



A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z
| I
IACC. International America's Cup Class. Zie America's Cup. IALA (n). International Association of Lighthouse Authorities. Eén van de twee » betonningsstelsels die in Nederland in gebruik zijn. IALA-A is het Europese systeem, waarbij rood aan bakboord blijft; IALA-B is het Amerikaanse systeem, waarbij de rode boeien zich aan stuurboord bevinden. Zie ook SIGNI. Ibis. Reiger van de Nijl, die door de Egyptenaren als een godheid werd vereerd. Als men door het Suezkanaal vaart is het zinnig deze vogels met rust te laten. IBSA. International Board Sailing Association. ICF. International Canoe Federation. ICOMIA. Overkoepelende organisatie van » HISWA's. IDL. International Date Line. Internationale datumgrens. ID-nummer. Rechtstreeks 7-cijferig telefoonnummer van een schip via satellietcommunicatie. Het telefoonnummer van de Achtergracht is bijvoorbeeld 1300373. Idylle 10.50. Zeer veelzijdig en handelbaar polyester zeiljacht. L.O.A. 10,50 m., zeiloppervlak 58 m². Idylle 11.50. Echt Benéteau-zeiljacht met zeer goede vaareigenschappen. L.O.A. 11,50 m., zeiloppervlak 69,70 m². Idylle 13.50. Sportief en uitermate comfortabel zeiljacht, dat met weinig bemanning gezeild kan worden. L.O.A. 12,90 m., zeiloppervlak 98 m². Ienmesk (v). Maas waarvan één van de vier zijden gebroken is. IFKS. Iepen Fryske Kampioenskippen.
In 1981 opgericht voor skûtsjesilers die door de strenge regels van
de » SKS buiten de boot vielen. Zie ook Skûtsjesilen.
IJsbank. Massa opeengestapelde ijsschotsen die de doorvaart van een zee of rivier belemmert. IJsbreker. (1) Schip met zware motoren en versterkte boeg, dat speciaal is gebouwd om het ijs te breken en opzij te schuiven. (2) Losse bekleding van planken om een schip heen, om het tegen de botsingen van de ijsschotsen te beschermen. IJsbunkerschip. Schip waar in de
ruimen door middel van ammoniak ijs wordt geproduceerd, voor het conserveren
van vis op vissersschepen.
IJsselmeer. Deel van de vroegere Zuiderzee, tussen Muiden en de Afsluitdijk. Oorspronkelijke oppervlakte 3500 km², na inpoldering nog maar 1200 km². De gemiddelde diepte is 3,5 meter. De dijk van de Houtribsluizen bij Lelystad naar Enkhuizen heeft het IJsselmeer in een noordelijk en een zuidelijk gedeelte opgesplitst. Het zuidelijk deel heet Markermeer en gaat over in het IJmeer. Er heerst een beruchte korte golfslag en het kan er behoorlijk spoken. IJsversterking. De moderne kustvaarders die regelmatig in Scandinavische wateren vertoeven, zoals die van Wagenborg in Delfzijl en Spliethoff in Amsterdam, zijn allen voorzien van ijsversterking. IJzer (v). Haardplaat, te onderscheiden in de liggende en de staande haardplaat. IJzeren man. De automatische stuurinrichting. I-maat. Zeilmakersterm. De lengte
langs de mast van het dek tot het aangrijpingspunt van het voorstag. Zie
ook P-maat, J-maat, LP-maat en E-maat.
