesbeurt. Beurt voor vrije dagen.  

Bolling. De mate van de bolling (curve) in het zeil, afhankelijk van de trim van het zeil.  

Bolschip. Verzamelnaam, (meestal) voor Groninger schepen. De boltjalk heeft een gematigde zeeg en smal berghout, en is een snelle zeiler.  

Bom. Geheel gedekt breed en hoekig platbodemd visserschip met één mast en soms een klein achtermastje, beide » langsscheeps getuigd. Voerde grootzeil, gaffeltopzeil, bezaan, stagfok en kluiver. De typische bouw maakte het mogelijk de bom bij hoog water op het strand te zetten. Werd gebouwd op een breed vlak, voor- en achtersteven waren recht, met gebogen voet. De romp was overnaads beplankt en in dwarsdoorsnede U-vormig. Het schip was uitgerust met brede zijzwaarden. In de 18e eeuw ontwikkeld uit de » pink. Werd soms ook gebruikt voor de koopvaardij en had als ligplaats het strand. De laatste bom was tot 1918 in de vaart.  

Bombarde. » Bombardeerschip.  

Bombardeerschip. Ook: bombarde. Breed schip met versterkte, zware dekbalken, waarbij de voormast plaats heeft moeten maken voor zwaar mortiergeschut. De mortieren die zij afschoten wogen zo'n 200 pond en de terugstoot was enorm. Werd meestal gebruikt ter verdediging van havenmonden.  

Bomen. Het voortbewegen van een boot met een » vaarboom, doorgaans tegen de stroom in.  

Bommeswinder (v). Ook: bommeleswinder. Verbastering van » bodenbroodswinner.  

Bonaventura. Extra bezaan van een » Venetiaanse kraak en andere Portugese schepen uit het eind van de vijftiende eeuw, op het uiteinde van het achterschip geplaatst.  

Bonaventuramast. Mast die geplaatst is tegen de achterreling van een » Venetiaanse kraak en andere Portugese schepen uit het eind van de vijftiende eeuw, dus nog achter de bezaansmast.  

Bonaventura-uitlegger. Rondhout, horizontaal langsscheeps geplaatst boven het roer van een » Venetiaanse kraak en andere Portugese schepen uit het eind van de vijftiende eeuw.  

Bonbrood winnen. Zie Bodenbroodswinner. Tijding brengen dat een schip uit zee in aantocht is.  

Bonbroodwinner. Verbastering van » bodenbroodswinner.  

Bonnet. Extra stuk zeil dat bij weinig wind aan het gewone zeil vastgezet kan worden.  

Bonnetzeilen. » Lijzeilen.  

Bons. Soort » schokker. Platbodem waarmee vooral op ansjovis en haring werd gevist. De bons had een sterk hellende voorstevenbalk met klamp en rol voor de ankertros.  

Boog. (1) (v) Ruimte voorin de boeg. (2) » Limbus. Zie ook afb. 41.  

Boom. Rondhout. Zie onder andere Giek en Vaarboom. Zie ook afb. 31 en 55.  

Boombakstag. Touw waarmee op grotere vaartuigen de bezaansboom onder controle gehouden wordt.  

Boomdirk. Touw dat de nok van de bezaansboom draagt en waarmee men die nok iets oplicht alvorens de bezaan uit te halen.  

Boomfok. » Fok die van onderen aan een rondhout bevestigd is.  

Boomijzer. » Scepter (2).  

Boomkor (v). Kornet van vier tot twaalf meter breed, dat door een boom wordt opengehouden en is voorzien van over de bodem schrapende kettingen. De bodem wordt hierbij tot een diepte van enkele centimeters omgewoeld. Wordt voornamelijk gebruikt voor de vangst van tong en schol.  

Boomkorvisserij. Vorm van bodemtrawlvisserij voor » kotters, waarbij twee aan beide zijden uitstaande gieken worden gebruikt. Aan elke giek hangt een bodemtrawlnet, die op de bodem door een `boom' wordt opengehouden.  

Boomtrawl (v). Zie Trawl.  

Boomvang (e). Amerikaanse benaming van » wipschoot.  

Boord. De omtreklijn van het dek.  

Boorders. Dieren die het hout van schepen aantasten. Zie Boordpissebed, Paalworm, Houtluis en Doodsklopper. Kunnen doorgaans goed bestreden worden met teervernis, mits men er tijdig bij is.  

Boordlichten. Ook boordlantaarn. Het navigatielicht dat een vaartuig, langer dan 6 meter, tijdens de vaart bij duisternis aan bakboordzijde en stuurboordzijde moet voeren. Het » bakboordlicht is rood, het » stuurboordlicht groen. Op vaartuigen korter dan 20 meter mogen de boordlichten worden gecombineerd in één lantaarn. De boordlichten zijn elk zichtbaar over een boog van de horizon van 112°30' (van recht vooruit tot 22,5° achterlijker dan dwars). Zij moeten op gelijke hoogte in één lijn zijn geplaatst, loodrecht op de lengteas van het schip. Zie ook Heklicht, Navigatielichten en Toplicht.  

Boordlijn. » Deklijn.  

Boordpeiling. De hoek tussen de richting waarin men vaart en de richting waarin een object wordt waargenomen. Wordt uitgedrukt in graden aan stuur- of bakboord.  

Boordpissebed (Limnoria lignorum). Een schaaldier van ongeveer 3 mm. lengte dat in het hout van schepen gangen maakt met een diameter van 2,5 mm. Kan ernstige schade veroorzaken aan de beplanking. Zie ook Boorders.  

