Jaap van der Wijk
Dit was in 1996, toen het boek werd gepubliceerd
.
En dit is de auteur in 2011, vijftien jaar later
.
DE TAAL VAN HET WATER
interactieve encyclopedie van de watersport, visserij, koopvaardij, marine en bruine vloot
.
Een die sijn zeyl te hooge stelt,
Wert lichtlick van den wint gevelt.
Vader Cats
Meer lexicografisch en informatief werk van Jaap van der Wijk?
Click hier!
.
 
Het interactief blog van de Taal van het Water
Voor vragen, aanvullingen, opmerkingen, etc.
.
.

A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z
 
L  

Laadboom. Boom die zodanig draaibaar aan de laadpaal of mast bevestigd is, dat hij zowel in horizontale als verticale richting kan draaien. Wordt gebruikt om te laden en te lossen wanneer de middelen daartoe in de haven ontbreken. Zie afb. 25.  

Afb. 25. Laadinrichting

Laadhoofd. Rechthoekige, door luiken afgedekte opening in het dek van een schip, die toegang tot de ruimen geeft.  

Laadreep. Staaldraad aan de » laadboom, waarmee de goederen worden opgehesen.  

Laadroef. Potkast. Afneembare verhoging van de » den 

Laadvermogen. Maximale belasting van een schip.  

Laafnet (v). Groot soort maalnet.  

Laag. (1) Evenwijdig aan de wal afgemeerde rij boten. `In de laag afmeren.' (2) (v) Rij in het zand gelegde, geaasde haken. (3) (m) De gezamenlijke stukken geschut op hetzelfde dek van een oorlogsschip. `Geef hem de volle laag.'  

Laag water! Het » schaften is afgelopen.  

Labber. Zwak. `Een labber windje.'  

Labberdaan. Gezouten kabeljauw.  

Labberkoelte. Zeer flauwe wind.  

Bas, mijn oudste Labrador Retriever

Labrador Retriever. Wanneer de vissers uit Newfoundland in de zuid Engelse havenstad Poole de wal opgingen, namen zij hun trouwe metgezel, de "kleine Newfoundlander", mee. Het duurde niet lang voordat de Engelse adel attent werd gemaakt op de bijzondere eigenschappen van het ras. De Engelse hertogen en graven hadden zoveel geld voor de honden over, dat de vissers afstand deden van hun trouwe metgezellen, en later zelfs speciaal voor de verkoop "kleine Newfoundlanders" naar Engeland brachten.  
De Engelse adel gebruikte de hond voor de jacht. In 1814 publiceerde kolonel Peter Hawker zijn boek Instructions to Young Sportsmen, waarin hij onderscheid maakte tussen de grote Newfoundlander en de kleinere soort, die hij `St. John’s Dog’ of `Labrador’ noemde en uitermate geschikt achtte voor iedere soort jacht. In latere publicaties werd deze hond `Labrador Spaniël’ genoemd, en nog later bezigde men de thans gangbare naam Labrador Retriever.  

Labradorstroom. Komt voort uit de » West-Groenlandstroom. Loopt langs Labrador en brengt veel ijsbergen naar lagere breedten.  

Labskous. Gerecht dat bestaat uit resten van gezouten vlees, vermengd met aardappelen en uien. In deze eeuw verving men de restjes gezouten vlees door cornedbeef.  

Lactose. Zie Placebo 

Ladderings (v). » Ladders 

Laddermazen (v). » Spiegelmazen 

Ladders (v). Lijntjes tussen boven- en ondersim van staande netten. Zie Sim 

Laden. Een lading inladen.  

Laf. Ook: laf op het roer. Lijgierig. Neiging van het schip om met de kop van de wind af te draaien.  

Lagedrukgebied. » Depressie 

Lagedrukslang. Flexibele slang als verbinding tussen de » eerste trap en de » tweede trap van de » ademhalingsautomaat. De druk in de slang is ongeveer 7 » bar 

Lager. Meer naar » lij toe.  