![]() . IMCO. Intergovernmental Maritime Consultative Organization. Organisatie van de Verenigde Naties die zich sinds 1958 bezighoudt met het opstellen van richtlijnen voor veiliger scheepvaart, betere navigatie en schonere zeeën. Gevestigd te Londen. IMO. International Maritime Organization, gevestigd te Londen. Organisatie van de Verenigde Naties die zich sterk maakt voor internationale samenwerking op scheepvaartgebied. IMO-nummer. Internationaal erkend 7-cijferig identificatienummer, onverbrekelijk verbonden met het schip. Het IMO-nummer van de Barentzgracht is bijvoorbeeld 7929633. Zie ook Roepsein. Impellerlog. Ook: waaierlog. Log die onder water aan de romp is bevestigd. De omwentelingen van de impeller (waaier) worden mechanisch of elektronisch doorgegeven aan een snelheids- en afstandsmeter. Imperator. Dit Duitse passagiersschip was in 1913 het grootste passagiersschip ter wereld. Op 21 april 1913 vertrok het voor een proefvaart uit Hamburg naar Amerika, maar het liep al in de Elbe aan de grond. IMS. International Measurement System. Nederland speelde een voortrekkersrol in de ontwikkeling van dit eenheidsstelsel. Inbakken (v). In manden » opschieten van de lijnen gedurende het halen. Inboegseren. Een schip met sloepen in de haven of naar de ligplaats slepen. In de boeien. Positie van een boot die onbeweeglijk met de neus in de wind ligt en naar geen kant kan uitwijken. In de laag brengen. Zodanig afmeren dat alle vaartuigen met hun achterschip loodrecht op de steiger liggen, terwijl vóór een anker uitstaat. Indexfout (n). Fout van het hoekmeetinstrument die samenhangt met lichte verdraaiingen van de kimspiegel. De waarde van de indexfout dient voor elke observatie opnieuw te worden vastgesteld. We onderscheiden een negatieve en een positieve indexfout. Indicator. Beeldscherm van de » radar. Indische Oceaan. De kleinste oceaan. Omvat inclusief de randzeeën 14,5% van het aardoppervlak. Wordt begrensd door het vasteland van Afrika, Azië en Australië. Indompelingsgrenslijn. Volgens het schepenbesluit een lijn, gedacht op het scheepsboord, evenwijdig aan en op een afstand van 76 millimeter onder de aansnijding van de bovenzijde van het schottendek met dit boord. Zie Diepgangsmerk. In dos (v). In de war. Zie ook Dossig. Indrinken (m). Iemand die voor het eerst aan boord van een onderzeeër is moet in de eerste buitenlandse haven vijf blikjes bier uit een grote pul drinken. Inglefield clip. Middel voor het vastmaken van spinnakerschoten enz. Bestaat uit twee in elkaar sluitende ringen. Inhalen (v). Het krimpen van de wind. Inhaler (s). Touw dat mast en giek verbindt. Inhouten. Alle dwarsscheepse en opstaande verbanddelen van een schip, zoals spanten, zetters, liggers en wegers. Inkel (v). » Enkel. Inkelband (v). Strook in een fuik met dubbele mazen i.v.m. aanhechting van het » enkel. Inkelen (v). Spannen van de » inkelsnoeren van een fuik. Inkelsnoeren (v). Lijntjes waarmee het » enkel van een fuik uitgespannen wordt. Inklaren. Het vervullen van de douaneformaliteiten voor inkomende transporten. `Het schip is ingeklaard.' Inknevelen (v). Twee netten of lijnen aan elkaar bevestigen d.m.v. een knevel. In komplot (v). De snelste » botter van een ploeg brengt de gezamenlijke vangst naar de markt. Inlopen. (1) Al lopend iets binnen boord trekken. `Loop jij die tros even in?' (2) M.b.t. een aanvaring: `Het schip is aan stuurboord ingelopen.' INM. International Nautical Mile. » Mijl. Inmarsat-C. Satelliet voor tele(x)communicatie. Inrigged (e). Zegt men wanneer de dollen van een roeiboot op de boorden zijn aangebracht, in plaats van daarbuiten. Zie ook Outrigged. Inpik. In de roeisport het indompelen van het blad van de riem in het water. `Inpik, slag, uitpik, overhaal.' Ins-and-Outs (e) (s). Halvewindse afvalrace, als onderdeel van funboardwedstrijden. Inschepen. Aan boord gaan om in elk geval de eerstkomende reis mee te maken. Inscheren. Het