| L
Laadboom. Boom die zodanig draaibaar
aan de laadpaal of mast bevestigd is, dat hij zowel in horizontale als
verticale richting kan draaien. Wordt gebruikt om te laden en te lossen
wanneer de middelen daartoe in de haven ontbreken. Zie afb. 25.
Afb. 25. Laadinrichting
Laadhoofd. Rechthoekige, door luiken
afgedekte opening in het dek van een schip, die toegang tot de ruimen geeft.
Laadreep. Staaldraad aan de »
laadboom, waarmee de goederen worden opgehesen.
Laadroef. Potkast. Afneembare verhoging
van de » den.
Laadvermogen. Maximale belasting
van een schip.
Laafnet (v). Groot soort maalnet.
Laag. (1) Evenwijdig aan de wal
afgemeerde rij boten. `In de laag afmeren.' (2) (v) Rij in het zand gelegde,
geaasde haken. (3) (m) De gezamenlijke stukken geschut op hetzelfde dek
van een oorlogsschip. `Geef hem de volle laag.'
Laag water! Het » schaften
is afgelopen.
Labber. Zwak. `Een labber windje.'
Labberdaan. Gezouten kabeljauw.
Labberkoelte. Zeer flauwe wind.
Bas, mijn oudste Labrador Retriever
Labrador Retriever. Wanneer de vissers
uit Newfoundland in de zuid Engelse havenstad Poole de wal opgingen, namen
zij hun trouwe metgezel, de "kleine Newfoundlander", mee. Het duurde niet
lang voordat de Engelse adel attent werd gemaakt op de bijzondere eigenschappen
van het ras. De Engelse hertogen en graven hadden zoveel geld voor de honden
over, dat de vissers afstand deden van hun trouwe metgezellen, en later
zelfs speciaal voor de verkoop "kleine Newfoundlanders" naar Engeland brachten.
De Engelse adel gebruikte de hond voor
de jacht. In 1814 publiceerde kolonel Peter Hawker zijn boek Instructions
to Young Sportsmen, waarin hij onderscheid maakte tussen de grote Newfoundlander
en de kleinere soort, die hij `St. John’s Dog’ of `Labrador’ noemde en
uitermate geschikt achtte voor iedere soort jacht. In latere publicaties
werd deze hond `Labrador Spaniël’ genoemd, en nog later bezigde men
de thans gangbare naam Labrador Retriever.
Labradorstroom. Komt voort uit de
» West-Groenlandstroom. Loopt langs Labrador en brengt veel
ijsbergen naar lagere breedten.
Labskous. Gerecht dat bestaat uit
resten van gezouten vlees, vermengd met aardappelen en uien. In deze eeuw
verving men de restjes gezouten vlees door cornedbeef.
Lactose. Zie Placebo.
Ladderings (v). » Ladders.
Laddermazen (v). » Spiegelmazen.
Ladders (v). Lijntjes tussen boven-
en ondersim van staande netten. Zie Sim.
Laden. Een lading inladen.
Laf. Ook: laf op het roer. Lijgierig.
Neiging van het schip om met de kop van de wind af te draaien.
Lagedrukgebied. » Depressie.
Lagedrukslang. Flexibele slang als
verbinding tussen de » eerste trap en de » tweede
trap van de » ademhalingsautomaat. De druk in de slang
is ongeveer 7 » bar.
Lager. Meer naar » lij
toe.
Lage wal, lagerwal. De kust of oever
waar de wind naartoe waait.
Lagune. Een door een rif of strandwal
geheel of gedeeltelijk van de zee gescheiden watervlakte aan een aanslibbingskust.
Laik (v). Lijk. Touwversterking
langs boven- en onderkant van staande haring- of ansjovisnetten.
Laminaat. Harde kunststoflaag, vaak
bestaande uit glasvezel en kunsthars.
Lamineren. Materialen aan elkaar
bevestigen. Glasmat wordt gelamineerd met polyesterhars om er polyester
van te maken; dunne houtplaten worden gelamineerd om er (bijvoorbeeld)
een houten zwaard of roer van te maken.
Lamme arm. Zijschroef en -as.
Lammetjesmarkt (m). » Assaut.
LANBY (n). Large Automatic Navigational
BuoY.
Lanceerbuis (m). In een schip vastgebouwde
lanceerinrichting.
Land. (1) Een verbinding tussen
twee naast elkaar liggende gangen. (2) Langsnaad van een stalen huid. (3)
Overstekend deel van de huidgangen bij klinkerbouw. (4) Lange zijde van
een huidgang. De korte zijde wordt » stuik genoemd.
Landen (s). Na een surfsprong weer
op het water neerkomen. De achterkant van de plank moet altijd het eerst
het water raken.
Landing (e). Aanlegplaats.
Landingsbrug. In het water uitstekende
steiger voor het in- en uitschepen van passagiers.
Landingsofficier (m). Officier die
het landen van vliegtuigen op vliegdekschepen coördineert.
Landingsvaartuig (m). Snelle boot
die troepen en eventueel rollend materieel van een oorlogsschip aan land
brengt.
Landmerk (v). Twee karakteristieke
oriëntatiepunten op de kust en dieper gelegen land in één
lijn.
Landnameboek. Dit boek, dat omstreeks
1200 door de Vikingen werd geschreven, is een handboek met nautische instructies
voor het bevaren van de zeeën tussen de Shetland Eilanden, de Färöer
Eilanden, IJsland, Groenland, en Vinland (Cape Cod).
Land shark (e). Persoon die
nietsvermoedende zeelui oplicht.
's Lands Zeemagazijn(m). Fors, vierkant
gebouw aan de kant van Kattenburg in Amsterdam, omgeven door het water
van het Oosterdok. In onze eeuw nog gebruikt als Magazijn der Marine. Thans
het Nederlands Historisch Scheepvaartmuseum.
Landschuit. » Grundel.
Afb. 26. De linker landvast is
goed bevestigd,
omdat de onderste landvast moeiteloos
van de bolder kan worden gehaald.
Afb. 27. De landvasten.
