



A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z
| H
Haaf (v). Zakvormig visnet dat door een ronde beugel opengehouden wordt en aan een lange stok is bevestigd. Haaiebek. Langwerpige insnijding in het doek van een kampanjetent om de hoofdtouwen van het want door te laten. Haak. Anker. `We gooien de haak erin en gaan de wal op.' Haakachter. Zie Haakvoor. Haaksgronden. Twee gevaarlijke zandbanken in de Noordzee voor het zeegat van Texel, ongeveer 8 kilometer uit de kust. We onderscheiden de Noorderhaaks en de Zuiderhaaks. Haakblok. » Blok met een haak. Haaktalie. Talie waarvan de beide blokken haakblokken zijn. Haakvoor. Voorste man in een sloep die de boot met een haak moet afduwen of naar de wal trekken. Ook hanteert hij de landvast. De achterste man heet haakachter. Haal (v). Het inhalen van de beug. `De mannen van de haal.' Haalder (v). De haringvissers die de vleet moeten » halen. Haaleind. » Jaaglijn (2). Haar op de dijk! Vrouwen in aantocht! Haartouw (aartouw) (v). (1) Ankertouw. (2) Lijn waaraan de sleepnetten gesleept worden. (3) Achterkuiltouw, de lijn tussen de achtersteven en de » dwarskuil. HAAS. Hollandse Algemene Atlantische Scheepvaartmaatschappij. Rederij oorspronkelijk uit Rotterdam. HAAS was de eerste eigenaar van het nog in de vaart zijnde driemast schoener » Europa. Haas met popi (m). Gerecht van haas met een saus van gewone zoete stroop. Haddock (e). (1) Schelvis. (2) Opvliegende ex-scheepskapitein met een uitgebreide, creatieve scheldwoordenvocabulaire, uit de strips van Kuifje. Haerlem. Schip van de VOC-retourvloot dat op 25 maart 1647 strandde in de Tafelbaai, bij Kaap de Goede Hoop. Zestig man, waaronder de officieren Leendert Jansz en Nicolaas Proot, bleven achter om het schip en de goederen te bergen. Op 7 april 1652 stichtte Jan van Riebeeck er, op aandringen van Jansz en Proot, een fort, dat dienst moest gaan doen als verversings- en bevoorradingsstation voor Nederlandse schepen. Hagel. Regendruppels die op grote hoogte door de wind naar koudere hoogten worden geblazen, daar bevriezen en vervolgens weer naar beneden vallen. Hagelstenen zijn zelden groter dan 1 centimeter. ![]() Hagenaar. Soort » hevelaak. Typisch rivierschip uit de grote steden, dat vooral werd gebruikt voor de aanvoer van bouwmaterialen. De houten Hagenaars zijn hoekig, die van ijzer zijn rond en glad. Het tuig bestaat uit een grootzeil met rechte gaffel, fok en kluiver. De grote sleephagenaar werd vaak `hagenaar' genoemd, terwijl de kleine zeilhagenaar vaak als `hagenaartje' werd aangeduid. Zie ook afb. 17. Hail (e). » Praaien. Hak. (1) Onderste deel van de achtersteven. (2) Uitstekend deel van het roer ter vergroting van het oppervlak in het water. Hakblok. Ook: staartblok. » Blok, meestal met korvijnagel, dat voor de grootschoot en soms ook voor de fokkeschoot wordt gebruikt. Hakeblok. Stropblok waarin een kous met haak gebonden is. Dient vaak als voetblok voor de marsevallen. Hakie van boord (v). Haak in het boord waar de » breefok aan gepikt wordt. HAL. Holland-Amerika Lijn, op 18 april 1873 opgericht te Rotterdam. Sinds 1989 eigendom van Carnival Cruise Lines te Seattle, USA. Vroeger zei het lagere personeel van de HAL: `Groen-wit-groen (de kleuren van de maatschappij), hard werken, weinig poen.' Zie ook Maasdam en Statendam. Halen (v). Het inhalen van de netten. Zie ook Schieten. Halfdek (m). Achterste deel van het opperdek, achter de grote mast. `Op het halfdek komen' = Op het matje komen. Halfgedekte boot. Boot waarbij het vaste dek zich over een groot gedeelte van de boot uitstrekt, waarbij het niet-overdekte gedeelte `kuip' of `stuurkuip' wordt genoemd. Zie ook Jacht en Open boot. Halfmodel. Decoratief model van een scheepsromp dat de helft op de lengtedoorsnede vertoont. Meestal op een paneel aangebracht, soms ook op een spiegel, waardoor het weer een hele romp lijkt. Halfnageltje (v). Halfronde beschermlat tegen de voorsteven. Half (halve) plechie (v). (1) Tot achter de mast verlengd deel van de » plecht. (2) Deel van de plecht achter de waterbalk. Halfrond. Strip ijzer met een platte en een ronde kant. Halfwinder. Ook: ballon of jager. Driehoekig, bol gesneden zeil, dat bij halve wind in plaats van de voorzeilen gevoerd kan worden. Halfwindse koers. Daarbij waait de » ware wind in een rechte hoek op de lengteas van de boot. Zie ook afb. 44. Halieutics (e). (De kunst van) het vissen. Haling. De trekkende of zuigende werking van golvend water. Hallberg Rassy 29. Luxueus polyester toerzeiljacht. L.O.A. 8,90 m., zeiloppervlak 38 m². Hallberg Rassy 36. Polyester semi s-spant zeiljacht met zeven vaste slaapplaatsen. L.O.A. 10,87 m., breedte 3,55 m., zeiloppervlak 65 m². Hallberg Rassy 39. Polyester semi s-spant zeiljacht met zeven vaste slaapplaatsen. L.O.A. 11,85 m., breedte 3,76 m., zeiloppervlak 75 m². Hallberg Rassy 42. Groot en luxueus afgewerkt polyester zeiljacht, dat geschikt is om langere tijd te bewonen. L.O.A. 12,93 m., zeiloppervlak 75 