eind van een lijn (loper) door een oog, een » blok of door de blokken van een takel steken en de lijn zo ver doorhalen als nodig is. Inshore (e). Term die voornamelijk wordt gebezigd door beroepsduikers. » Offshore-activiteiten vinden buitengaats plaats; bij inshore-activiteiten gaat het om werkzaamheden in de binnenwateren. Inslingeren. Ook: inschommelen. Het (weer) wennen aan de zeegang. `Ik moet telkens weer een halve dag inslingeren.' Inslingertijd. Ook: Schulerperiode of ongedempte slingertijd. De tijd die de projectie van de gyroscoop van het » gyrokompas nodig heeft om de ellips te doorlopen. Voor het dempen van de slingering van de tolas is een dempingssysteem nodig. Pas wanneer de slingering is gedempt en de tolas in ruststand de noordrichting aangeeft, kan van een kompas worden gesproken. Inspit. » Helmstok. Insteker. Middelste deel van het boeisel van een botter. Instelring. Verstelbare ring op een duikershorloge of kompas. Geeft de uitgangstijd of uitgangspositie aan. Insurance certificate (e). Verzekeringsbewijs. Intercept (n). De afstand tussen de cirkel waarop de aangenomen waarnemer zich bevindt en de cirkel waarop de waarnemer zich op het moment van de zonsmeting werkelijk bevindt. Interface (n). Soort koppeling. Elektronisch apparaat dat de gegevens van de navigatiecomputer `vertaalt' naar de automatische stuurinrichting. Interkoeling. Koelsysteem van scheepsmotoren, waarbij steeds dezelfde hoeveelheid zoet water wordt gebruikt. Zie ook Buitenboordkoeling en Kielkoeling. ![]() Internationaal spellingsalfabet. A Alpha I India Q Quebec Y Yankee B Bravo J Juliett R Romeo Z Zulu C Charly K Kilo S Sierra D Delta L Lima T Tango E Echo M Mike U Uniform F Foxtrot N November V Victor G Golf O Oscar W Whiskey H Hotel
P Papa
X X-ray
Intershipverkeer. Ook: schip-schipverkeer. Radiotelefonieverkeer tussen schepen onderling. Is voor de Rijn en binnenwateren slechts toegestaan op de kanalen 10 en 13 van de marifoon, en dan nog met gereduceerd vermogen. De kanalen 6, 8 en 13 zijn bestemd voor het intershipverkeer op zee, waarbij kanaal 13 slechts mag worden gebruikt voor de coördinatie van scheepsbewegingen en andere op de veiligheid betrekking hebbende communicatie tussen schepen onderling. Zie ook GMDSS. Int.Qk.Fl. (n). Interrupted quick flashing. Aanduiding op de zeekaart die betekent dat het hier gaat om een snel flitslicht dat wordt onderbroken. Intrashipverkeer. Radiotelefonieverkeer tussen twee of meer » portofoons op één schip. Jachten krijgen in principe geen vergunning voor het gebruik van dergelijke portofoons, maar de regels worden versoepeld. Inundatie. Onderwaterzetting van land om de vijand tegen te houden. Zie ook Hollandse waterlinie. Invalling. Binnenwaartse kromming van de flanken van de boot naar de bovenkant. Inwale (e). Binnenlijst; binnenrand van de boordlijst. IOR (w). International Offshore
Rule, het gebruikelijke systeem om de handicap voor een zeewedstrijdjacht
te berekenen.
Iron clad (e).
Schip met een conventionele houten romp, maar bekleed met één
of meerdere lagen ijzeren platen.
Island Packet 37. Polyester s-spant zeiljacht met zeven vaste slaapplaatsen. L.O.A. 12,20 m., breedte 3,70 m., zeiloppervlak 74,30 m². Island Packet 40. Polyester rondspant zeiljacht met zeven vaste slaapplaatsen. L.O.A. 12,70 m., breedte 3,90 m., zeiloppervlak 84,30 m². Iso (n). Ook: isofase. Aanduiding op de zeekaart die betekent dat een lichtsignaal even lang is als de donkere periode die erop volgt. `Iso 4s' betekent dus een lichtsignaal van 4 seconden, na 4 seconden gevolgd door een volgend lichtsignaal van 4 seconden, enzovoort. Zie ook F, Fl, Mo(K), Oc, Q en VQ. Isobaren. Lijnen die alle plaatsen met dezelfde atmosferische druk met elkaar verbinden. Isofasen. » Iso. Isogonen (n). Lijnen die punten van gelijke » variatie met elkaar verbinden. Isothermen. Lijnen die alle plaatsen
met dezelfde temperatuur met elkaar verbinden.