1. Boegtros
2. Voorste dwarstros
3. Voorspring
4. Achterspring
5. Achterste dwarstros
6. Hektros
Landvast. Touw waarmee een schip
wordt vastgelegd aan de wal. Men spreekt van boegtros, hektros, voorste
dwarstros, achterste dwarstros, voorste spring en achterste spring. Bij
mij, als ex-zeeman, moet een lijn een behoorlijke omvang hebben voordat
ik het woord `tros' in de mond neem, en het touwwerk aan boord van een
gemiddeld jacht verdient die naam zeker niet. Volendammer vissers zeggen
gewoon `touwtje', en daar hou ik me ook maar bij. Dus: boegtouwtje, hektouwtje,
enz. Zie afb. 26 en 27.
Landziekig zijn. Heimwee naar zee
hebben.
Landziekte. Bewegingsziekte die
in feite het tegengestelde van » zeeziekte is. Na een lange
zeereis voel je de bodem nog onder je voeten deinen, terwijl je al uren
of dagen aan de wal bent. Als je thuis aan de wasbak je tanden poetsts,
beweegt je hele lichaam naar voren en achteren, "met het schip mee".
Lanen. Vloer van de » roef
en het vooronder. Zie ook Laningen.
Langedijker. Soort » schouw
uit Broek op Langedijk. Klein scheepje, waarvan de afmetingen werden bepaald
door de grootte van de sluis in Broek op Langedijk.
Lange dunne (v). Ondermaatse aal.
Lange Jaap. Vuurtoren in Den Helder;
teken van de thuishaven. `Met Lange Jaap in zicht duurt het niet lang meer
voor we achter het gebreien broekje liggen.' Kwam in 1878 gereed en is
64 meter lang. De Lange Jaap is de hoogste gietijzeren toren van Europa
en is bij goed weer van een afstand van 37 kilometer te zien.
Lange lijnen. Ook: buttock lines.
Denkbeeldige lijnen op het scheepsoppervlak, evenwijdig aan het midscheepse
vlak.
Langerak (v). Onderdeel van een
fuik.
Lange stoot. Volgens het »
BPR: een geluidssein dat ongeveer 4 seconden duurt. De tijdruimte
tussen twee opeenvolgende stoten moet 1 seconde bedragen. Zie ook Korte
stoot en Reeks zeer korte stoten.
Langsdennen. Balken die als grondslag
van een scheepshelling in de lengte daarvan liggen.
Langshelling. Bouwhelling die loodrecht
op het water staat en waarvan de schepen in langsrichting aflopen.
Langskuil (v). » Wonderkuil.
Langsscheeps. Evenwijdig aan de
langsas van het schip.
Langsscheepsgetuigd. Tuigage met
meestal driehoekige zeilen, soms met gaffelzeilen, die in het lengtevlak
van het schip hangen. Zie Vierkantgetuigd.
Langswaring. Friese benaming van
» gangboord.
Langszaling. Uitsteeksel aan de
mast naar voren, dat dient als spreider voor het knikstag of als rust voor
de voet van de steng.
Langszij. Langs de zijde van een
schip. `Langszij komen.' `Langszij gaan liggen.'
Laningen (v). Losse vloerdelen,
vlonders.
Lansknie (v). Horizontale krommer
in een grote Volendammer » botter, in de hoek van waterbalk
en boord.
Lantaarn. » Koekoek.
Lapzalven. (1) Teren van het touwwerk
tegen bederf. (2) Met olie inwrijven van staaldraad.
Laser. Zeer handzame, open eenpersoons
midzwaardboot, met zelflozende kuip en uit twee delen bestaande aluminium
insteekmast. L.O.A. 4,23 m., zeiloppervlak 7 m², 56,70 kg. Internationale
wedstrijdklasse.
Laser 28. Snel en sportief, maar
eenvoudig uitgerust polyester zeiljacht. L.O.A. 8,66 m., zeiloppervlak
39 m².
LASH. Lighters Aboard
Ship (lichters aan boord van het schip)-vaartuig. Ook: kangoeroeschip.
Het eerste LASH-vaartuig was de Noorse Arcadia Forrest, opgeleverd
in 19»9.
Lash (e). Vastleggen, vastknopen,
sjorren.
Laskaar. (1) Indische matroos op
Europeaans schip. (2) Flinke, dappere vent.
Last. (1) (v) 10.000 stuks haring.
(2) (v) De vangstquotum voor garnalen per vaartuig. (3) Twee ton gewicht.
Lastage. Plaats waar kon worden
geladen of gelost; werf.
Lastdrager. Balk van het koebrugsdek.
Lastengeld (v). Toelage die aan
de bemanning wordt toegemeten voor elke last aangebrachte haring.
Lastlijn. De waterlijn van het schip
bij de grootste geoorloofde inzinking in zeewater; de grens van het laadvermogen
van een schip.
Lastvlot. Diepgang van een geladen
binnenvaartschip.
LAT (n). (1) Lowest Astronomical
Tide. Het laagste tij dat onder invloed van de zon, de maan en de sterren
kan ontstaan. (2) Hulppuntbreedte.
Lateraal oppervlak. Ook: lateraalvlak.
Rompdeel onder de waterlijn, dwarsscheeps geprojecteerd.
Lateraalpunt. Zwaartepunt van het
» lateraal oppervlak. Bij een surfplank is dit doorgaans het
zwaard.
Lateraal stelsel. » Betonningsstelsel
ter weerszijden van vaarwaters.
Latijnse bezaan. Aan boord van een
VOC-schip het enige zeil dat tot in de midscheeps kon worden aangehaald,
om het schip te laten bijliggen of het tot bijna in de wind te laten oploeven.
Latijnzeil. Driehoekig grootzeil dat
aan een ra gevoerd wordt. Eén van de oudste zeilen uit de geschiedenis.
In de landen rond de Middellandse Zee kom je ze nog tegen, net als in de
Arabische wateren. Zie ook afb. 12. Op Tristan da Cunha zag ik houten vissersschepen
met de aloude latijnzeilen aan de grootmasten en bezaansmasten, en hypermoderne
spinnakers als voorzeilen.
Latitude. Ook: poolshoogte. Geografische
breedte. Zie ook Breedtegraad.
Laveren, opkruisen. Vordering maken
tegen de wind in onder een zo klein mogelijke hoek met de wind, beurtelings
over beide boegen.
Lawerlijn (v). Lijn waarmee de »
dwarskuil aan boord gedraaid wordt.