m². ![]() Hallberg Rassy 46. Polyester rondspant zeiljacht met zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 14,71 m., breedte 4,32 m., zeiloppervlak 100 m². Hallberg Rassy 49. Zeer doordacht afgewerkt polyester zeiljacht, met meerdere afsluitbare slaapvertrekken. L.O.A. 14,96 m., zeiloppervlak 108 m². Hallberg Rassy 94. Stabiel polyester toerzeiljacht met goede vaareigenschappen. L.O.A. 9,40 m., zeiloppervlak 33 m². Hallberg Rassy 312. Sportief en comfortabel polyester toerzeiljacht. L.O.A. 9,42 m., zeiloppervlak 45 m². Hallberg Rassy 352. Mooi afgewerkt polyester zeiljacht. L.O.A. 10,54 m., zeiloppervlak 51 m². Hallberg Rassy 382. Ruim en luxueus afgewerkt polyester zeiljacht. L.O.A. 11,62 m., zeiloppervlak 69,80 m². Halo. Kring om de zon of de maan. Hals. Takel of end waarmee de » halshoek omlaag wordt getrokken. Halsbindsel. Lijn waarmee de » halshoek van het zeil van de » giek wordt gebindseld. Halshoek. Ook: halshoorn. De voorbenedenhoek van een zeil, waar het » onderlijk en het » voorlijk elkaar snijden. Halshoorn. » Halshoek. Halstalie (v). Lijn, lopende over een aantal schijven, waarmee de » hals van het grootzeil strak getrokken wordt. Halve dekbalken. Dekbalken die niet van boord tot boord doorlopen. Halve haring (v). Tweejarige haring, sprot. Halve-kwartierrol (m). Naamlijst
die aanwijst hoe de bemanning van oorlogsschepen voor bepaalde diensten
in halve kwartieren wordt ingedeeld.
![]() Halve wind. Deze wind komt van opzij (bakboord of stuurboord) onder een rechte hoek met de boot. Zie ook afb. 44. Halve winder. » Halfwinder. Halyard (e). (1) » Val. (2) Vlaggelijn. Halzen. Het door te » gijpen » door de wind gaan. Hamerslag. » Walshuid. Hand. Ook: vloei. Plat deel van het » anker, dat zich ingraaft. Handboom. (1) Boom of spaak waarmee men de spil van windassen of kaapstanders aandraait. (2) Vaarboom. Handdag. Eind touw dat men gebruikte om te » britsen. Handen schoon (m). Vijf minuten voor » vast werken. Handicap (w). Het verlichten van de taak van bepaalde deelnemers aan een zeilwedstrijd om gelijke overwinningskansen te scheppen. De grootte van de handicap is onder andere afhankelijk van het gebruikte materiaal. Handlog. Toestel om de scheepssnelheid te meten. De snelheidseenheid » knoop is afkomstig van het aantal knopen in de loglijn dat bij het loggen door de hand gaat. Handpeilkompas. » Peilkompas dat in de hand wordt vastgehouden. Vooral handig op stalen boten. Handreling. Lichte reling op het kajuitdek. Hand sailing (e) (w). Het beschrijven van zeilmanoeuvres met de hand, doorgaans bij de nabeschouwing, waarbij de handpalm wordt gebruikt om hellingshoeken en koersen weer te geven. Handselen (v). Gemakkelijk naar de hand staan, handzaam. Handspaak. Stok om een braadspil rond te draaien. Handvast. Provisorisch vastgezet, tegen de gevolgen van het slingeren. Handy Billy (e). Dektakel. Hanepoot. Eind staaldraad met in het midden een zgn. spruitloper die bovenop de » gaffel is aangebracht. Wordt ook `spruit' genoemd. De spruitloper kan zich verplaatsen en wordt vastgemaakt aan de » pieke- of nokkeval. (2) (v) Uithouder aan de mast om een » blok aan te hangen. Hang (v). Rokerij. Zie ook Bokkumhang. Hangband. In de kuip van een open boot bevestigde band van sterk weefsel. Op het boord zittend kan men zijn voeten eronder steken en aldus vindt men steun om ver te kunnen overhangen. Zie ook Trapeze. Hangblok. Hangend tussenblok, waardoor een » hanger loopt. Hanger. Stalen reep of kettingreep dienend om een laadboom aan te hangen. Hangerstag. Horizontale stag die op langsscheepsgetuigde schepen tussen de ezelshoofden van opeenvolgende masten loopt. Hangkompas. Kompas dat aan de zoldering
van de kajuit hangt.
Hank (e). » Leuver. Hanse 291. Polyester rondspant toerzeiljacht met vijf vaste slaapplaatsen. L.O.A. 8,90 m., breedte 2,70 m., zeiloppervlak grootzeil 20,70 m², genua 19,50 m², fok 13 m². Hanse 331. Polyester rondspant.
Conventioneel en mooi afgewerkt toerzeiljacht met vier tot zes vaste slaapplaatsen.
L.O.A. 10,20 m., breedte 3,15 m., zeiloppervlak 47,80 m².
![]() . Hanze. Ook: Hansa. Verbond van Noordduitse steden en gemeenschappen van Duitse kooplui in de Nederlanden, Engeland en de Oostzeelanden, opgericht in het begin van de 13e eeuw. Op het hoogtepunt van haar bestaan telde de Hanze meer dan 85 steden, waaronder Nederlandse, maar in 1630 bestond zij slechts nog uit de steden Lübeck, Bremen en Hamburg. Hoewel Hitler in 1934 een einde maakte aan de privileges van de hanzesteden, noemen Lübeck, Bremen en Hamburg zich nog altijd `hanzestad'. Hanzekog. » Kog uit de 13e eeuw, met hoog vrijboord en rechte stevens. Staat vaak afgebeeld op de zegels van havensteden. L.O.A. ± 27 m., breedte ± 7,20 m., diepgang ± 3 m., zeiloppervlak ± 185 m². Hap (m). Eten. `Een hap in elkaar trappen' = Het eten bereiden. HAPAG. Hamburg-Amerika Paket Aktien-Gesellschaft. De Hamburg-Amerikalijn. Happen. Een biertje drinken. Happer. Windhapper; soort ventilator.