Boor- en produktieplatform. Kunstmatig booreiland in zee, gebruikt om de olie- en gaslagen onder de zeebodem te exploreren en exploiteren. Er zijn vaste en drijvende booreilanden. Alleen al in het Nederlandse deel van het Continentaal Plat staan meer dan honderd van deze platforms. Wanneer de platforms overbodig zijn geworden, zijn grote oliemaatschappijen als Shell en Esso geneigd ze in de Atlantische Oceaan te dumpen. Zij doen dit overigens met volledige toestemming van de Britse regering. Dat is slecht, want er blijven veel olieresten en zware metalen in de tanks achter, die uiteindelijk weer in het milieu terechtkomen. Zie ook afb. 8, Plankton, Fytoplankton en Zoöplankton.  
  
  

Afb. 8. Boor- en productieplatform
  
  

Boordroeien. Het roeien met één riem per roeier, in tweeën, vieren (al dan niet met stuurman) en achten.  

Boorncruiser 365. Tweepersoons stalen knikspant motorkruiser. L.O.A. 11,60 m., breedte 3,65 m., diepgang 1 m.  

Booster (e). Groot voorzeil dat op een toerspinnaker lijkt, maar in werkelijkheid uit twee lichte zeilen bestaat, die op elkaar liggen. Bij weinig wind en op een ruime koers worden de zeilen van elkaar af gehaald, zodat zij zowel over bakboord als stuurboord staan, als passaatfokken.  

Boos weer. Slecht weer.  

Boot. (1) Klein open vaartuig met doften, door riemen, zeilen of motor voortbewogen. (2) Klein zeewaardig vaartuig met een of twee masten. (3) Verkorting van stoomboot, reddingsboot, sleepboot, veerboot enzovoort.  

Boot of schip? De eigenaar van een zeilboot, ongeacht de grootte, heeft het over `mijn boot'. De reder van een zeeschip spreekt van `mijn schip'. Op een zeilboot is wel sprake van voorschip, achterschip, scheepsromp enzovoort, terwijl je op een schip wel een bootsman tegenkomt, maar op een boot weer niet. Troost u, zelfs de experts zijn niet echt consequent in het `juiste' gebruik van `boot' en `schip'. Doorgaans spreekt men boven de 20 meter lengte van een schip en daaronder van een boot, maar bij `stoomboot' gaat dat alweer niet op. En menige trotse eigenaar van een kajuitjachtje van negen meter of korter spreekt van een `lief schip' als hij het over zijn boot heeft.  

Boothuis. Ook: botenhuis. Overdekte steiger in de vorm van een schuur, voor de berging van kleine pleziervaartuigen.  

Bootjesreis (m). Oefenreis voor adelborsten.  

Bootlengte (w). Lengte van een boot, met name bij roei- en zeilwedstrijden. `Hij bleef hen een bootlengte voor.'  
. 
Bootliedenwacht. Organisatie die zich bezighoudt met nautische dienstverlening in de haven op het gebied van 
vast- en losmaken van zeeschepen en het vervoer van personen en alle voorkomende werkzaamheden t.b.v. de scheepvaart. 
. 
Bootman. Niet te verwarren met » bootsman. Werknemer in dienst van » bootliedenwacht. 
. 
Bootschoenen. Schoenen met een goede antislipzool, die goed bestand zijn tegen zoet en zout water.  

Bootsgezel. Varensgezel, matroos.  

Bootshaak, pikhaak. Haak vastgemaakt om een lange paal om een boot af te houden, een meerboei op te pikken enz.  

Bootsklampen. Steunen waarop de sloepen zeevast worden gesjord. De buitenste bootsklampen zijn neerklapbaar, zodat de sloepen naar buiten kunnen worden gezwaaid zonder eerst te worden gehesen. Zie ook Bootskrabbers en Stoelen.  

Bootskrabbers. Stalen klauwen die om het dolboord van de sloep grijpen en door middel van spanschroeven aan dek zijn bevestigd. Zij dienen om de sloepen in de » bootsklampen zeevast te sjorren.  

Bootsmaat (m). Vroegere rang tussen kwartiermeester en bootsman.  

Bootsman. (1) (m) Deks-onderofficier met de rang van sergeant, belast met het toezicht op het onderhoud van het schip en de behandeling en het onderhoud van ankers, trossen, kabels, sloepen, lopend want, staand want enzovoort. (2) Op koopvaardijschepen de hoogste onderofficier aan boord en als zodanig hoofd van het dekpersoneel.  

Bootsmannen. » Roeiers.  

Bootsmanskist. De zee.  

Bootsmansmaat. (1) Onderbootsman. (2) Schepeling belast met de zorg van het tuig van de grote mast, boven de mars.  

Bootsmansstoeltje. Een harnas of een korte plank, bevestigd aan een » spruit, waarin iemand langs de mast kan worden opgehesen om de tuigage te repareren of te » trimmen. Met een » talie met twee dubbele blokken kun je jezelf ook ophijsen: het bovenste blok zo hoog mogelijk ophijsen aan het » zeilval en vastzetten. De talie moet ongeveer even lang zijn als de mast, dus heb je vijf keer de mastlengte aan touw nodig. Het bootsmansstoeltje wordt ook wel gebruikt bij werkzaamheden buitenboord.  

Bootsurfen (s). Waterskiën met een zeilplank.  

Boottop (e). Speciale verf voor dekken en gangen die veel aan water en wind blootstaan.  