Lay-by (e). Uitwijkhaven.
Layline (e) (w). Aanzeillijn
naar de eerste boei bij het » matchracen.
Lazaretschip. » Hospitaalschip.
Lazyjacks (e). Ook: zeilvangers.
Lijnen van de mast naar de giek om gereefd het zeil te kunnen laten zakken.
Voorkomen dat het grootzeil tijdens het reven of strijken `wegwaait'.
LDV (m). Logistieke Dienst Verzorging.
Zie ook Hoboko.
Leech (e) (s). De lijn tussen
de top van het zeil en de schoothoek.
Leechline (e) (s). Lijntje
waarmee de spanning van het achterlijk kan worden geregeld.
Leek (v). » Laik.
Leg (e) (w). » Rak.
Leggers. Bodemspanten van een platbodemjacht.
Leg-of-mutton sail (e). Torenzeil;
bermudazeil.
Leguaan. Stootkussen, vaak van gevlochten
touw, dat de voorsteven beschermt, of - zoals in mijn geval - andere schepen
beschermt tegen de voorsteven van mijn roestbak.
Legwaring. De dikke planken die
op het dek van houten binnenschepen langs het boord liggen en als loopvlak
dienen.
.
Postzegel van de Faroer Eilanden:
de Ontdekking van Amerika door Leif Erikson
.
Leif Erikson. Leif Erikson (ca. 970
– ca. 1020) was een Noorse ontdekkingsreiziger die wordt beschouwd als
een van de eerste Europeanen die het vasteland van Amerika ontdekten. In
Erikson's geval was dat bijna 500 jaar voordat Christopher Columbus (onterecht)
beweerde Amerika te hebben ontdekt. Erikson kocht een boot en vertrok in
1001 met 35 bemanningsleden om het land te ontdekken dat Bjarni had gezien
ten westen van Groenland, hetgeen waarschijnlijk de kust van Canada was.
Het eerste land wat hij ontdekte was bedekt met platte stenen ("hella"in
Oudnoors ). Dus noemde hij dit land, waarschijnlijk Baffin Island, "Helluland".
Vervolgens ontdekte hij land dat plat en bebosd was, met witte zandstranden.
Dit land noemde hij Markland ("Bos-land"), waarschijnlijk Labrador.
Leif en zijn bemanning vertrokken uit
Markland en ontdekten opnieuw land, dat zij Ny Vinland (Nieuw Wijnland)
noemden. Erikson stichtte een Noorse nederzetting in Vinland, op de noordelijke
punt van het eiland Newfoundland, en noemden het Leifsbúdir, hetgeen
"Leif's pakhuizen" betekent. Het was een aangename omgeving met wilde druiven
of bessen en meer dan genoeg zalm in de rivier. Het klimaat was mild, met
weinig vorst in de winter en het hele jaar door groen gras.
.
Leioog. Ook: schootoog. Oog van
metaal of kunststof waar een schoot of ander touw doorheen geleid wordt
om de trekrichting te veranderen.
Leisure 17. Trailerbaar flushdek
zeiljacht met vier slaapplaatsen. L.O.A. 5,56 m., breedte 2,20 m., zeiloppervlak
grootzeil 7,70 m², fok 6 m², genua 9,30 m², spinnaker 19,30
m².
Lek. (1) Niet waterdicht. (2) Plaats
waar iets lek is.
Lekdienst (m). Onderdeel van de
D(amage-control)-organisatie. Dienst die tijdens gevechten verantwoordelijk
is voor de stabiliteit van het schip.
Lekko. (e) (Let go!) Laat
vieren (die lijn), laat vallen (dat anker).
Le Mans-start (s) (k). Hierbij staan
de surfers of kanoërs een meter of tien van de waterlijn, waar de
surfplanken of kano's klaar liggen. Op het startschot rennen zij op hun
vaartuigen af, duwen ze in het water en varen weg.
Lemmer (v). Arbeider die een walvis
helpt slachten.
Afb. 28. Lemsteraak
De Groene Draeck
Lemsteraak. Soms ook » boeier
genoemd. Oorspronkelijk speciaal gebouwd voor de visserij op de Zuiderzee,
waarbij zware eisen werden gesteld aan zeileigenschappen en » zeewaardigheid.
Thans een van de mooiste ronde jachten. De Groene Draeck van koningin
Beatrix is zo'n Lemsteraak. Zie ook afb. 28.
Lemsteraak 10. Zeewaardige houten
rondebodemjacht. L.O.A. 10 m.
Lemsteraak 910. Zeer handelbaar
houten rondebodemjacht. L.O.A. 9,10 m., diepgang 0,54 m.
Lemsteraak (Classic Yachts Marken).
Stalen rondspant zeiljacht met acht vaste slaapplaatsen. L.O.A. 13 m.,
breedte 4,20 m., zeiloppervlak 77 m².
Lemsterschouw. Ook: zeeschouw
of spekbak. » Schouw bestemd voor de Zuiderzeevisserij.
Werd onder andere in Lemmer, Enkhuizen en Hoorn aangetroffen.
Lemstra 36. Stalen of aluminium
zeiljacht. L.O.A. 11 m., breedte 3,60 m., zeiloppervlak 73 m².
Leng. Kettingstrop.
Lengers Ladenstein 2000. Polyester
knikspant (diep-V) motorjacht met acht tot tien vaste slaapplaatsen. L.O.A.
21 m., breedte 5,25 m., diepgang 1,40 m.
Lengers President 615. Polyester
knikspant (diep-V) motorjacht met zeven vaste slaapplaatsen. L.O.A. 18,20
m., breedte 4,82 m., diepgang 1,25 m.
Lengte (n). Afstand van een plaats
tot de eerste of beginmeridiaan, in graden gemeten langs de » breedtecirkel.
Lengtecirkel (n). » Meridiaan.
Lengtegraad (n). Graad van een »
breedtecirkel. Zie ook Breedtegraad.
Lengte op de waterlijn. Rechte afstand
op de waterlijn tussen de meest voorste en achterste punten van de romp
op deze lijn.
Lengte over alles, L.O.A. Afstand
in een rechte lijn tussen de meest voorste en meest achterste punten van
de scheepsromp.
Lenspomp. Pomp om water over te
hevelen.