Har. Stijl waarom een sluisdeur draait. Hardtack (e). » Scheepsbeschuit. Hardzeilen. Wedstrijdzeilen. Hardzeilen voor beurtschepen. Uit de » Waterkampioen van 18 augustus 1933: `Op Zaterdagmiddag 5 Augustus had te Grouw de jaarlijkse zeilwedstrijd plaats voor vrachtschepen, metende van 30 tot 51 ton. Dertien schepen, in de puntjes verzorgd, verschenen in de Wijde Galle om daar om 2 uur vanaf de bakens te zeilen. De baan liep over het Pikmeer, door Tijnje om de ton bij Trijntjepolle, ton Janssloot, ton Sijteburen, langs oostkant Grooterland, om het Klein Eiland, om de Provinciale witte ton. Deze baan werd, bij een aanvankelijk lichten noordelijken wind, die echter steeds krachtiger werd, viermaal gezeild, en eindigde langs uitgezette bakens in het Pikmeer, vanaf Klein Eiland tot aan het theehuis. (...) Het was bijna half zeven toen de prijswinnaar, D. Blom, met Vier Gebroeders (Hindeloopen) de finish passeerde en daarmee de wedstrijd won.' Haringblik (v). Blikkering aan de oppervlakte van de zee die je ziet wanneer je een school haringen nadert. Haringbuis (v). Vanaf de middeleeuwen een vissersschip uit de noordelijke wateren, aanvankelijk met vierkant getuigde masten. Haringdrijfnet (v). Haringnet waarachter één vaartuig ligt te drijven. Haringjager (v). (1) Snelvarende haringschuit die de haring tijdens de vangst van de vissers overnam om die naar de wal te brengen. (2) Snelvarend vissersschip dat de eerste haring aanvoert. Haringkaken (v). Het conserveren van haring door het verwijderen van kieuwen, hart en het voorste deel van de darm en het doorsnijden van de kieuwslagaderen, waarna de haring wordt gezout en in tonnen verpakt. De sappen uit de in het lichaam achtergebleven alvleesklier verteren het lichaam, waardoor het visvlees mals en aangenaam van smaak wordt. Haringschakels (v). Staande netten voor de haringvisserij. Haringvijver (v). De Noordzee is de kleine haringvijver; de Atlantische Oceaan de grote. Harmattan. Verschroeiende wind op de Westafrikaanse kust. Harp. Een U-vormige » sluiting die met een schroefboutje met een oog gesloten wordt. Harpoen. Werpspies met weerhaken, bevestigd op een schacht met een ring, waaraan een lange lijn wordt bevestigd. Bij de walvisvaart worden de harpoenen met een kanon afgeschoten. Harpuis. Conserveringsmiddel voor hout. Soort blanke lak, gestookt van lijnolie, gele hars en vet. Harring. Metalen ring om de nok van de achterhar van een sluisdeur. Zie ook Har. Hartlijn. De langsscheepse as van
een boot.
![]() Hasselteraak. » Hevelaak uit Hasselt, Overijssel. Het boeisel verloopt met de lijn van de romp en valt in het achterschip bij het berghout iets naar binnen. Het tuig bestaat uit een grootzeil met rechte gaffel, fok en kluiver. Hatch (e). » Luik(gat). Haul (e). Dichter aan de wind gaan zeilen. Haven. In principe elk gebied dat wordt gebruikt om schepen te laden of te lossen, of personen in te schepen of te ontschepen. Havengeld. (1) Liggeld, te betalen aan de havenmeester. (2) (m) Toelage tijdens het liggen in een buitenlandse haven. Havenhoofd. Zware stenen dam aan de havenmonding. Havenlichten. Lichten die (doorgaans) ter weerszijden van de haveningang staan opgesteld. Havenmeester. (1) Ambtenaar die zorgt voor de orde en veiligheid in een haven en toezicht houdt op de uitdieping, de kaaien, het paalwerk enzovoort. (2) Beheerder van een particuliere jachthaven. Havenverkeer. Ook: port operations. Radioverkeer van schepen met bruggen, sluizen, havenautoriteiten en radarposten. Hiertoe behoren de » VBS. Hawaii-ophaalkoord (s). Elastisch » ophaalkoord dat strak langs de mast zit, zodat de surfer er geen last van heeft. Hawse (e). » Kluisgat. Hawser (e). Tros. Haystack (e). Staande golf ontstaan doordat stromend water tegen stilstaand water botst. Hber (n). » Hoogte berekend. Hc (n). Height Calculated. » Hoogte berekend. HCC. Radiotelefonieterm. Haven Coördinatie Centrum. HDTP. Hoofddirectie Telecommunicatie en Post van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Headdip (s) (e). Freestyle figuur waarbij het hoofd het water raakt. Headfast (e). Boegtouw. Zie ook Landvast. Heading (e) (n). Voorliggende koers. Komt niet per definitie overeen met de koers over de grond. Zie ook Course. Head of the River (e). De eerste officiële wedstrijd van het roeiseizoen. Lange-afstandsrace. In Engeland is dit de Boatrace, sinds 1829 gehouden door de achten van de universiteiten van Cambridge en Oxford, tussen Putney en Mortlake, op de Theems. In Nederland de race van 8 kilometer op de Amstel. Zie ook Roeisport enVarsity. Headsman (e). Kapitein van een walvisvaarder. Headwind (e). Tegenwind. Hearringboat. Haringboot van de
Noordfriese kust. Platbodem van 7 à 10 meter, met rechte, vallende
voorsteven. Voorzover mij bekend alleen gebouwd door Van Manen in Berlicum,
tot 1935.
Heel (e).
Overhellen; » slagzij maken.
![]() . Heemskerck. Jacht waarmee de Groninger » Abel Tasman, samen met de fuit Zeehaen, verscheidene eilandgroepen bij Australië ontdekte en in kaart bracht. . ![]() (d'n) Heer (v). De » reder.