ITU. International Telecommunication Union. Organisatie van de Verenigde Naties, gevestigd te Genève, die onder andere de internationale regels ten aanzien van roepnamen van schepen en zendinstallaties opstelt. IWC. Internationale Walvisvaartcommissie. Organisatie, in 1946 opgericht te Washington, die tracht de jacht op walvissen en andere zeezoogdieren te beperken. Tot de jaren zestig heeft de commissie nauwelijks iets bijgedragen aan het welzijn van de walvis. De effecten van de walvisvangst op de populatie werden veel te optimistisch ingeschat. Pas in de jaren die daarop volgden begon men zich meer aan te trekken van de wetenschappelijke onderzoeksgegevens op dit gebied. Tegenwoordig functioneert de commissie vrij redelijk. IWNA. Intracoastal Waterway Navigation Aids. IWS. International Windsurfing Schools. IWSF. International Water Ski Federation. Organisatie die sinds 1949 elke twee jaar internationale waterskiwedstrijden organiseert, met deelnemers uit 77 landen. IYRU. International Yacht Racing
Union. Organisatie die internationale zeilwedstrijden organiseert en
regels vaststelt.
J Jaaghout. Verlengstuk aan de » boegspriet, rondhout waarmee op jachten de jager wordt uitgezet. Jaaglijn. (1) Lijn waaraan een boot of schip vanaf de wal wordt voortgetrokken. (2) Touw waarmee een dikke tros aan de wal wordt getrokken. Jaagpad. Pad langs een vaart, van waaraf men een trekschuit met een jaagpaard voorttrekt. Jaagstuk. Kanon op het voorschip. Jacht. Hiermee wordt doorgaans een kajuitjacht bedoeld, in tegenstelling tot een » halfgedekte- of » open boot. Vroeger in de betekenis van snelvarend zeilschip of jager. Jachthaven. Speciaal gebouwde haven, waar jachten meestal een vaste ligplaats hebben. Zie ook Box en Passantenhaven. Bij het begrip “jachthaven” denken veel mensen aan een marina, met stijlvolle klassieke zeiljachten, een stijlvol restaurant, in een stijlvolle omgeving. Maar zodra men gaat zwaaien met termen als “gezellige jachthaven” zijn wij op onze hoede en weten wij dat wij ons in de categorie “gezellige campings” bevinden, waar het begrip “stijlvol” niet thuis hoort. Hier eet men geen chateaubriands maar frikkedellen, hier slingert men de motor van de boot aan om met een gezelschap van tweedehands autohandelaars, drugdealers en andere uitkeringsfraudeurs dronken te worden in Den Bosch. Zeilen? Bende gij gek? Jachthek. De achter-overhang van een schip indien deze zich boven de waterlijn bevindt. Zie ook Platgat. Jachtmakelaars. Makelaars die zijn gespecialiseerd in jachten. Sinds enige tijd is de benaming beëdigd jachtmakelaar vrijgegeven en mag iedereen zich ‘makelaar’ noemen, ongeacht kennis en ervaring. Het gevolg daarvan is dat het aantal personen dat zich "beëdigd jachtmakelaar" noemt spectaculair is toegenomen. Een zeer slechte zaak, want daardoor is het kaf niet meer van het koren te onderscheiden. » DOC-Maritiem verzorgt een erkende opleiding voor jachtmakelaars, waarvoor een MBO vooropleiding wordt gevraagd. Je kunt binnen zes maanden klaar zijn met deze zelfstudie, en je kunt de studie online volgen. Jachtpomp. » Lenspomp. Jackstag. (1) Stag dat dient om de botteloef naar beneden te houden. (2) Deel van het want waaraan het veiligheidsharnas kan worden bevestigd. Jackstay (e). (1) » Looplijn. (2) Soort reling of touw aan de ra's, waaraan de schepeling die op een » paard staat zich vast kan houden. Zie ook Springpaard en afb. 15. (3) Stalen kabel tussen twee schepen, waarlangs bij het overhevelen van brandstof