Lenswater. Water dat door het zweten
van de lading of scheepsdelen langs de huid of » buikdenning
naar een lensput loopt, waarna het door een » lenspomp overboord
wordt gepompt.
Lentepunt. Zie Ecliptica.
Lenzen. Voor de storm weglopen met
juist genoeg zeil of motorkracht om te voorkomen dat de zeeën van
achteren inlopen en over het schip slaan.
Lepelboeg. Vorm van vooroverhang.
Kan gematigd, normaal of extreem bol zijn.
LES. Land Earth Station (e).
Walcommunicatiestation. De term wordt met name gebezigd bij » Inmarsat-communicatie.
Lethe. (Uit de Griekse mythologie.)
De rivier der vergetelheid, waaruit de schimmen moesten drinken als ze
in de onderwereld aankwamen, om zo het leven op aarde te vergeten.
Leuver. (1) Een oog aan het lijk
van een zeil gesplitst. (2) Clip om de » fok aan de »
voorstag vast te maken. Hij is aan het » voorlijk van
de fok bevestigd door middel van het hier nog open staande verende lipje;
dat wordt door een kousje in het voorlijk gestoken en rondom het daar ingenaaide
staaldraad dichtgebogen.
Levelrating (e) (w). Berekening
om bij verschillende zeewedstrijdjachten met dezelfde kansen een wedstrijd
te kunnen zeilen. Zeewedstrijdjachten met dezelfde levelratings kunnen
op dezelfde manier met elkaar zeilen als die van de eenheidsklassen. Zie
ook Handicap en Voorgiftregel.
Leviathan. (1) Monsterachtig waterdier
uit de bijbel (Job 40 en 41). (2) Mammoetschip; zeekasteel. (3) Walvis.
Lex Rhodia. Verzameling Griekse
en Romeinse wetten uit ± 300 voor Christus, die het gedrag op zee
regelden en door het merendeel van de toenmalige zeevarende naties werden
aangenomen. Zie ook Rôles d'Oléron.
LHA (n). » Local Hour Angle.
Liberty boat (e). »
Tender.
Liberty man (e). Passagierende
matroos.
.
Liberty-schip. Amerikaans vrachtschip
waarvan er tijdens de Tweede Wereldoorlog 2680 zijn gebouwd. 7000 BRT.
L.O.A. 134,60 m., breedte 17,30 m., diepgang 8,10 m. Zie afb. 29.
Lichtboei. Boei die een lichtsignaal
geeft.
Licht der Zeevaert, Het - .
Bloemlezing van de beste Hollandse schrijvers op het gebied van de zeevaartkunde,
zoals Barents en Waghenaer, in 1608 gepubliceerd door Blaeu te Amsterdam.
Lichtekooi. Prostituée. Dame
die men licht (gemakkelijk) te » kooi krijgt.
Lichtenlijnen. » Geleidelichten.
In de Dordtse Kil wemelt het ervan.
Lichter. (1) Schip met geringe »
diepgang zonder eigen voortstuwing. Zie ook LASH. (2) »
Kaag. (3) Hek- of marslantaarn.
Lichterbrief. Consent tot het lossen
van een gedeelte van de lading in een andere plaats dan is overeengekomen,
bijvoorbeeld in verband met averij of lage waterstand.
Lichtmatroos. Laagste `rang' van
het dekpersoneel. Zie ook Matroos o.g., Matroos en Volmatroos.
Afb. 30. Lichtschip
Lichtschip. Soort drijvende vuurtoren.
Sind men de » Noord Hinder heeft weggehaald heeft Nederland
geen lichtschepen meer. Ze zijn allemaal vervangen door lichtboeien. In
Engeland zijn ze voor een prikje te koop. Men kan er prachtige plezierjachten
van maken. Zie afb. 30.
Lichtsectoren. » Sectorlichten.
Lichtweerzeil (s). Zeil dat onder
minimale windcondities wordt gebruikt, doorgaans met een oppervlakte van
7 m² of meer.
Lier. Mechanisch hulpmiddel om grote
kracht op een » schoot, » val of ketting te kunnen
uitoefenen.
Lieraap. Elk van de bemanningsleden
aan boord van een groot wedstrijdjacht dat er op is getraind de lieren
te bedienen. Bij het gijpen en overstag gaan is hun snelheid en kracht
een bepalende factor.
Lierdraad (v). (1) Staaldraad waarmee
de » dwarskuil aan boord gedraaid wordt. (2) Sleeplijn van
de snoekbaarssleepnetten.
Lierlijn (v). Lijn waaraan tijdens
het vissen de snoekbaarssleepnetten vastgestoken zijn.
Lifeboat (e). Reddingsboot.
Lifejacket (e). » Reddingsvest.
Lifeline (e). » Lijflijn.
Ligbokje. Steunder voor giek en
gestreken mast.
Ligdagen. Dagen die benodigd zijn
voor het laden en lossen. Tegenwoordig vaak lig-uren.
Liggeld. (1) Ook: kaaigeld. Belasting
van schepen geheven voor het liggen aan een kade of in een haven. (2) Geld
dat aan de reder wordt betaald voor de tijd die het schip boven de bepaalde
termijn ergens ligt om op lossing of lading te wachten.
Liggende doft. Zware dwarsbalk waarop
de stuurman van een botter staat.
Ligplaats. Plaats waar een boot
geankerd of afgemeerd is of kan worden.
Lij. Kant waar de wind naartoe gaat.
Lijerman (v). Het vaartuig dat bij
de » wonderkuilvisserij aan » lij ligt.
Lijfhout. (1) Buitenste plank van
het dek. (2) Buitenste plank van de deken van de bun.
Lijflijn. Lijn met musketonhaak
die aan de ene kant aan het » veiligheidsharnas is bevestigd
en aan de andere kant aan de » looplijn.
Lijfseizing. Reddingslijn die bij
werkzaamheden buiten boord om het middel van de schepeling wordt gebonden,
om overboord vallen te voorkomen.
Lijgierig. Laf. Een zeilboot is
lijgierig wanneer zij de neiging heeft om af te vallen, van de wind af
te draaien. Om haar op koers te houden moet de » helmstok
dan naar » lij worden gehouden.
Lijk. Boordsel van een zeil.