![]() Om te voorkomen dat het brugdek scheef omhoog getrokken wordt, met kans op klemmen en vastlopen, is er nog een systeem met rechthoudkabels aanwezig. Deze kabels lopen vanaf de punten van de torens naar beneden, over katrollen langs het brugdek naar de voet van de andere toren, waar ze zijn verankerd. . Hefschip. Drijvende bok met groot hefvermogen. Heft (v). Obstakel op de zeebodem waaraan de netten blijven haken. Heften (v). Ergens achter blijven haken. Heilige dagen. (1) Kale plekken
in de lak- of verflaag. (2) Plekken op het touw die ongeteerd zijn gebleven.
Hek. Achterreling, achterpreekstoel. Hekanker. Anker dat naar achteren uitstaat. Meestal het tweede anker. Hekbalk. Dwarsscheepse balk, horizontaal geplaatst in het achterschip. Hekboot. De kleinste boot aan boord, die aan de hekdavits opgehesen wordt. Hekgolf. Kielzog. V-vormig golfpatroon dat achter een snelvarende boot ontstaat. Hekkie (v). Scheerhoutje waar de » windvaan aan genaaid wordt. Heklastig. Kontlastig. De boot steekt van achteren te diep in het water. Heklicht. Wit licht dat zichtbaar is over een boog van de horizon van 135°, van recht achteruit tot 22,5 graden achterlijker dan dwars naar beide zijden van het vaartuig. Wordt doorgaans op het achterschip gevoerd, maar soms ook in de top van de mast, als onderdeel van een lantaarn waarin boordlichten, toplicht, ankerlicht en heklicht zijn gecombineerd. Zie ook Bakboordlicht, Boordlichten, Navigatielichten, Stuurboordlicht en Toplicht. Hekstag. » Achterstag. Hektjalk. » Staatsietjalk. Hektrawler (v). Zie Trawler. Hekwerk. IJzeren stang(en) op het boeisel rondom het achterschip. Hekwieler. Stoomschip voor ondiepe rivieren en meren, dat werd voortbewogen door één of twee schepraderen op het achterdek van het vaartuig. Heldenmoed. Jam. Helle. Ruimte onder de vloer in het » vooronder. Hellevoetse raasdonders (m). Gekruide kapucijners met kleine gehaktballetjes, gegarneerd met hamrolletjes en mayonaise. Helling. (1) Bouwplaats van scheepsrompen, die loodrecht op de oever staat en onder water nog een stuk doorloopt om de tewaterlating te vergemakkelijken. Een dwarshelling staat evenwijdig aan de oever. (2) Het overhellen van een zeilboot door de zijdelingse druk van de wind op de zeilen. Staat machtig imposant, maar moet (zeiltechnisch gezien) onder alle omstandigheden zoveel mogelijk worden vermeden. Het heeft namelijk een nadelige invloed op de bolling en de aanstroomhoek van het zeil. Hellingproef. Inspectie van een schip op de helling. Voor het vaststellen van de nodige stabiliteitsgegevens moet elk schip na voltooiing aan een hellingproef worden onderworpen, en eventueel ook als het wijzigingen heeft ondergaan die van invloed zijn op de eerder vastgestelde stabiliteitsgegevens, zulks ter beoordeling van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Helm. » Klik. Helmhout. Meestal boogvormige balk die dient als » helmstok. Valt om de klik, zoals bij een » tjotter en een » botter. Helmorder (e). » Roercommando. Helmsmanship (e). Stuurmanskunst. Helmstok. De stok of hendel die aan het roer is bevestigd om ermee te kunnen sturen. Steekt door de klik, zoals bij een » boeier. Helmstokverlenger. » Joystick. Hemd met geerden (v). Oliejas. Hemelboender. Versiering boven het scheerhout bij vissersschepen. Hemelkwartier. Zie Ecliptica. ![]() (2) Nederlandse prins van Oranje (1820-1879), die sinds 1833 bij de marine diende en de ontwikkeling van de Nederlandse scheepvaart, met name de Stoomvaart Maatschappij Zeeland, krachtig heeft gesteund. ![]() Hengst. Vissersvaartuig van de Westerschelde, met vast voordek en steilere voorsteven dan de » hoogaars. Voert spriet- of bezaantuig. Henley Royal Regatta. Beroemdste roei-evenement ter wereld, gehouden te Henley on Thames, ongeveer 40 kilometer van Londen. Het traject is bijna 2120 meter lang. Zie ook Doggett's Coat and Badge Race. Hennebalk. Dwarsbalk onder het » helmhout. Hennegat. (1) Opening in het » hek waardoor de » helmstok steekt. (2) »Hennegatskoker. (3) Het achterste afgeschoten gedeelte in een officierssloep, waar de roerganger zit. Hennegatskoker. Waterdichte koker
in het achterschip, waardoor de roerkoning steekt.
![]() Herbevrachten. Het aannemen van het vervoer van lading met een schip dat de bevrachter van een derde heeft gehuurd. Hercules (v). Touwwerk bestaande uit strengen staaldraad omgeven met manillagarens. Herfstjol. Kleine » Staverse jol. Herfstpunt. Zie Ecliptica. Hermafrodietbrik. » Schoenerbrik. Hermaphrodite (e). Schip met kenmerken van twee scheepstypen. Herniakuip. Benaming voor een stuurkuip die hoekig, hard en ongerieflijk is. Herrie-verdeelkast (m). Radio of cassetterecorder. Heve. Tot het » boord oplopend vlak van een schip, zoals bij » Zeeuwse schouw of » hevelaak. Hevelaak. Aak waarbij de planken
van het vlak in het voorschip tot ver boven de waterlijn omhooggebogen
zijn. Is geschikt voor vlak en stromend water. De » Hagenaar en
de » Hasselteraak zijn hevelaken.