Bootvluchteling. Iemand die per boot zijn land ontvlucht, vaak in een krakkemikkig vaartuig, in de hoop buiten de territoriale wateren te worden opgepikt door schepen van een andere nationaliteit en politiek asiel te verkrijgen. Zie ook Vlot.  

Bootwerker. Havenarbeider.  

Bora. Koude valwind uit het noordoosten, met windstoten tot »0 meter per seconde. Komt 's winters aan de oostkust van de Adriatische Zee voor.  

Bordes. Ook: balkon. Loopbrug langs de scheepsmotor(en).  

Bore. Ook: mascaret (f) of pororoca (sp). Grote getijgolf. Hoge, steile muur van water, die bij springvloed de rivier binnenloopt. Komt veel voor in Aziatische wateren, maar ook in de monding van de Trent (Groot-Brittannië), waar de bore `Eagre' wordt genoemd, en in de monding van de Amazone. Het effect kan verminderen of verdwijnen door verbeteringswerken aan de rivier.  

Boreas. (1) (m) De koning van de Poolzee, die bij het passeren van de poolcirkel aan boord komt en de jongste officier en de jongste matroos opdracht geeft de panamakluis blauw te schilderen. Beide heren dienen daarbij gekleed te zijn in het tropenuniform. (2) Noordenwind.  

Borgketting. Ketting dienende om het loswerken, uitschieten of verschuiven te beletten.  

Borgsloep. Waarloze sloep.  

Borgstag. Zwaar extra hoofdtouw om de mast te steunen bij het overnemen van zware lasten.  

Borgstrop. (1) Eind touw of ketting, dienende om het verliezen of loswerken te beletten. (2) Eind touw of ketting, dat moet voorkomen dat het roer uit de haken gelicht wordt.  

Borgtakel. Loze takel die bij het ophijsen van een zwaar voorwerp daaraan wordt vastgemaakt om het voorwerp op vangen wanneer de hijstouwen breken.  

Bosporus. Dertig kilometer lange zeestraat tussen Europees en Aziatisch Turkije, die de Zwarte Zee met de Zee van Marmara verbindt.  

Boston Whaler 24' Outrage. Trailerbare knikspant polyester motorboot. L.O.A. 7,30 m., breedte 2,60 m., diepgang 0,40 m.  

Botenbaas. Hij die leiding geeft aan en toezicht houdt op havenarbeiders bij het laden en lossen van zeeschepen. 
. 
Botenboulevard. Plaats waar grote hoeveelheden boten te koop worden aangeboden door »  jachtmakelaars 
. 
Boter (v). Iemand die met een bootje hand- en spandiensten voor vissers verricht. Nee, een hele verzameling boters noemt men geen `botervloot'.  

Boterland. Wolk of nevelbank aan de » kim, gelijkend op een kust.  

Botkloppen (v). Met botnetten onder het ijs vissen en de vis opschrikken door met een » klopmouw op het ijs te bonken.  

Botkoper (v). » Koopschuit.  

Botlek. Vroeger een waterloop tussen de Oude en Nieuwe Maas en de Brielse Maas, tegenwoordig een gigantisch haven- en industriecomplex tussen Rotterdam en de Europoort.  

Botnische Golf. Noordelijke arm van de » Oostzee, begrensd door Finland, Zweden en de Åland Eilanden. De Botnische Golf is het grootste deel van de winter bevroren.  

Bottelier (m). Functionaris belast met het aankopen, beheren en uitreiken van » victualiën. Veelzijdig vakman, die bijvoorbeeld met het grootste gemak een koe uitbeende of in Port Said de wal op ging om levensmiddelen in te kopen. Van deze naam is het Engelse woord butler afkomstig.  

Botteloef. Loefijzer. Vaste ijzeren » boegspriet. Zie afb. 35.  

Afb. 9. Botter

Botter. Echt Zuiderzeeschip, dat vroeger met name ten zuiden van de lijn Enkhuizen-Harderwijk te bewonderen was. Heeft een plat vlak en uitvallende zijden, die boven het » berghout weer naar binnen vallen. Er is nog een heel verschil tussen de verschillende typen botters. De grote Volendamse kwakken zien er bijvoorbeeld heel anders uit dan de bottertjes van de » Zuidwal. En dan waren er nog de Oostwalbotters, uit de buurt van Kampen, met een lengte van zo'n 12,50 meter, waarvan de gemeente Kampen aan het begin van de jaren zestig meer dan vijftien tot zinken bracht, omdat ze plaats moesten maken voor woonschepen. Een halsmisdrijf. Zie ook afb. 9.  

Botterfok. Soort genua. Zware, brede fok van een botter, die tot ver achter de mast reikt.  

Botterfokblok. Ook: schaapskop. » Blok waarbij de beide haken in een dwarsstaande kous of oog aan de tophoek van de grote botterfok aangrijpen.  

Bottertje (v). Klein mandje.  

Bottertuig. Tuig van grootzeil, botterfok en kluiffok op losse kluiverboom.  

Bottoeken (v). Met » hoekwant op bot vissen.  

Bottom (e) (s). » Onderwaterschip.  
  
  

Bounty

Bounty. Schip onder gezag van kapitein-ter-zee William Bligh, die als luitenant-ter-zee naast kapitein Cook stond, toen die op 14 februari 1779 op Hawaii werd gedood. Een deel van de bemanning van de Bounty sloeg in april 1789 op Tahiti aan het muiten, onder aanvoering van de scheepsjongen Fletcher Christian. Bligh en achttien andere opvarenden werden aan hun lot overgelaten in een kleine sloep en wisten na 3600 mijl Timor te bereiken, op 12 juni 1789. Uiteindelijk schopte Bligh het tot admiraal en gouverneur van New South-Wales. Het is maar zeer de vraag of hij zo'n bastard is geweest als hij (onder andere door Charles Laughton) werd geportretteerd.  