Lijken. (1) Het met touwwerk versterken
van het boord van een zeil. (2) Een zeil op de wind brassen.
Lijkstrekker. Touw dat het lijk
van een zeil strekt. Zie ook Onderlijkstrekker.
Lijktouw, lijkentouw. Krap geslagen
touw dat tegen de zwaarst belaste » lijken van een zeil wordt
genaaid om deze te versterken en om het mogelijk te maken dat » voorlijk
of » onderlijk in een groef aan mast, » giek
of » voorstag kunnen worden gevoerd.
Lijn. Touwwerk uit drie of vier
strengen dat gebruikt wordt voor weeflijnen, zwaardere bindsels aan stagen
en wanten en ook als lopend want en sloeplijnen.
De lijn (v). Vóór
de afsluiting van de Zuiderzee de afbakening van de voor de gaand-wandvissers
verboden gebieden. Zie ook Lijnlegger.
Lijnbaan. Touwslagerij.
Lijnen (k). Het vanaf de wal stroomafwaarts
trekken (of leiden) van een kano. Zie ook Trekken.
Lijnen uitstomen. Het meeslepen
van lange touwen in zware zee.
Lijnlegger (v). De controleur die
vóór de afsluiting van de Zuiderzee in de gaten hield of
de vissers » de lijn overschreden.
Lijnvaart. Door rederijen onderhouden
scheepvaartdiensten tussen twee havens volgens een vast schema, een vaste
route en een vaste prijs. Doen de schepen daarbij de thuishaven aan, dan
is er sprake van home trade. Zo niet, dan is er sprake van cross
trade.
Lijnwerptoestel. Apparaat waarmee
een reddingsstation of reddingsboot een trosverbinding tot stand brengt
met een schip in moeilijkheden of een drenkeling.
Lijwaarts. Van het uitgangspunt
af naar lij, met de wind mee.
Lijwal. Kust onder de wind.
Lijzijde. De zijde die van de wind
af gekeerd is.
Lijzeilen. Ook: bonnetzeilen. Smalle
zeilen die » vierkantgetuigde schepen bij lichte wind aan
weerszijden van de normale zeilen kunnen bijzetten. Tot ongeveer 1880 voerde
de koopvaardij naast de vierkante zeilen ook lijzeilen.
Liman. Russische benaming
voor de baaien aan de uitmonding van de rivieren in de Zwarte Zee.
Limbus (n). In graden ingedeelde
rand van een hoekmeetinstrument. Zie ook afb. 8.
Line squall (e). Regenbui
met harde wind. Zie ook Squall.
Linie. Evenaar.
Linieschip (m). Vanaf het midden
van de zeventiende eeuw gaf de Britse admiraliteit de opdracht dat de schepen
slag moesten leveren in een enkele linie, zodat het bredezijvuur de meeste
uitwerking zou hebben. Hiertoe werden de grootste schepen van de vloot
gebruikt, die werden ingedeeld in zes klassen. Een eersteklas linieschip
had meer dan 90 stukken. De betaling van de officieren was evenredig aan
de klasse van het schip waarop zij voeren.
Linkcall (e). Telefoongesprek
tot stand gekomen via een walstation.
Linkse botter (v). » Botter
met het deurtje aan bakboord.
Linssen Classic Sturdy 40. Stalen
multiknikspant motorboot met vier tot zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 12,40
m., breedte 4,05 m., diepgang 1,25 m.
Linssen Sturdy 360. Stalen multiknikspant
motorboot met vier tot zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 10,85 m., breedte
3,55 m., diepgang 1,10 m.
Lipblok. Ook: schouderblok. »
Blok waarvan de beide wangen naar de zijde van het halende part
een klein uitsteeksel hebben, dat voorkomt dat het touw klem loopt tussen
blok en ra. Wordt gebruikt voor de fokkehals.
Lipklamp. Klamp met een uitstekende
lip, om een lopend touw op te beleggen.
Lit (v). (Garnalen)mand.
Litjesverkoop (v). De verkoop van
vis aan particulieren.
Litoraal. De kust of het kustland
betreffend.
Litorale fauna. Het dierenrijk van
de zee tot ± 400 meter diepte.
Livre de bord (f). Journaal.
Livret (m). Algemene benaming voor
boekwerken of registers met de eigenschappen van het schip, de uitgevoerde
reparaties en dergelijke.
Ljungström-jacht. Zeilboottype
met een gestroomlijnde romp en vaak een draaibare mast, zonder stagen.
Lloyd. Naam van de eigenaar van
een Londens koffiehuis, waar in de 17e en 18e eeuw de reders, makelaars
en verzekeraars uit de stad bijeenkwamen. In 1688 richtten zij een vereniging
op die zij Lloyd's noemden.
Lloyd's of London. Verzekeringsmaatschappij
voortgekomen uit het in 1688 opgerichte Lloyd's. De maatschappij staat
er slecht voor, want zij heeft in de afgelopen vijf jaar 22,3 miljard gulden
verlies geleden. Daar moeten de » Names persoonlijk
voor opdraaien, maar die kunnen of willen dat niet.
Lloyd's Open Form. Verkorte
omschrijving van Lloyd's Standard Form of Salvage Agreement. In
1890 ingesteld om tijdrovende rechtszaken tussen eigenaars van sleepboten
en gezagvoerders/reders van om hulp vragende schepen te voorkomen. De sleepboot
seint `L' en wanneer daar bevestigend op wordt geantwoord betekent dit
dat beide partijen zich neerleggen bij een eventuele uitspraak van de door
Lloyd's aangewezen arbiter(s).
Lloyd's Register of Shipping.
Classificatiebureau, in 1834 opgericht te Londen, die de maatstaven voor
de scheepsbouw bepaalt.
LLWS. Laag-laagwater-spring.
Llyr. Ook: Lir. Keltische god van
de zee en meester van alle kunsten.
LMT (n). Local Mean Time.
Plaatselijke gemiddelde tijd.
.
LNG. Liquified Natural Gas. Met
10 miljoen euro steun, ruim een derde van de totale kosten, zal de Europese
Unie een studie ondersteunen die het gebruik van LNG in de scheepvaart
zal onderzoeken. LNG is de vloeibare variant van aardgas (CNG) en wordt
aanzien als nieuwe opportuniteit voor de transportsector om minder olie-afhankelijk
te worden. Door het gebruik van LNG zou ook de scheepvaart milieuvriendelijker
worden, die momenteel nog gebukt gaat onder vrij veel uitstoot van zwavel.