Hielingplaat. Stomphoekige metalen plaat als verbinding van kiel en achtersteven. Hielingsteek. Knoop om twee trossen op elkaar te steken. Hieuwen. (1) Met kracht binnenhalen. (2) Anker-op-gaan, anker lichten. Hieuwlijn. Lijn waarmee lichte lasten aan boord gebracht worden of waarmee de tros aan de wal getrokken wordt. In het laatste geval spreekt men ook van » werplijn. High Aspect Ratio (e). Lang en smal, bijvoorbeeld surfzeil of fok. Zie ook Low Aspect Ratio. Highfield lever. » Bakstaghefboom. High Modulus Polyethyleenlijn (HMPE). Ook: Dyneema of Spectra. Lijn die nauwelijks rekt en zeer sterk is (tienmaal zo sterk als staal). Nadeel: het is lastig te splitsen. Hijgen. Het werken van het langsverband bij het stampen van het schip. Hijgspanning. Spanning die ontstaat in het voorschip, wanneer het schip met de kop tegen de zee in vaart. Hijs. (1) Voorlijk van een zeil. (2) Stokzijde van een vlag. HISWA. Nederlandse Vereniging voor Handel en Industrie op het gebied van Scheepsbouw en Watersport. De vereniging heeft onder andere een sectie » Jachtmakelaars. Zie ook BMS en VSN. De HISWA organiseert jaarlijks twee beurzen op watersportgebied: de `natte HISWA' in IJmuiden en de `droge HISWA' in Amsterdam. HJB Cumulant 40. Stalen rondspant zeiljacht met vier tot zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 12,25 m., breedte 3,80 m., zeiloppervlak 87 m². Hjortspring-boot. Overnaads gebouwde houten boot met ronde bodem, langer dan 13 m. en 1.92 m. breed, van ongeveer 200 v.C., gevonden bij de gelijknamige boerderij op het Deense eiland Als. De tien doften gaven plaats aan twintig roeiers. Dit is de oudste houten boot die in Scandinavië is gevonden. HMPE. » High Modulus Polyethyleenlijn. HMS. His/Her Majesty's Ship. HO 249-tafels (n). Sight Reduction Tables for Air Navigation. Speciaal ontwikkelde tafels om de berekeningen van de » Hoogte berekend en het » azimut te verkrijgen. Hobbelen (v). Vaartuig in slingerende beweging brengen om de vis in leven te houden. Hobbelschuit (v). Type vaartuig waarin de Amsterdamse visventers hun vis vervoerden. Hobie. Open catamaran met banaanvormige, asymmetrische, zwaardloze romp, verhoogde trampoline en een oploop-roersysteem. Ideaal voor brandingzeilen. Hoboko (m). Elk der schepelingen behorend tot één van de dienstvakken hofmeester, bottelier of kok. Hoek (v). Vishaak. Hoekdek. Vliegdek dat een hoek maakt
met de lengteas van het schip.
![]() Hoekerbuis. Platbodemd vaartuig dat met hoekwant vist, ook gebruikt als vrachtschip, met brede boeg en achtersteven, doorgaans met twee masten en hoge kajuit op het achterschip. Hoekijzer. IJzer waarvan de flenzen loodrecht op elkaar geplaatst zijn. Hoekmeetinstrument (n). Instrument, zoals een sextant, octant of jacobsstaf, voor het meten van allerlei hoeken. Niet alleen hoeken tussen de horizon en hemellichamen, maar ook hoeken tussen bijvoorbeeld de top van een vuurtoren en de horizon. Hoekwant (v). Lange lijn waaraan dwarslijntjes met haken (hoeken) zijn bevestigd. Zie afb. 22. Hoekwantvisserij. Lijnenvisserij. Zie afb. 22. Hoep (v). Hoepel van een fuik. Hoepels. Houten ringen waarmee het grootzeil aan de mast verbonden is. Hoerenjong. » Klipperaak met het achterschip van een Hasselteraak, doorgaans uit Zwolle, Zwartsluis, Dedemsvaart of Groningen. Hofmeester. (1) (m) Ober in rijksdienst die de officieren en onderofficieren bedient. (2) Persoon belast met de zorg voor de maaltijden en de bediening van het buffet. Hog (e) (k). » Boeglastig. De kano ligt van voren (veel) dieper in het water dan van achteren. Hoger. Meer naar » loef toe. Hoge wal, hogerwal. De kust of oever waar de wind vandaan komt. Hogging (e). » Opbuigen. Hol. (1) Ongedekte gedeelte van een » botter achter de mast. (2) Het ruim. `Stengen en ra's in het hol schieten'; Ze zo laag mogelijk laten zakken. Hollandia. Zie Oostindiëvaarders. Hollands (e). Jenever. Hollandsche jongens. Uit het voorwoord van De Zeilsport, van H.C.A. van Kampen (Amsterdam, 1923): `Daar gaat dus het boek de wereld in. Moge het mede bijdragen ter bevordering van onze mooie sport, een sport die bij uitstek Hollandsch is en die echte Hollandsche jongens kweekt!' Dhr. van Kampen was jarenlang de redacteur van De Waterkampioen, dat toen nog een weekblad was. Hollandse boot. » Aakje met een ronde kop en kont, waarop als stootkussen vaak een halve autoband werd gebruikt. Heeft een plat vlak dat voor en achter sterk omhoog buigt. De riemen rusten in uitsparingen in het boeisel, die met ijzerbeslag versterkt zijn. Echt werkschip, dat zeer geliefd was als bijboot van tjalken, klippers en aken. Werd ook als veerboot gebruikt. Hollandse kuil (v). » Kuil met rechtgebreide » boven- en » onderzijd. Hollandse waterlinie. Onderdeel van een verdedigingslinie van de gewesten Holland en (een deel van) Utrecht, die in de 17e eeuw bestemd was om onder water te worden gezet en zo de vijand tegen te houden. De waterlinie kon in 1672 de Fransen nog rechtsomkeert laten maken, maar dat lukte in 1939-1940 niet bij de Duitsers. Holling. Holle kromming in de