Boutziek. Zegt men van een schip waarvan de bouten door roest half verteerd zijn en speling hebben.  

Bovenarm. Tak van een scheepsknie.  

Bovenbezaan. Zeil boven de onderbezaan, onder het » gaffeltopzeil (bij een viermastbark). Zie ook Bezaan.  

Bovenblinde. Zeiltje dat op VOC-schepen waarschijnlijk nodig was om te grote loefgierigheid bij het voeren van bramzeilen tegen te gaan. Zie ook Blindezeil.  

Bovenbramra. Zie Bramra.  

Bovenbramsteng. Zie Steng.  

Bovenbramzeil. Zie Bramzeil. Zie ook afb. 52.  

Bovendek. (1) Opperdek. (2) Op driedekkers het dek tussen het opperdek en het kuildek in.  

Boven de wind. In de richting waar de wind vandaan komt.  

Bovengang. Op kleinere binnenschepen de gang tussen de » kimgang en het » berghout.  

Bovengeitouw. Geitouw van de gaffelzeilen of van de stormbezaan.  

Bovengrietje. Zie Bramzeil.  

Bovengrietjestagzeil. Zie Stagzeil.  

Bovenkajuit. Kajuit op het opperdek of het halfdek.  

Bovenkruiszeil. Zie Marszeil.  

Bovenlijzeil. Zeil aan de marszeilra's dat buiten de marszeilen uitstaat.  

Bovenmaats zeeschip. Volgens het » Scheepvaartreglement Westerschelde een schip dat vanwege zijn diepgang slechts de diepste plaats van een vaargeul kan bevaren en waarvan de mogelijkheid tot varen meestal gebonden is aan een bepaalde periode waarin de hoogste waterstand valt, dan wel een schip dat dermate lang is dat het slechts met bijzondere omzichtigheid door de bochten in de vaargeul kan varen.  

Bovenmarsera. Zie Marsra.  

Bovenra. Rondhout langs het bovenlijk van een logger-, emmer- of razeil.  

Bovenreep (v). » Reep langs de bovenkant van de opening van een » kuilnet.  

Bovenrivier. Deel van een rivier waarin eb en vloed niet meer waar te nemen zijn.  

Bovenrol (m). Naamlijst van de personen aan boord van een oorlogsschip die niet tot de vaste sterkte van de bemanning behoren. Zie ook BL.  

Bovenrolsgast (m). Schepeling wiens naam op de » bovenrol voorkomt.  

Bovenstok (v). Bovenste stok waarmee de » breefok uitgezet wordt.  

Bovenstroomse koers. De koers die een schip moet voorliggen om de afwijking door de stroom te corrigeren, zodat het de plaats van bestemming volgens een rechte lijn over de grond kan bereiken.  

Boventuig. Het gehele tuig van een schip boven de ondermasten, met inbegrip van de zeilen.  

Bovenvlieger. Zie Stagzeil.  

Bovenwant. Zie Staand want.  

Bovenwaterschip. Het gedeelte van de boot dat zich boven water bevindt.  

Bovenwatervloot (m). Vloot van oppervlakteschepen.  

Bovenwinds punt. Om daar te komen moet je meermalen » overstag gaan.  

Bovenzijd (v). Eén van de twee zijden waaruit een » kuilnet samengesteld wordt.  

Bovo. Siciliaanse kustvaarder, kleiner dan de » Velocera, met één langsscheeps getuigde mast en een bezaansmast met gaffelzeil.  

Bow (e). Boeg, voorschip.  

Bowbelle. » Thames barge die op 20 augustus 1989 het Britse cruiseschip Marchioness ramde, midden in Londen, op de Theems. 56 opvarenden kwamen daarbij om het leven.  

Bow-heavy (e). » Boeglastig, koplastig.  

Bowman 44. Polyester rondspant zeiljacht. L.O.A. 13,09 m., breedte 3,96 m., zeiloppervlak 81,09 m².  

Bowman 45. Polyester rondspant zeiljacht met vier tot acht vaste slaapplaatsen. L.O.A. 13,78 m., breedte 3,96 m., zeiloppervlak 83,49 m².  

Box (e). (1) Ligplaats in een jachthaven, doorgaans gevormd door een of meer dwarssteigers of twee meerpalen haaks op de steiger. (2) Serie golven die groter dan normaal zijn.  

BOZ (m). Bevoorrading-op-zee.  

BPR. Binnenvaartpolitiereglement. Reglement ter voorkoming van aanvaring op de openbare wateren in Nederland, met uitzondering van de wateren die zijn in omschreven in Rijnvaartpolitiereglement (» RPR), » Scheepvaartreglement Westerschelde, » Scheepvaartreglement Eemsmonding, Zeeaanvaringsreglement (» ZAR) en » Reglement Kanaal van Gent naar Terneuzen.  

Bra (v). Deel van de visvangst dat de bemanning gedurende de reis voor eigen gebruik mag nemen en dat rauw of gebraden gegeten wordt.  

Braadspil. Ook: ankerspil. Horizontale, veelhoekige balk op het voordek, die met behulp van handspaken wordt rondgedraaid, om het anker te hieuwen.  

Brak water. Zoet rivierwater vermengd met zeewater.  