Tegen 2015 en 2016 zullen de uitstootvoorwaarden
hiervoor worden aangescherpt. Door het gebruik van LNG zou er geen zwaveluitstoot
meer zijn.
Met het geld, dat afkomstig is van het
TEN T-fonds, zal een studie over een LNG-tanknetwerk en twee LNG-zeeschepen
worden gefinancierd. Dit tanknetwerk zal passen binnen het ‘Motorways of
the Sea’ project, dat de Baltische Zee met de Noordzee en het Kanaal verbindt.
Volgens het TEN-T Agentschap zullen voornamelijk België en Denemarken
kunnen profiteren van deze nieuwe ontwikkelingen. Ook de Scandinavische
landen zullen er voordeel van ondervinden.
Een eerste studiepunt zal de mogelijkheden
onderzoeken voor LNG-tankpunten. Deze bevindingen van een strategische
studie moet een kaderwerk vormen voor een proefproject met LNG-schepen.
Ten tweede zal men de bouw van twee LNG-schepen
onderzoeken die zowel goederen als vrachtwagentrailers kan transporteren.
Dat schip moet 90% minder NOx uitstoten en 25% minder CO2.
Tegen 2015 komt er alvast een LNG-terminal
in Duinkerken die zal worden gebouwd door de Franse elektriciteitsproducent
EDF, goed voor 13 miljoen m³ en wordt zo een belangrijk bevoorradingspunt
voor West-Europa. Omdat dit naast de LNG-terminal in Zeebrugge een belangrijk
toevoerpunt zal zijn, heeft het Belgische Fluxys een participatie van 25%
genomen in dit project.
.
L.O.A. » Lengte over alles.
Loblolly boy (e). Hulpje
van de scheepsarts.
Loch. Schots meer. Meestal zeer
diep en zeer koud, ook 's zomers.
Local Hour Angle (LHA) (n). De hoek
tussen de meridiaan waarop de » aardse projectie ligt en de
meridiaan waarop de aangenomen waarnemer zich bevindt.
Lock (e). » Sluis.
Loddevisserij. Visserij met hoekwant
op voorjaarskabeljauw in Finland.
Loden. Het meten van de waterdiepte
door middel van een lood met loodlijn, een echolood of iets dergelijks.
Lodicator. Instrument waarmee de
spanningen in een schip worden gemeten.
Loef. Kant waar de wind vandaan
komt.
Loefbalk. Maststut.
Loefduel (s). Zo ver doorgaan met
oploeven dat de wind haast aan lij het zeil binnenkomt en de tegenstander
wordt gedwongen om overstag te gaan.
Loefgierig. Wreed. Een zeilboot
is loefgierig wanneer zij de neiging heeft om met de kop in de wind te
draaien; om de boot op koers te houden moet men de » helmstok
dan naar de loefzijde houden.
Loefwaarts. Van het uitgangspunt
af meer naar loef, tegen de wind in.
Loefwal. De wal waar de wind vandaan
komt.
Loefzijde. De naar de windrichting
toe gekeerde zijde.
Loerd (v). Meelgerecht, `Jan-in-de-zak'.
Loeven. » Oploeven.
Loeverman (v). Het vaartuig dat
bij de » wonderkuilvisserij » te loevert ligt.
Loevert. » Te loevert.
Log. Instrument om de snelheid van
een vaartuig te meten, of de verheid (de afgelegde weg), of beide. De meest
eenvoudige vorm is de handlog, die uit een logschuitje, een logrol en een
logglaasje bestaat. Een druklog meet de dynamische druk onder het schip.
Een elektrische log meet de veranderde inductiespanning door middel van
twee gevers aan de huid van een schip. Zie ook Patentlog.
Logboek van het fregat Grand Turk
.
Logboek. Scheepsjournaal. Dagboek waarin
de waarnemingen, windrichting, plaatsbepaling en de wederwaardigheden van
het schip worden vermeld. Ook duikers houden een logboek bij.
Loggaten. Gaten in de wrangen waardoor
het water zich op het laagste punt van de boot kan verzamelen.
Loggen. Met een » log
de vaart van het schip bepalen.
Logger. (v) (1) Schip voor de haringvisserij,
dat vervangen is door de » trawler. Een logger viste met de
vleet aan een lijn over een kluis aan de boeg. (2) Zeillogger. Snel kustvaartuig
uit de 18e eeuw, met steile stevens, een gestrekte romp en een één-,
twee- of driemasttuig met » loggerzeil. In de 19e eeuw werd
het schip gebruikt voor de drijfnetvisserij, als vervanger van de »
bom. De laatste zeillogger verdween in 1930. Wordt thans weer gebouwd.
L.O.A. 16 m., zeiloppervlak 157 m². (3) `Een logger hebben' = Als
schipper varen.
Loggerbom. » Bom waaronder
men een kiel heeft gebouwd.
Loggerwant (v). Netwerk van de haringvisserij
op de Noordzee (zgn. vleetnetten).
Loggerzeil. Bijna hetzelfde als
een » emmerzeil. Hier rust de » voetra niet met
een bekje tegen de mast, maar loopt deze door tot een stukje voor de mast.
Logies (v). Leefruimte, vooronder.
Logklokje. Telwerk van een patentlog,
vaak in de vorm van de koplamp van een fiets, waarop men de stand van de
» log kan aflezen.
Loglijn. Lijn waaraan een log is
bevestigd en die door knopen in evenmatige delen is verdeeld.
LOMBARD (e). Loads Of
Money But A Real Dickhead (Hopen geld maar totaal geen intelligentie).
In marina's kom je regelmatig LOMBARDs tegen.
Long distance race(e) (s).
Surfmarathon, doorgaans over zo'n 20 mijl, maar minimaal 10 mijl.
Longitude. Geografische lengte.
Zie ook Lengtegraad.
Long John (e) (s). Populair
wetsuit voor surfers, bestaande uit een mouwloos eendelig pak met lange
pijpen. Daaroverheen wordt vaak een bolero gedragen.