of drinkwater de slangen geleid worden. Jack Tar. Bijnaam voor Engelse matroos. Jack-up. Booreiland waarvan de poten kunnen worden opgehaald, zodat het van het ene veld naar het andere gesleept kan worden. Jacobsladder. Touwladder met houten sporten, die op barken aangebracht is achter de bovenbramstengen en naast de top van de bezaansmast. Jacobsstaf (n). Hoekmeetinstrument dat in de vijftiende eeuw is uitgevonden door de Portugezen. Bestaat uit een houten vierkante lineaal met op elke zijde schaalverdelingen, en haaks daarop een schuiflat. Door de schuiflat zo te houden dat langs de onderkant de horizon en langs de bovenkant een hemellichaam gezien kan worden, is de hoogte van dat hemellichaam op de schaalverdeling van de meetlat af te lezen. Zie ook Kamal. Jagen. Schip vanaf de wal aan de jaaglijn voorttrekken. Jager. (1) Spinnaker, halfwinder, voordewinder, grote kluiver, buitenste kluiver. Zie ook afb. 20 en 52. (2) » Boegstuk. (3) Geleider van het paard dat een trekschuit voorttrekt. (4) Torpedojager. (5) Haringjager. Jagerboom. » Spinnakerboom. Jagermast. » Bezaansmast. Jagersschouw. Ook: schietschouw. Houten » schouw van 3.60 tot 4.50 m. lengte. Werd gebruikt om naar het jachtgebied te varen en daar vanaf de schouw te jagen. Het draagvermogen was net groot genoeg voor het vervoer van twee mannen. Jagerval. » Spinnakerval. Jaguar 25 MKII. Modern en comfortabel zeiljacht. L.O.A. 8 m., zeiloppervlak 29,40 m². Jantje. Marineman in het algemeen (in tegenstelling tot marinier) of matroos van de Koninklijke Marine in het bijzonder. `Daar komen de Jantjes!' Jan van der Heyde III. De enige » blusboot van de Amsterdamse brandweer. Op 31 augustus 1995 brak er brand aan boord uit. De schade bedroeg enkele tonnen. Jas en tas bij de portier (m). Van de opleiding verwijderd worden. `Je houdt je aan de regels, maat, anders is het jas en tas bij de portier.' Javazee. Zee die wordt begrensd door de Indonesische eilanden Java, Sumatra en Borneo, alsmede door de Floreszee. Gemiddeld 45 meter diep. Jeanneau Attalia 32. Comfortabel polyester toer- en wedstrijdzeiljacht, met slaapaccommodatie voor zes personen. L.O.A. 9,70 m., zeiloppervlak 51,60 m². Jeanneau Eolia. Elegant polyester toerzeiljacht, met slaapaccommodatie voor vier personen. L.O.A. 7,50 m., zeiloppervlak 30 m². Jeanneau Espace 990. Met een motorvermogen van 27 tot 50 pk maakt dit polyester toerzeiljacht de motorsailer overbodig. L.O.A. 10,35 m., zeiloppervlak 54,50 m². Jeanneau Espace 1100. Zeer ruim en comfortabel polyester toerzeiljacht, met slaapaccommodatie voor zes personen. Heel geschikt voor langere zeereizen. L.O.A. 11,50 m., zeiloppervlak 61 m². Jeanneau Fun. Snel en sportief polyester zeiljacht. L.O.A. 7,50 m., zeiloppervlak 29,50 m². Jeanneau One Design 24 (JOD 24). Modern, snel, goed ontworpen polyester toer- en wedstrijdzeiljacht, met eenvoudige slaapaccommodatie voor 4 personen. L.O.A. 7,20 m., zeiloppervlak 38,10 m². Jeanneau Selection. Heerlijk, comfortabel en licht bestuurbaar polyester toerzeiljacht, met slaapaccommodatie voor acht personen. Heel geschikt voor langere zeereizen. L.O.A. 11,65 m., zeiloppervlak 70,25 m². Jeanneau Sun Fast 20. Trailerbaar zeiljacht met vier slaapplaatsen. L.O.A. 6,20 m., breedte 2,39 m., zeiloppervlak grootzeil 12 m², fok 7 m², gennaker 28,20 m². ![]() Jeanneau Sun Fast 32. Polyester rondspant zeiljacht met vier vaste slaapplaatsen. L.O.A. 9,50 m., breedte 3,30 m., zeiloppervlak 53,40 m². Jeanneau Sun Kiss 45. Zeer fraai en