flanken van de boot zodat deze over het water uitsteken. Holmeslicht. Waterlicht om drenkelingen mee op te sporen. Holte. Grootste afstand tussen het vlak en het dek; diepte van het schip. Home trade (e). Zie Lijnvaart. Hommer. Ook: nommer. Achthoekige of ronde krans onder de masttop, om de stroppen van de stagen omheen te hangen. Zie ook Staand want. Hondefok. (1) (v) Gereefde » fok. (2) Soort takel met twee blokken, onder andere gebruikt om watervaten mee aan boord te hijsen. Hondehok. Deel van de kajuit dat boven het kajuitdak uitsteekt om plaatselijk stahoogte te krijgen. Hondekooi. Kleine slaapplaats in achterste deel van de opbouw van een jacht, waarbij een deel zich naast de kuip onder het gangboord of onder de kuipbank bevindt. Hondewacht. De » wacht van twaalf uur 's nachts tot vier uur 's ochtends. Aan boord is het etmaal verdeeld in zes wachten van vier uur. Een deel van de bemanning is aangewezen voor iedere wacht, gedurende welke tijd zij het gewone werk doen onder bevel van een der stuurlieden. De zeilmaker, de timmerman en de kok lopen geen wacht. In het Engels noemt men de hondewacht `middlewatch' of `mid-to-four watch'. De Engelse `dogwatch' heet bij ons » platvoetwacht. Zie ook Graveyard watch. Hondsend. (1) Dik uiteinde van een nieuwe tros, die net uit de lijnbaan komt. (2) Spaanse takeling. Hondsvot. Een metalen oog aan een blok waaraan bij een takel het uiteinde van de ingeschoren lijn wordt vastgemaakt. Hongkong. Stoomboot die op 18 maart 1921 verging in de Zuidchinese Zee. Meer dan duizend opvarenden kwamen daarbij om. Hoofd. Een opstaande rand rondom openingen in het dek zoals luik of kuip, die dient ter versterking en tegen binnendringen van water. Hoofdeschoot (v). Dwarsschot in de » bun. Hoofdofficier (m). Officier van de zeekrijgsmacht met de rang van kapitein-ter-zee, kapitein-luitenant-ter-zee of luitenant-ter-zee der eerste klasse. Hoofdspant. » Grootspant. Hoofdstoker (m). Hoofd Technische Dienst (HTD), vroeger Hoofd Machinekamer (HMK). Hoofdwant. » Want dat ongeveer ter hoogte van de zaling aangrijpt en dwars op het schip staat, recht onder het » topwant. Zie ook Dubbel hoofdwant. Hoog aan de wind. Ook: scherp zeilen. Zeilen onder een zeer kleine hoek t.o.v. de wind. ![]() Hoogaars. Zeeuws platbodemjacht met een lange, rechte, sterk vallende voorsteven. De hoogaars heeft een plat vlak en uitvallende zijden, die boven het » berghout weer naar binnen vallen, en werd onder andere gebruikt voor de visserij in ondiepe wateren. De hoogaarsen van de vissers voerden een spriettuig, maar als jacht is de hoogaars gaffelgetuigd. Zie afb. 18. Hoog en droog. Positie van een boot die met » springtij gestrand is en pas weer vlot gebracht kan worden bij het volgende springtij. Hoogheemraadschap. » Waterschap, met name belast met de zorg voor de zeewaterkeringen in een bepaald district. Het dagelijks bestuur bestaat uit een » dijkgraaf en hoogheemraden. Hoog sturen. Het onder zo klein mogelijke hoek t.o.v. de wind sturen zonder op te knijpen. Zie Opknijpen. Hoogte berekend (Hber) (n). De berekende zonshoogte zoals die gemeten zou worden vanuit de plaats van de (aangenomen) waarnemer. Hoogtekromme (n). Een afbeelding op een mercatorkaart van de cirkel, waarop zich alle waarnemers bevinden die op hetzelfde ogenblik de zon onder dezelfde hoogte meten. Hoogtelijn (n). Een rechte lijn die een deel van de » hoogtekromme benadert. Hoogte waar (Hwaar) (n). De werkelijke zonshoogte op een bepaald moment, dat wil zeggen de sextanthoek gecorrigeerd voor instrumentale fouten, ooghoogte, refractie, parallax en semidiameter afwijking. Hooischip. » Rietaak. De Hoop. Zie Hospitaalschip. Hoos. (1) Deel van het vaartuig van waaruit het binnengekomen water overboord gehoosd of gepompt wordt. (2) (v) Leren waadpak. (3) » Asbroek. Hoosgoot. Goot naar de » hoos (1). Hooslan(ing)en. Losse planken die de » hoos (1) afdekken. Hoosvat. Elk middel dat gebruikt wordt om te » hozen. Hopper. Vaartuig met een open laadruimte en een losklep van onderen, om bagger in zee of een ander water te storten. Hopperzuiger. Zandzuiger die het zand in eigen bun opslaat. Horecapukkel (m). Bierbuik. Hornet. Soort » sharpie. Echt wedstrijdzeilbootje, dat getuigd is met torenzeil en fok. L.O.A. 4,88 m., breedte 1,40 m., zeiloppervlak 11,20 m². Hors. Zandplaat in zee die met vloed bijna geheel onderloopt. Hors de manoeuvre (m). Soort huzarensalade. ![]() De laatste De Hoop (De Hoop IV) kwam in 1964 in de vaart en werd per 1 januari 1989 uit de vaart genomen. In 2008 werd het schip gebruikt voor een film over de jaren '60 zeezender Radio Caroline. 