Bramra. Onderste » ra aan een » steng, wanneer er sprake is van een enkel » bramzeil. Zijn er meerdere bramzeilen, dan spreken we van onderbramra, middenbramra en bovenbramra.  

Bramstaglopers. Kapucijners.  

Bramsteng. Zie Steng.  

Bramzeil. Zeil boven het » marszeil. Zie afb. 52. Er zijn onderbramzeilen, middenbramzeilen en bovenbramzeilen. Elke mast heeft bovendien zijn eigen bram- en marszeilen, die allen een eigen naam hebben. Het onderbramzeil van de fokkemast heet bijvoorbeeld vooronderbramzeil, dat van de grote mast heet grootonderbramzeil en dat van de bezaansmast of de kruismast heet ondergrietje. Wanneer er per mast slechts twee bramzeilen worden gevoerd wordt het onderste `bramzeil' en het bovenste `bovenbramzeil' genoemd. Op VOC-schepen zorgden de bramzeilen voor extra stuwkracht, die echter alleen in de gebieden van de passaatwinden kon worden benut.  

Bramzeilsbak. Bak of tafel waaraan de bramzeilsgasten geplaatst zijn.  

Bramzeilsgast. Jonge schepeling, belast met het los- en vastmaken van de bramzeilen.  

Bramzijgertje. Te jong, dus illegaal bemanningslid. Mogelijk een verzinsel van Jan de Hartog, want in de `pre-Hartog periode' komt het woord nergens voor.  
. 
Brandaan van Clonfert. Zie Brendan de Zeevaarder.  
. 

Brandaris. Oudste vuurtoren van Nederland. Dateert uit 1594. De eerste Brandaris werd al in 1323 op Terschelling gebouwd, om voor schepen, op weg naar Amsterdam, via de Zuiderzee, de nauwe opening tussen Vlieland en Terschelling te markeren. Een goede markering was nodig omdat de Waddeneilanden veel op elkaar lijken gezien vanuit de Noordzee. De Hanzestad Kampen, betaalde mee aan de eerste vuurtoren.  

Brandgevaar. Verre van denkbeeldig; houd daarom altijd een of meerdere goedgekeurde brandblussers aan boord, met een minimuminhoud van twee liter.  

Branding. » Brekers voor de kust, die ontstaan wanneer golven de geleidelijk oplopende kust naderen, of anderszins op tegenstroom stuiten.  

Brandpiket (m). Wachthoudend schip bij een vloot.  

Brandstof. Schepen voor recreatief gebruik mogen niet de zogenaamde `rode diesel' gebruiken. Zij zijn aangewezen op de `witte diesel' (autodiesel), die ongeveer een gulden per liter duurder is. Zie ook Groene diesel.  

Brandzwabber. Stokdweil die op schepen wordt gebruikt om branden te blussen.  

Braniekraag. Brede hemdskraag van marinematrozen.  

Bras. (1) Elk van de twee lopende touwen aan de nokken van een » ra, die dienen om de ra naar de wind te zetten. (2) (v) » Aap. (3) (v) Lijn aan de » breefok.  

Brasbeugel. Rakbeugel om het brassen en toppen van de ra's te vergemakkelijken.  

Brasblok. Zeer groot en plat blok waardoor een bras wordt geschoren, met twee neuten in elke wang, omdat zij dubbel gestropt worden.  

Brasboom. IJzeren balk midscheeps, die dient om de » brassen van de voortop en de grote top vrij te houden van het want.  

Brassen. (1) Touwen die zijn bevestigd aan de nokken van de ra's, met behulp waarvan de ra's en de aangeslagen zeilen in een bepaalde staand gedraaid kunnen worden. (2) Een » ra in horizontale richting naar de wind stellen. Zie ook Toppen.  

Brave zooiensteker. Burger (niet-zeeman) aan boord van een schip.  

Braziliëstroom. Een deel van de » Zuidequatoriaalstroom, die zuidwaarts langs Brazilië stroomt en onder andere onder invloed van de heersende westenwinden afbuigt om met de Westenwinddrift in oostelijke richting de Zuidatlantische Oceaan over te steken.  

Breach (e). Sprong van een walvis uit het water.  

Breden. De ra's een minder scherpe hoek met de kielrichting laten maken.  

Breden voor! Commando om de ra's van de fokkemast vierkant te brassen.  

Brede zij. De zijde in de midscheeps; de zijkant van het schip. Een schip dat `op zijn brede zij' ligt, ligt plat op het water en maakt tot 90° slagzij. Dit noemt men vaak `plat gaan' of `plat liggen'. Zie ook Mast in het water varen, Omslaan, Op één oor liggen, en Rondrollen.  

Bredezijde (v). Ruimte onder de » poten van de deken.  

Breedendam sloep. Rondspant polyester motorboot. L.O.A. 8,25 m., breedte 2,60 m., diepgang 1,05 m.  

Breedte. (1) Het breedste gedeelte van de boot. (2) De breedte op een bepaalde plaats. (3) De geografische breedte. Deze kan door middel van » astronavigatie worden afgeleid uit de hoogte van de noordelijke of zuidelijke hemelpool boven de horizon.  

Breedtecirkel (n). Cirkel die evenwijdig aan de evenaar loopt.  

Breedtegraad (n). 1/60 deel van een » breedtecirkel.  

Breefok. (1) Rechthoekig zeil aan een » ra aan de » fokkemast, dat bij ruime wind gevoerd wordt. (2) (v) Razeil gebruikt bij de » kwak- en » wonderkuilvisserij.  

Breefokkeval (v). Lijn om de » breefok (2) mee te hijsen.  