comfortabel transatlantisch polyester zeiljacht. L.O.A. 13,75 m., zeiloppervlak 102,10 m². Jeanneau Sun Light 30. Modern polyester familiezeiljacht. L.O.A. 9,15 m., zeiloppervlak 48 m². Jeanneau Sun Odyssey 24.1. Polyester rondspant zeiljacht met vier slaapplaatsen. L.O.A. 7,65 m., breedte 2,49 m., zeiloppervlak 25,50 m². Jeanneau Sun Odyssey 28.1. Polyester rondspant zeiljacht met zes slaapplaatsen. L.O.A. 8,70 m., breedte 3 m., zeiloppervlak 38 m². Jeanneau Sun Odyssey 32.1. Polyester rondspant zeiljacht met vier slaapplaatsen. L.O.A. 9,50 m., breedte 3,30 m., zeiloppervlak 48,10 m². Jeanneau Sun Odyssey 37.1. Polyester rondspant zeiljacht met zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 11,40 m., breedte 3,89 m., zeiloppervlak 68,50 m². Jeanneau Sun Odyssey 42.1. Polyester rondspant zeiljacht met acht vaste slaapplaatsen. L.O.A. 12,80 m., breedte 3,98 m., zeiloppervlak 80,93 m². Jeanneau Sun Rise 34. Elegant en snel, met kevlar versterkt toerzeiljacht. L.O.A. 10,55 m., zeiloppervlak 65 m². Jeanneau Tonic 23. Snel en trailerbaar polyester kajuitzeiljacht, met tweepersoons achterhut. L.O.A. 7,30 m., zeiloppervlak 30 m². Jeanneau Trinidad 48. Mijn droomschip. Bijna het ultieme polyester toer- en wedstrijdzeiljacht, zeer luxueus en zeer zeewaardig. Heel geschikt voor langere zeereizen. L.O.A. 14,50 m., zeiloppervlak 124 m². ![]() Jeep (v). Dik touw dat alle netten geleidt. Jelt. Dwarshout op het einde van een vaarboom of pikhaak. Jetfoil (e). » Draagvleugelboot. Verbeterde versie van de hydrofoil, gebouwd door Boeing. Voorzien van ultramoderne computertechniek, die ervoor zorgt dat de stabiliteit onder alle omstandigheden gewaarborgd is. Jet-ski. Soort waterscooter met hoog motorvermogen. Vaarbewijs verplicht. Jettison (e). Het overboord zetten van lading op zee, voor de veiligheid van schip en bemanning. Jetty (e). (1) Pier. (2) Havendam. (3) Steiger. Jetveer. Zo noemt men de nieuwe veerponten die het centrum van Amsterdam met Amsterdam-Noord verbinden. De Amsterdammers hebben de nieuwe IJ-pont inmiddels al omgedoopt tot `de drijvende couveuse', in verband met het ontbreken van de frisse waterlucht. Jezus-aan-de-rekstok. Zo wordt door Nederlandse zeelui relativerend het gigantische crucifix op de Corcovado-piek genoemd, dat je ziet wanneer je Rio de Janeiro nadert vanuit de Baia de Guanabara. Jib (e). (1) Fok. (2) Kluiver. (3) Giek. (4) Laadboom. (5) Gijpen. Jibe set (e) (w). Het zetten van de spinnaker tijdens een gijp. Jigger. (1) Kleine tweemaster; tjalk; smak. (2) » Druil. (3) Grootzeil van de » jiggermast. Jiggermast. (1) Ook: mizzenmast. Achterste mast van een viermastbark of andere viermaster. (2) Vierde mast op schoeners met vijf masten of meer. (3) » Papegaaistok. (4) Bezaansmast van een kits of yawl. Jijn. Ook: gijn. Soort takel, bestaande uit twee blokken met vijf of meer schijven. Jimmy Green. Bij clippers een vierkant zeil onder de boegspriet. J-maat. Zeilmakersterm. De afstand tussen de mastvoet en de voet van het voorstag. Zie ook P-maat, I-maat, LP-maat en E-maat. John Dory. » Dory. Jojo. Drijvende stukgoedkraan. Jol. (1) Kleine open boot die zowel geroeid als gezeild kan worden. Doorgaans onzinkbaar. (2) Kleinste sloep aan boord. (3) Eenvoudige takel. Jolblok. Eenschijfsblok. Jolly (e). (1) Matroos van de Britse marine. Liefhebbers van Lucky Luke: zie ook Jumper. (2) Jol. Jolly Roger (e). » Zeeroversvlag. Jomper. Touw aan de nok van de dubbele
marsera's, waarmee deze aan elkaar kunnen worden gesjord.