'The Boat That Rocked' van Richard Curtis. In die film heette het schip Radio Rock en werd uitgerust met twee namaak zendmasten. Het schip werd op 14 januari 2008 verkocht aan Timor Offshore Management Ltd. op Cyprus en omgedoopt tot Timon Challenger. Het werd geregistreerd in Panama om te gaan functioneren als guardschip bij een kabellegproject in de Golf van Oman. Hot coat (e). Bovenste deklaag. Hot-dogging (e). (1) (k) Stuntvaren op wildwater. (2) (s) Acrobatiek op de surfplank; voorloper van » freestyle. Houarigetuigd. (Van wherry). Zeiltuig waarbij de » gaffel zo hoog is opgetrokken, dat deze vrijwel een verlengde van de mast vormt. Houarizeil. De (meestal lange) » gaffel is bij dit zeil zeer steil gepiekt, zodat het vrijwel driehoekig van vorm is, net als het » torenzeil. Een schip met een houarizeil heeft daarom nog enigszins de voordelen van een schip met een torenzeil, maar het heeft ook het voordeel van een niet zo'n hoge mast. Houthaler. » Kat. Houtluis (Atropos pulsatorius). Treft men dikwijls op oude houten vissersschepen aan. De houtluis voedt zich met doorweekt hout. Zie ook Boorders. Houtschip. Schip dat een gedeelte van de houtlading aan dek vervoert. Een dergelijk schip mag zwaarder geladen zijn dan normaal. Houtvuur (Merulius lachrymans). Zeldzame, maar desalniettemin de meest gevreesde vorm van houtbederf, die soms wel 7,5 mm. per dag kan voortschrijden. Het aangetaste hout moet worden verbrand en het overige hout moet tot ver voorbij de verschijnselen worden verwijderd. Houwer. » Kaar. Hovercraft (e). » Luchtkussenvoertuig. Het Engelse woord "hover" betekent "zich verheffen", en dat is precies wat de hovercraft doet. Het Engelse woord "hoover" betekent "zuigen", dus "hoovercraft" is absoluut fout. Hozen. Water uit de boot scheppen. Hr.Ms.. Afkorting van Hare Majesteits. Hr.Ms. Karel Doorman = Hare Majesteits Karel Doorman. H-serie. De 5 schepen van de Amsterdamse rederij Spliethoff waarvan de naam begint met een H: Heemskerkgracht, Heerengracht, Houtman, Hudsongracht en Humbergracht. Zie ook A-serie, B-serie, E-serie, K-serie, L-serie en P-serie. Hsin Yu. Chinese stoomboot die op 29 augustus 1916 zonk voor de Chinese kust. Daarbij kwamen meer dan duizend opvarenden om het leven. HSM. Hollandse Stoomboot Maatschappij. HSS-ferry. High-speed Sea Service ferry. Aluminium catamaran van 124 meter lang en 40 meter breed, die met een snelheid van 45 mijl per uur kan varen. Deze supersnelle veerboot heeft een accommodatie voor 1500 passagiers en een capaciteit voor 50 vrachtauto's en 100 personenauto's. HTD (m). Hoofd Technische Dienst. Huid. Beplating of beplanking van de zijkanten van het schip; buitenbekleding. Huidafsluiter. Klep die door de wand van de boot heengaat, onder andere om het koelwater voor de motor binnen te laten en het onderwatertoilet door te spoelen. Moet worden afgesloten als de boot langere tijd buiten gebruik is. Huidgang. Horizontale reeks huidplaten van een schip, die zoveel mogelijk van het voor- naar het achterschip doorlopen. Huidplaat. Ieder van de platen waaruit de buitenhuid van ijzeren of aluminium schepen bestaat. Huidplank. Ieder van de delen waaruit de buitenhuid van houten schepen bestaat. Huik. Hoes van geteerd of geolied zeildoek, om voorwerpen tegen vocht en vuil te beschermen of als dekkleed voor een opgedoekt zeil. Huizing. » Marlijn. Hulk. (1) Smal, overnaads gebouwd groot zeilschip, meestal met één of twee » vierkantgetuigde masten, later met bezaantuig, dat van de 14e tot de 16e eeuw in Europa als vrachtschip werd gebruikt. Is voortgekomen uit de » kog. Had losse kastelen op het voor- en achterdek en werd vooral in de noordelijke wateren gezien. Later onderging het schip talloze wijzigingen. (2) Onttakeld schip dat dienst doet als kantoor, hotel, huisvesting voor studenten, asielzoekerscentrum enzovoort. (3) » Casco. Hull (e). Romp. Hulpkruiser. Snelvarend koopvaardijschip dat tijdelijk als oorlogsschip is ingericht. Hulploon. `Voor de hulp, met gunstig gevolg verleend aan in gevaar verkerende schepen, de zich aan boord bevindende goederen, de vracht en de opvarenden, voor het redden van het leven van de schipbreukelingen en voor het bergen van driftige en aangespoelde zaken, is hulploon verschuldigd.' Aldus artikel 552 van het Wetboek van Koophandel. `Met gunstig gevolg' betekent no cure, no pay. Bovendien moet er sprake van werkelijk gevaar zijn geweest. In geval van geschil wordt de hoogte van het hulploon door de rechter vastgesteld, maar van 50 tot 100% van de waarde kan in Nederland niet gauw sprake zijn, tenzij de waarde van het geborgene erg laag is. Hulpverlening. Artikel 785 van het Wetboek van Koophandel luidt: 1. De schipper is verplicht aan personen die in gevaar verkeren, en in het bijzonder als zijn schip bij een aanvaring betrokken is geweest, om de andere daarbij betrokken schepen en personen, die zich aan boord van die schepen bevinden, de hulp te verlenen waartoe hij bij machte is zonder zijn eigen schip en de opvarenden daarvan aan ernstig gevaar bloot te stellen. 