Longroom (m). Gemeenschappelijk
verblijf van de officieren aan boord van een oorlogsschip.
Lood. Ook: dieplood. Een lijn, doorgaans
25 à 30 » vadem lang, voorzien van doorgestoken merkleertjes
en met aan het eind een loden gewicht. Het lood dient om met de hand de
diepte te peilen. Thans grotendeels vervangen door het echolood.
Loodbroodjes. Blokken lood, ter
grootte van kleine baksteentjes, die worden gebruikt om een boot de nodige
diepgang en ballast (stabiliteit) te geven.
Loodgordel. Weight belt.
Deel van de basisuitrusting van een duiker. Dient om de duiker te verzwaren
en het afdalen te vergemakkelijken. Voor zout water heeft men een zwaardere
gordel nodig dan voor zoet water.
Loodlijn. » Lood.
Loods. Gekwalificeerde zee-officier
in dienst van het » loodswezen die schepen naar binnen en
naar buiten loodst door de gezagvoerder of diens vervanger aanwijzingen
te geven voor de navigatie. Meestal is het gebruik van een loods verplicht.
Ongeacht de taak van de loods ontheft diens aanwezigheid de kapitein of
chef van de wacht niet van zijn eigen taken en verplichtingen.
Loodsafhaalboot
Loodsafhaalboot. Ook: loodsjol.
Klein maar zeewaardig vaartuig dat heen en weer vaart tussen de loodsboot
en de wal en tussen de loodsboot en schepen, om loodsen aan boord te brengen
en van boord te halen. Tegenwoordig vaak rubberboten met krachtige buitenboordmotoren.
.
Loodsbakje. Koffie die speciaal
voor de loods wordt gezet wanneer die aan boord komt.
.
Model van de Schotse loodsboot
Cumbrae
Loodsboot. Ook: tender. Schip van
het » loodswezen dat 's nachts op het » kruisstation
kan worden herkend aan een wit licht boven een rood licht in de top van
de mast.
Loodsladder. » Stormladder.
Loodsstation. De plaats waar volgens
de zeekaart de loodsboot moet liggen.
Loodswezen. Bedrijf, vroeger als
rijksdienst ressorterend onder het ministerie van Verkeer en Waterstaat,
sinds 1988 geprivatiseerd, dat zich bezighoudt met het plaatsen van loodsen
op schepen. Sinds 1994 hebben de circa 600 loodsen van het Loodswezen concurrentie,
want in dat jaar liberaliseerde minister Jorritsma van Verkeer & Waterstaat
de markt van het loodswezen.
Loom (e) (r). Handvat van
een roeiriem.
Looplijn. Meestal een met plastic
beklede roestvrijstalen lijn over het dek, bevestigd op het voor- en achterdek,
waar de musketonhaak van de » lijflijn in wordt gepikt. Wordt
dwingend voorgeschreven bij zeilwedstrijden die onder de Internationale
Bijzondere Bepalingen van het » ORC worden gehouden.
Loopplank. Brede plank waarover
men van de wal aan boord komt of omgekeerd. Deze term wordt voornamelijk
in de binnenvaart gebruikt. Bij de marine en de koopvaardij bezigt men
meestal de term » valreep.
Loopstag. Kabel die langsscheeps
over het dek wordt gespannen wanneer men zwaar weer verwacht. Zonodig kan
de bemanning zich daaraan vasthouden, om niet overboord te slaan. Werd
vaak gebruikt in combinatie met veiligheidsnetten boven de » verschansing.
Zie ook Looplijn.
Loopwagen. De slede of wagen die
over de overloop heen en weer kan bewegen en waaraan het onderste blok
van de grootschoot is bevestigd. Bij een loopwagen op een rail kan de heen
en weer gaande beweging doorgaans worden beperkt door twee stoppen of door
middel van twee lijntjes die aan weerszijden van de loopwagen door een
horizontaal liggend blokje lopen.
Loopzakje (m). Zakje waarin een
matroos van de marine tijdens het werk zijn gereedschap bij zich draagt.
Bij de koopvaardij heet dit `kreeuw'.
Loos. Wordt gezegd van een stag
of touw waarop geen spanning staat.
Loose cover (e) (w). Gecontroleerde
of losse afdekking. Zie ook Close cover, Afdekken
en Afdekkingskegel.
Lopend want. Het touwwerk dat -
veelal door blokken of ogen gevoerd - dient om de stand van een zeil of
een rondhout te regelen of om een onderdeel van het » staand want
te spannen.
Lopende wind. Doorstaande wind in
de vaarrichting.
Loper. (1) Touw door de blokken
van een takel. (2) (v) Glijdend gewicht op een » kuiltouw.
(3) Type zeiljacht met hoog grootzeil en breed voorzeil. L.O.A. 8,20 m.,
zeiloppervlak 24,50 m² tot 35 m².
Loppy (e). Woelig, met korte
golfslag.
Loran (n). Elektronisch plaatsbepalingssysteem,
waarbij het tijdsverschil tussen twee ontvangen signalen zichtbaar wordt
gemaakt op een kathodestraalbuis. Kan op grotere afstand werken dan »
Decca. Het bereik is overdag zo'n 1200 kilometer en 's nachts ongeveer
2250 kilometer. Op termijn zal het systeem geheel worden vervangen door
het » GPS.
Lorcha. Schip met een Europese romp
en het tuig van een » jonk, halverwege de negentiende eeuw
ontwikkeld door de Portugezen in de buurt van Macao.
Lording. Ongeteerd schiemansgaren;
wordt onder andere in de machinekamer gebruikt.
Lorelei. 132 meter hoge rots op de
rechteroever van de Rijn, tussen Caub en St. Goarshausen, waar de Rijn
zijn diepste punt bereikt en zeer smal is, waardoor draaikolken ontstaan.
Volgens de sage van C. von Brentano zat er vroeger een nimf op de top van
de rots, die voorbijvarenden tot zich lokte met haar betoverend gezang.
Heinrich Heine schreef er een gedicht over, dat begint met de onsterfelijk
geworden woorden: Ich weiss nicht was soll es bedeuten, dass ich so
traurig bin.
Lorrendraaiers. Zo noemde men de
smokkelschepen die in de zeventiende eeuw het handelsmonopolie van de Westindische
Compagnie (WIC) aan hun laars lapten.