![]() Jonk. Chinees zeilschip met een tot drie masten, waarvan de zeilen doorlopende zeillatten hebben. Heeft een zeer brede kielplank en loopt van voren en achteren sterk op. Meestal niet groter dan 500 » BRT. De naam is overigens afkomstig uit het Javaans. Jonker. » Adelborst. Jonkzeil. Zeil waarbij de zeillatten over de gehele breedte van het zeil van » voorlijk naar » achterlijk lopen. Joon. (1) Soort drijver aan een » reddingsboei, die automatisch uitklapt wanneer de reddingsboei wordt gebruikt en met een vlaggetje of elektronisch lichtsignaal de plaats van de boei markeert. Zie ook EPIRB. (2) (v) Grote dobber die rechtop in het water staat en het vistuig draagt. Joontouw (v). Lijn tussen anker en » joon (2) op de staande haring- of ansjovisnetten. Joppengeld. Geld dat men ontvangt voor een » joppie. Joppie. De berging van een schip. Journaal. Verzamelnaam voor diverse dagboeken met reisaantekeningen, zoals het scheepsjournaal, het machinejournaal, het radiojournaal, het oliejournaal, het kompasjournaal, het tijdmeterjournaal en het meteojournaal. Joystick. (1) » Stuurstok. Verlengstuk van de » helmstok. (2) Het mannelijk geslachtsorgaan. Judasoren. Benaming van de boveneinden van de » apostels. Juffer. (1) Kabbeling van het zeewater bij ebstroom. (2) » Jufferblok. Jufferblok. Een schijfloos, cirkelvormig » blok met een groef op de rand en drie of meer dwarse gaten. Door middel van twee jufferblokken kan een stag met een » talreep worden vastgezet. Juilen. Het gieren en tekeergaan van een stormwind. Juiste koers (w). Volgens het zeilwedstrijdreglement is dit een koers die een jacht, na het startsein en bij afwezigheid van één of meer daarbij betrokken jachten, zou kunnen zeilen om de wedstrijd zo spoedig mogelijk te beëindigen. De voor het loeven of afvallen gezeilde koers kan, maar behoeft niet noodzakelijkerwijs, als de juiste koers van dat jacht worden beschouwd. Juk. Dwarsplankje of stang op het bovengedeelte van het roer, waarmee de boot met lijntjes kan worden bestuurd. Juklijn. Stuurtouw van een roeiboot. Julianakneiter (m). Krentenbrood. Jumper (e). (1) (s) Soort » surfplank. (2) Voorloopkabel van een laadboom. (3) Matrozenkiel. Jurriemast. Noodmast. Jurrietuig. Noodtuig. Jutten. Op het strand aangespoeld materiaal zoeken en zich dit toeëigenen. Zie ook Strandvonderij. Jutter. (1) Hij die zich bezighoudt met » jutten. (2) Ook: Nieuwedieper. Iemand die in Den Helder is geboren en getogen. Juwel 34. Polyester rondspant zeiljacht met zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 10,05 m., breedte 2,50 m., zeiloppervlak 55,30 m². |
A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z . . Email: jackvanderwyk@yahoo.co.uk