Breehorn 37. Snel en comfortabel polyester zeiljacht. L.O.A. 11,30 m., zeiloppervlak 72 m².  

Breeksterkte. De in kilo's uitgedrukte kracht die nodig is om een proefeind touw of staaldraad van één meter te doen breken.  

Breekwater. (1) Kunstmatige dam voor een haven, om de kracht van de golven te breken. (2) Dwarsscheepse opstaande rand op de bak van passagiersschepen, die overkomende golven breekt en buiswater tegenhoudt.  

Breespit (v). Ankerspil.  

Breeuwen. Kalfaten. Het met » werk waterdicht maken van naden in houten schepen of dekken, met behulp van breeuwhamer en kalfaatijzer.  

Breeuwsel. Vulsel voor de huidnaden, bij jachten doorgaans katoendraad. Zie ook Werk.  

Breeuwstoel. Buiten boord hangende bootsmansstoel van een schepeling die breeuwt.  

Breeveertien. Grote zandbank langs de kust van Noordwijk tot Callantsoog, waar 14 vadem water op stond.  

Breewijd 29. Stalen zeiljacht met stabiele zeileigenschappen. L.O.A. 8,85 m., zeiloppervlak 52 m².  

Breewijd 31. Stalen zeiljacht met stabiele zeileigenschappen. L.O.A. 9,50 m., zeiloppervlak 59 m².  

Breidel. Sleeptuig.  

Breispit (v). » Ankerspil.  

Breker. Het onstabiel worden van een golfpatroon, meestal in ondiep water, waarbij de golftop zich als een watergordijn in het voorgaande golfdal stort. Zie ook Roller.  

Bremerbinding (s). Ook: Kanaalbinding. Mastbinding die in 1975 speciaal werd ontwikkeld voor de oversteek van Het Kanaal.  
. 

Brendan de Zeevaarder. Ook: Sint Brandaan van Clonfert. De eerste Europeanen die in de 6e eeuw in » currachs de Atlantische Oceaan overstaken om de Nieuwe Wereld te ontdekken waren Brendan de Zeevaarder en zijn volgelingen. Brendan werd omstreeks 484 geboren in  Tralee in County Kerry. Hij werd tot priester gewijd door bisschop Erc en voer naar noord-west Europa om het christelijk geloof te verspreiden en kloosters te stichten. In mei 1976 besloot de Britse zeevaartkundige Tim Severin de overtocht van Brendan over te doen met dezelfde middelen. Zij maakten de » currach van hetzelfde materiaal, doopten het "Brendan" en voeren via IJsland en Groenland naar St. Brendan's Isle in Newfoundland, waar zij op 26 juni 1977 arriveerden.    
. 
Bresnet (v). Gescheurd net.  

Breton plotter (n). Gepatenteerd instrument met een brede, transparante basis en een draaibare kompasroos, alsmede een coördinatenstelsel dat correspondeert met de lengte- en breedtegraden op de kaart. Zie ook Hurst plotter.  

Brick (e) (w). Het strak opvouwen van een zeil tot een compacte, zware rechthoek.  

Bridgevlag. Groen van kleur. Wordt gehesen door watersporters in de haven, die graag een kaartje willen leggen maar gebrek aan partners hebben.  

Bridle (e). Breidel, sleeptuig.  

Briefopener. Ponjaard van » adelborst.  

Bries. Koele wind. Een `frisse bries' komt overeen met windkracht 5; een `stijve bries' komt overeen met windkracht 6. Zie ook Beaufortschaal.  

Brigant. Zeerover van de Middellandse Zee.  

Brigantijn. (1) Licht vracht- of oorlogsschip, ook: schoenerbrik. Zoals deze naam laat zien lijkt ze iets op zowel een » schoener als een » brik. De brigantijn heeft steeds twee masten. Van oorsprong is dit type schip net als de brik een koopvaardijschip. (2) Galeivormig schip met een laag boord, dat werd gebruikt als adviesjacht bij de oorlogsvloot en voor de zeeroverij.  

Brik. Vrij klein en snel » vierkantgetuigd oorlogsschip met twee masten, die elk drie of meer razeilen boven elkaar dragen. De voorste mast heet de fokkemast; de achterste mast, die meestal iets hoger is, noemen we de grote mast. Er waren twaalf tot zestien kanons aan boord. Soms ook gebruikt als koopvaardijschip.  
  
  
  

De British Steel in zwaar weer

British Steel. Kits van 59 voet, gebouwd door een consortium van Britse staalfabrikanten, waarmee Chay Blyth in 1971 als eerste solozeiler non-stop, in tegengestelde richting - van oost naar west - de wereld omzeilde. Zie ook circumnavigatie.  

Britsen. Straf voor schepelingen. Met » handdaggen op de rug en op de broek slaan.  

Broaching (e). Plotseling scherp draaien en dwarsscheeps in de golven en/of stroming komen te liggen.  

Broederzak (v). Zak waarin Jan-in-de-zak gekookt wordt.  

Broek. (1) Los » onderlijk van het grootzeil. (2) Ook: » broeking (1).  

Broekem (v). Strook zeildoek, rond de mast en op de » plecht gespijkerd.  

Broeking. (1) Zeildoekse of linnen band die de vlag bij de hijs omboordt en waarin een eind vlaggelijn is genaaid. (2) Sterk, zwaar touw waarin men een kanon dat door het schot achteruit loopt vangt, of waarmee een van stapel lopend schip wordt tegengehouden. (3) Bekleding van scheepsdelen om het indringen van lekwater te beletten.  