2. Hij is bovendien verplicht, voorzover hem dit mogelijk is, aan de andere bij de aanvaring betrokken schepen op te geven de naam van zijn schip, van de plaats waar het thuis hoort, van de plaats vanwaar het komt en waarheen het bestemd is, alsmede inzage te verstrekken van het bewijs van inschrijving in het register. Hulpzon (n). Denkbeeldig hemellichaam dat in één jaar met eenparige snelheid de » ecliptica doorloopt. Humbers (v). Trossen kurken op » reepnetten. Humboldtstroom. Ook Perustroom. Zeestroom van zo'n 2400 mijl lang langs de kust van Zuid-Amerika. Deze stroom bracht Thor Heyerdal met zijn vlot naar de » Zuidequatoriaalstroom en in 101 dagen voer hij van Peru naar de Polynesische eilanden in de Zuid-Pacific, met een gemiddelde van 42,5 mijl per dag. Humpback (e). » Bultrug. Humper (e). Grote golf. Hunt (e) (w). Ook: overstagduel. Bij het » matchracen het manoeuvreren in de richting van de tegenstander die verplicht is om vrij te blijven, met de bedoeling verwarring te stichten of de andere deelnemer een overtreding te laten begaan. In 1993 werden de wedstrijdreglementen van de America's Cup gewijzigd ten gunste van het jacht met voorrang, waardoor er meer van deze tactiek gebruik werd gemaakt. Veel onervaren televisiepresentatoren snappen helaas nog steeds niet goed wat deze tactiek van het matchracen omhelst. Hunter 19. Trailerbaar zeiljacht met bakdek en ophaalbaar midzwaard, met slaapaccommodatie voor 4 personen. L.O.A. 5,78 m., breedte 2,40 m., zeiloppervlak 15,20 m². Hunter 23.5. Trailerbaar zeiljacht met bakdek en ophaalbaar midzwaard, met slaapaccommodatie voor 5 personen. L.O.A. 7,21 m., zeiloppervlak 23,60 m². Hunter 26. Trailerbaar zeiljacht. L.O.A. 7,85 m., breedte 2,73 m., zeiloppervlak 27 m². Hunter 29.5. Zeiljacht met accommodatie voor zes personen. L.O.A. 9 m., zeiloppervlak 36,90 m². Hunter 40.5. Comfortabel polyester toerzeiljacht. L.O.A. 12,23 m., breedte 4,09 m., zeiloppervlak 81,20 m². Hunter 280. Polyester rondspant zeiljacht met vier vaste slaapplaatsen. L.O.A. 8,46 m., breedte 2,89 m., zeiloppervlak 35,30 m². Hunter 336. Comfortabel, goed afgewerkt polyester toerzeiljacht, met vaste slaapaccommodatie voor 4 personen en 3 salonslaapplaatsen. L.O.A. 10,45 m., breedte 3,60 m., zeiloppervlak 53,50 m². Hunter 430. Polyester rondspant zeiljacht met vier tot zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 12,95 m., breedte 4,27 m., zeiloppervlak 90,10 m². Hunter 707. Polyester rondspant wedstrijd-zeiljacht met vier vaste slaapplaatsen. L.O.A. 7,07 m. breedte 2,50 m., zeiloppervlak 30 m². Hunter Horizon 21. Trailerbaar polyester rondspant zeiljacht met vier vaste slaapplaatsen. L.O.A.6»,40 m., breedte 2,26 m., zeiloppervlak 15,80 m². Hunter Horizon 30. Polyester rondspant zeiljacht met zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 9,14 m., breedte 2,85 m., zeiloppervlak 32,50 m². Hunter Pilot 27. Polyester rondspant zeiljacht met vijf tot zes vaste slaapplaatsen en een groot dekhuis, waarin een salon en een binnenstuurstand zijn ondergebracht. Het jacht voert een grootzeil en een fok. L.O.A. 8,08 m., breedte 2,75 m., zeiloppervlak 28 m². Hunter Ranger 265. Polyester rondspant zeiljacht met zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 8,17 m., breedte 2,75 m., zeiloppervlak 27 m². Huppelwater. (1) Golfstillende olie. (2) Smeerolie. (3) Jenever. Hurst plotter (n). Gepatenteerd instrument dat bestaat uit een transparant plastic coördinatenstelsel, een draaibare cirkel met kompasmarkering en een beweegbare arm. Zie ook Breton plotter. Hut! (k) Signaal van de achtervaarder aan de voorvaarder om van slagkant te wisselen. Hut. Nachtverblijf aan boord voor passagiers en bemanning. Hutarrest (m). Strafvorm voor officieren en onderofficieren. Hutjongen. Bediende voor de hutten. Hutkoffer. Ook: zeemanskist. Grote bagagekist, vaak voorzien van een met zeildoek overtrokken deksel en versierd met franje, die ook als kast kon dienen. Huttendek. Scheepsdek waarop de hutten uitkomen. Huttenplan. Plattegrond van de ligging van de hutten op een passagiersboot. Hutting 40. Aluminium s-spant zeiljacht met vier vaste slaapplaatsen. L.O.A. 12,20 m., breedte 3,60 m., zeiloppervlak 98,10 m². HVC. Radiotelefonieterm. Haven Verkeers-Centrale. HW (n). Hoog water. Hwaar (n). » Hoogte waar. HWTK. Hoofdwerktuigkundige. Meestal de eerste machinist. Hydeschroef. Ook: feathering propeller. Scheepsschroef waarvan de bladen bij stilstaande schroef door de waterdruk automatisch in de richting van de waterstroom worden gezet, zodat tijdens het zeilen de weerstand klein is. Hydraulische getijstroom. Getijstroom die ontstaat door niveauverschillen, veroorzaakt door verschillen in getijhoogte of hoogwater aan de twee uiteinden van een zeestraat. Zie ook Kelvingolf. Hydrofobie. Watervrees. Hydrofoil. » Draagvleugelboot. Hydrografie. De beschrijving van de wateren aan het aardoppervlak, om betrouwbare zeekaarten te vervaardigen en bij te houden. Hydroplaan. Ook: glijboot. Een door luchtschroeven voortbewogen vaartuig met zeer weinig diepgang. Wordt veel gebruikt in moerasgebieden en mangroven, bijvoorbeeld de Everglades. Hydrosfeer. Al het water dat zich in vloeibare vorm op aarde bevindt. Hylas 44. Polyester zeiljacht met
zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 13,46 m., breedte 4,11 m., diepgang 1,83
m.
![]() ![]() Hypothermia (e). » Onderkoeling. Zie ook Cold shock. |
A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z . . Email: jackvanderwyk@yahoo.co.uk