Losgooien. Het losmaken van de »
landvasten om af te varen.
Losse broek. Onderlijk van een zeil
dat niet aan een rondhout is bevestigd.
Lossen. Een lading uitladen.
Lostijd. De verwachte of werkelijke
tijd die nodig is om het schip te lossen.
LOT (n). Lowest Observed Tide.
Het laagste tij dat men op een bepaalde plek ooit heeft waargenomen. Wordt
onder andere in Frankrijk gebezigd.
Low Aspect Ratio (e). Kort
en breed, bijvoorbeeld surfzeil of fok.
Loxodroom (n). Lijn op het aardoppervlak
die alle meridianen onder gelijke hoeken snijdt. Deze lijn is dus krom,
al is dat nauwelijks te zien wanneer het om een kleine afstand gaat.
LP-maat. Zeilmakersterm. De loodlijn
vanaf de schoothoek op het voorstag. Zie ook P-maat, J-maat, I-maat
en E-maat.
L-serie. De 8 schepen van de Amsterdamse
rederij Spliethoff waarvan de naam begint met een L: Lauriergracht, Leliegracht,
Lemmergracht, Levantgracht, Lindengracht, Looiersgracht, Lootsgracht en
Lynbaansgracht. Zie ook A-serie, B-serie, E-serie, H-serie, K-serie,
en P-serie.
Lubber (e). (1) Onbevaren
matroos. (2) Landrot.
Luchtdruk. Werkt als een omgekeerde
barometer: hoge druk verlaagt het zeeniveau, terwijl een drukverlaging
een niveaustijging veroorzaakt.
Luchtfles. » Duikfles.
Luchtkussenvoertuig
Luchtkussenvoertuig. Ook: Hovercraft.
Voertuig dat zich enigszins boven water, ijs, moeras en tamelijk vlakke
vaste grond snel kan voortbewegen, door een luchtlaag tussen de bodem en
het oppervlak te persen.
Luchtsluis. Luchtdichte sluis met
dubbele deuren, bijvoorbeeld in de schacht van een caisson, die zo ongeveer
op dezelfde manier werkt als een schutsluis bij schepen.
Luchtverdeelkast. Ook: buikorgel.
Accordeon.
Luie loper. Schip dat weinig snelheid
ontwikkelt vergeleken met schepen van zijn soort. `Het is een luie loper;
die kof is niet vooruit te branden.'
Luiemanshandgreep. Handgreep boven
een steile trap.
Luierbalk. Pennebank om de helmstok
op vast te zetten.
Lui hout. Niet goed gebogen of gekromd
hout.
Luik. Opening in het dek of in een
dwarsschot. De luiken die het dek afsluiten moeten, wanneer zij van hout
zijn, ten minste »0 millimeter dik zijn. Zij rusten op verschuifbare
luikbalken, die dwarsscheeps in de luikopening zijn aangebracht. Zie ook
Patentluiken, Presenning en Schalken.
Luikhoofd. Hoge opstaande rand van
een dekluik.
Luilijn (v). » Lawerlijn.
Luisterwacht. Taak van de »
radio-officier.
Luitenant-admiraal (m). In de praktijk
in Nederland de hoogste officiersrang bij de marine.
Luitenant-ter-zee (m). Laagste officiersrang
bij de marine. In Nederland kennen we de 1e t/m de 3e klasse.
Luiwagen. (1) Dwarsscheepse steun
van de lange » helmstok van een » tjalk. (2)
Overloop van de grootschoot en de fokkeschoot. (3) Soort bezem voor het
natte werk.
Luizenhuis (m). Ministerie van Defensie.
Luizenplecht. Lager gelegen dek
op de voorplecht van een VOC-schip, waar je buiten het gezichtsveld van
de officieren bent. De term `luizenbaantje' is hiervan afkomstig.
Lulijzer (m). Ook: lultalie. Microfoon
van een radiozendontvanger.
Afb. 31. Lummel met lummelpot
Lummel. Ook: mannetje. Draaibare
verbinding van de giek of laadboom aan de mast. Bestaat uit een lummelbout
aan de giek of laadboom en een lummeloog of lummelpot aan de mast. Bij
een scharnierende verbinding is de hiel van de » laadboom
gevat in een vork, die met een horizontale bout aan een verticale spil
vastzit: de eigenlijke lummel. De horizontale bout maakt het mogelijk dat
de lummel op en neer beweegt, het zogenaamde `toppen'. Op de lummel zelf
kan de laadboom van de ene kant naar de andere zwaaien. Zie ook afb. 31.
Lummelpot. Ook: vrouwtje. Pot aan
de mast waarin de » lummel draaien kan. Zie ook afb. 31.
Lusitania. Britse stoomboot
van de Cunard Line die op 7 mei 1915 voor de kust van Ierland de grond
werd ingeboord door een Duitse onderzeeër. 1198 opvarenden kwamen
daarbij om het leven.
Lutine. Door de Engelsen buitgemaakt
Frans fregat dat in de nacht van 9 op 10 oktober 1799 met een lading goud
en zilver voor Hamburg verging tussen Vlieland en Terschelling. Alle driehonderd
opvarenden kwamen daarbij om. Sindsdien hebben velen getracht het goud
boven water te krijgen. De schat is echter onbereikbaar geworden omdat
de Lutine steeds verder in de zeebodem is weggezakt. De kanonnen
aan de Willem Barentzkade op West-Terschelling zijn van de Lutine
afkomstig.
Daar lag nu 't schone schip
Geslingerd door de baren
Met goud en goed belaân
Is 't schone schip vergaan.
Afb. 32. Luxe motor
Luxe motor. Klassiek motorschip
met zogenaamde `luxe roef' achter de stuurhut. Zie ook afb. 32.
LVBZB. Landelijke Vereniging tot
Behoud van het Zeilend Bedrijfsvaartuig. » Behoudsorganisatie
die in 1974 is opgericht.
LW (n). Laag water.
LWL. Lengte waterlijn. De lengte
van de waterlijn van voorsteven tot achterschip.
Lyfting. Verhoging van het voor-
en achterdek van een vikingschip.
Lying a'hull (e). »
Kaal liggen.
|