Broekschoorsteen. Vierkante houten schoorsteen met twee uitgangen, waartussen de » giek rust.  

Broekstrop. Brede reep zeildoek, die dient voor het hijsen van voorwerpen die bij gebruik van een gewone strop zouden insnijden. Met de broekstrop wordt de druk van de strop over een groter oppervlak verdeeld.  

Broek van Bertha. (1) Een verplaatsbare luchtkoker, ter verversing van de lucht in het benedenschip. (2) Een borrel met een beetje citroensap, grenadine-groen en ijsblokjes.  

Brokkie (v). Een stukje. `Ken die boot niet wat vooruit?' `Ik verhaal 'm wel een brokkie.'  

Brokkie fok (v). Gedeeltelijk gehesen » fok.  

Broodwagen. Kast over de (nood)stuurinrichting op het achterschip.  

Broodwinner. (1) » Aap. (2) » Bonnet.  

Brown's Nautical Almanak. » Almanak met gegevens van over de hele wereld. Zeer gedetailleerd.  

BRT. » Bruto Register Tonnenmaat.  

Brug. Stuurstand. Zie ook Kaartenkamer en Navigatiebrug. Brugdek. » Opperdek. Zie ook afb. 29.  

Brughuis. Bovenbouw die zich doorgaans over de hele breedte van het schip uitstrekt.  

Bruine vloot. Verzamelnaam voor nog of weer in de vaart zijnde oude zeilschepen, met name rond- en platbodemjachten. De meeste traditionele zeilschepen worden geëxploiteerd door charterschippers die zich hebben verenigd in de » BBZ (Belangenvereniging Beroepszeilschippers). Zie ook Hardzeilen voor beurtschepen.  

Bruin werk. Zie Werk.  

Bruinwier. Zie Alg.  

Brulboei. Zeeboei die een dof, luid klinkend gebrul laat horen, doordat de beweging van de boei zeewater door een hoorn perst.  

Brut Cup (w). Zeilwedstrijd bestaande uit een reeks van vijf wedstrijden. De zeiler die drie van de vijf elementen wint kan rekenen op een forse bonus (in 1995 was dat een kwart miljoen dollar).  

Bruto Register Tonnenmaat (BRT). De inhoud van alle waterdicht afgesloten ruimten in het schip, zowel onder als boven het meetdek, met uitzondering van de dubbele bodem. De BRT wordt uitgedrukt in registertonnen van 2,83 m3 = 100 cubic feet. Zie ook Netto Register Tonnenmaat en Gross Tonnage.  

B-serie. De 8 schepen van de Amsterdamse rederij Spliethoff waarvan de naam begint met een B: Bakengracht, Barentzgracht, Bataafgracht, Beursgracht, Bickersgracht, Bloemgracht, Bontegracht en Brouwersgracht. Zie ook A-serie, E-serie, H-serie, K-serie, L-serie en P-serie 

BSK. » Bovenstroomse koers.  

BST. British Summer Time. Britse zomertijd.  

BSW. Binnenschepenwet. De zeilende charterschepen vallen nu (1996) nog niet onder deze wet, maar binnen enkele jaren zal dit wel het geval zijn.  

Bubbelinstallatie. Installatie die wordt aangelegd in meren en plassen waarin tijdens warm weer problemen ontstaan met blauwalgen.  

Buddy (e). Ook: duikpartner of duikgenoot. Maat van de duiker. Zonder buddy duiken is ten zeerste af te raden. Een Arbobesluit van 1995 verbiedt het beroepsduikers om alleen onder water te werken, en bij een diepte van meer dan negen meter moet een ploeg zelfs uit drie man bestaan: een duiker, een ploegleider en een reserveduiker.  

Buginezen. Indonesisch volk van de oostkust van Sulawesi (Celebes) en omliggende eilanden. Goede zeevaarders, die voor een belangrijk deel de kustvaart tussen de omliggende eilanden verzorgen. Ten tijde van de VOC vormden de Buginezen een geduchte machtsfaktor, van de oostkust van Straat Malakka tot en met de Bandazee. Zij wensten niet te buigen voor de heerschappij van de VOC en maakten het de Compagnie herhaaldelijk lastig, niet in de laatste plaats omdat de VOC hen met de verovering van Makasar (1667) had gedwongen hun thuisland Celebes te verlaten. Derhalve werden zij als `zeerovers' aangeduid, een naam die zij tot na de Tweede Wereldoorlog ten onrechte hebben gehouden. Zie ook Prauw en Pinisi.  

Buienkauwer. Zeebonk.  

Buik. (1) Het deel van het zeil dat het meest bol gaat staan als de wind erin blaast. (2) Ook: Buikie (v) Diepste deel van de » onderreep van een » kuil.  

Buikdenning. De vloer van het ruim.  

Buiketouw. (1) Ook: voettouw. Lijn aan het » onderlijk van de » fok. (2) Soort korte fokkeschoot bij vissersvaartuigen.  

Buikgording. » Buiketouw.  

Buikorgel. Ook: luchtverdeelkast. Accordeon.  

Buikseizing. Band om de buik van een zeil als het vastgemaakt is bijeen te houden.  

Buikstuk. Stuk dat de buik van een schip helpt vormen.  

Buiktouwtjes (v). » Reefknuttels.  

Buikweger. » Buikdenning.  

Buis. Tjalkachtig vissersschip met hoog achterschip, voor de haringvangst. In 1644 waren er nog 1054 buizen geregistreerd, in 1832 nog maar 120. Wij onderscheiden onder andere de Waardinger buis en de Enkhuizer buis.  

Buisjesdag (v). 15 juni, de dag waarop vroeger de haringbuizen in zee staken.  

Buisjespreek (v). Preek op de bidstond vóór het uitzeilen van de haringvloot.  

Buiskap. Ook: sprayhood. Zeildoekse kap boven de kajuitstrap om het » buiswater niet over de boot te laten spatten. De hoeveelheid water die de kuip kan binnenkomen wordt erdoor gereduceerd en het luik boven de kajuitstrap kan open blijven staan.  

Buisman (v). Buisharingvisser.  

Buismast. Uit buizen samengestelde mast.  

Buiswater. Water dat tegen de boeg van het schip opgeslagen wordt en over het dek waait. Zie ook Stuifwater.  

Buiten. (1) Op de vrije, open zee. (2) (v) Het water ten noorden van het Enkhuizerzand.  

Buitenboordkoeling. Koelsysteem van scheepsmotoren waarbij het water van buitenaf via een filter en een koelpomp door de motor wordt gevoerd en vervolgens weer wordt afgevoerd. Zie ook Interkoeling en Kielkoeling.  

Buitenboordmotor. Aanhangmotor voor kleinere vaartuigen, die aan de achtersteven wordt bevestigd. (In de jaren twintig en dertig werden er in ons land ook veel zijboordmotoren verkocht, voor Canadese kano's en kajaks.) De buitenboordmotor is uitgevonden door de Amerikaan Evinrude.  

Buitenboordsgast. Schepeling die de buitenhuid van het schip moet verzorgen.  

Buitenboordsklep. Klep in een buitenboordleiding, die voorkomt dat water van buiten naar binnen komt.  

Buitenborg. Tuig van de grote- en voorbarkszeilgaffels.  

Buitenbras (v). » Bras aan de loefzijde.  

Buitendijk. Dijk die nog als waterkering dienst doet.  

Buitengaats. Op zee, doch tamelijk dicht bij de kust. Voor de wet: buiten de territoriale wateren, althans op weg daarnaartoe.  

Buitenhangen. Op de rand van de boot zitten, waarbij het bovenlichaam naar buiten hangt om de boot in evenwicht te houden. Hoeft niet op een mammoettanker. Zie ook Hangband en Trapeze.  

Buitenhuid. Bekleding van de romp aan de buitenkant.  

Buitenkluiver. Tweede driekantige zeil aan het » kluifhout. Zie ook afb. 20 en 52.  

Buitenmot. Soort » tjalk.  

Buitenschoot. (1) Touw van de nok van de jagerboom naar het achterschip. (2) Buitenste schoot van de lijzeilen.  

Buitenval. » Piekeval.  

Buizend. Zegt men van een schip wanneer het veel » buiswater vangt.  

Bul. Gesleept » droogdok.  

Bulbkiel. Vin, bestaande uit een plaat, waar de ballast als een sigaar onderaan is bevestigd of gegoten.  

Bulbsteven. Voorsteven met onder de lastlijn een druppelvorm, die als doel heeft de waterweerstand te verminderen.  

Bulk. Massagoed. Onverpakte droge lading die in grote hoeveelheden tegelijk in het laadruim gestort wordt, bijvoorbeeld graan, fosfaat, erts, chinaklei of suiker.  

Bulkcarrier (e). Schip dat speciaal is gebouwd voor het vervoer van » bulk en over veel ruimen beschikt, die elk hun eigen luikopening hebben, waardoor er sneller kan worden geladen en gelost. De meeste bulk carriers zijn niet groter dan 80.000 ton, omdat grotere schepen niet door het Panamakanaal kunnen.  

Bull 700. Dagzeiler met slaapaccommodatie. L.O.A. 7 m.  

Bull 7000. Trailerbare dagzeiler met slaapaccommodatie, geschikt voor de geoefende zeiler. L.O.A. 7 m., zeiloppervlak 39,40 m² (zonder spinnakers en drifter).  

Bulleglas. » Dekglas.  

Bulletalie. Lijn van het uiteinde van de » giek naar het voorschip om op de ruimere koersen het zeil uit te houden en zo te voorkomen dat de giek plotseling kan overkomen.  

Bulletouw. Touw dat dient om de bezaansboom naar lij te halen en te bevestigen.  

Bultrug. Walvis (Megaptera novaeangliae).  

Bultzak. Scheepsmatras.  

Bumboat (e). » Parlevinker.  

Bun. (1) Afgesloten deel van het ruim dat in open verbinding staat met het buitenwater, zodat daarin de vangst levend bewaard kan worden. (2) Kist met gaatjes die men in het water hangt om de vis levend in te bewaren. (3) De grote bun = de Zuiderzee. (4) (m) Koker in een onderzeeër, waar masten, periscopen en dergelijke in kunnen zakken.  

Bunch up (e) (w). Hoog aan de wind zeilen.  

Bunk. Opbergruimte onder de banken van jachten.  

Bunker. Tank voor het opslaan van brandstof.  

Bunkeren. Het laden van brandstof of drinkwater.  

Buoyancy (e). Drijfvermogen, opwaarts vermogen.  

't Bussie (v). De armenvoorziening.  

Buttercup. Zie Sponsor Wanted.  

Buttock lines (e). » Lange lijnen.  

BWK (n). Behouden Ware Koers.  

Byzantin. Franse stoomboot die op 18 december 1878 zonk nabij de Dardanellen. 210 opvarenden kwamen daarbij om.  
  
 

 

A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z
.
.
Email: jackvanderwyk@yahoo.co.uk











































tumblr page counter