Lage wal, lagerwal. De kust of oever waar de wind naartoe waait.  

Lagune. Een door een rif of strandwal geheel of gedeeltelijk van de zee gescheiden watervlakte aan een aanslibbingskust.  

Laik (v). Lijk. Touwversterking langs boven- en onderkant van staande haring- of ansjovisnetten.  

Laminaat. Harde kunststoflaag, vaak bestaande uit glasvezel en kunsthars.  

Lamineren. Materialen aan elkaar bevestigen. Glasmat wordt gelamineerd met polyesterhars om er polyester van te maken; dunne houtplaten worden gelamineerd om er (bijvoorbeeld) een houten zwaard of roer van te maken.  

Lamme arm. Zijschroef en -as.  

Lammetjesmarkt (m). » Assaut 

LANBY (n). Large Automatic Navigational BuoY 

Lanceerbuis (m). In een schip vastgebouwde lanceerinrichting.  

Land. (1) Een verbinding tussen twee naast elkaar liggende gangen. (2) Langsnaad van een stalen huid. (3) Overstekend deel van de huidgangen bij klinkerbouw. (4) Lange zijde van een huidgang. De korte zijde wordt » stuik genoemd.  

Landen (s). Na een surfsprong weer op het water neerkomen. De achterkant van de plank moet altijd het eerst het water raken.  

Landing (e). Aanlegplaats.  

Landingsbrug. In het water uitstekende steiger voor het in- en uitschepen van passagiers.  

Landingsofficier (m). Officier die het landen van vliegtuigen op vliegdekschepen coördineert.  

Landingsvaartuig (m). Snelle boot die troepen en eventueel rollend materieel van een oorlogsschip aan land brengt.  

Landmerk (v). Twee karakteristieke oriëntatiepunten op de kust en dieper gelegen land in één lijn.  

Landnameboek. Dit boek, dat omstreeks 1200 door de Vikingen werd geschreven, is een handboek met nautische instructies voor het bevaren van de zeeën tussen de Shetland Eilanden, de Färöer Eilanden, IJsland, Groenland, en Vinland (Cape Cod).  

Land shark (e). Persoon die nietsvermoedende zeelui oplicht.  

's Lands Zeemagazijn(m). Fors, vierkant gebouw aan de kant van Kattenburg in Amsterdam, omgeven door het water van het Oosterdok. In onze eeuw nog gebruikt als Magazijn der Marine. Thans het Nederlands Historisch Scheepvaartmuseum.  

Landschuit. » Grundel 

Afb. 26. De linker landvast is goed bevestigd,
omdat de onderste landvast moeiteloos van de bolder kan worden gehaald.
 
Afb. 27. De landvasten.
1. Boegtros
2. Voorste dwarstros
3. Voorspring
4. Achterspring
5. Achterste dwarstros
6. Hektros

Landvast. Touw waarmee een schip wordt vastgelegd aan de wal. Men spreekt van boegtros, hektros, voorste dwarstros, achterste dwarstros, voorste spring en achterste spring. Bij mij, als ex-zeeman, moet een lijn een behoorlijke omvang hebben voordat ik het woord `tros' in de mond neem, en het touwwerk aan boord van een gemiddeld jacht verdient die naam zeker niet. Volendammer vissers zeggen gewoon `touwtje', en daar hou ik me ook maar bij. Dus: boegtouwtje, hektouwtje, enz. Zie afb. 26 en 27.  

Landziekig zijn. Heimwee naar zee hebben.  

Landziekte. Bewegingsziekte die in feite het tegengestelde van » zeeziekte is. Na een lange zeereis voel je de bodem nog onder je voeten deinen, terwijl je al uren of dagen aan de wal bent. Als je thuis aan de wasbak je tanden poetsts, beweegt je hele lichaam naar voren en achteren, "met het schip mee".   

Lanen. Vloer van de » roef en het vooronder. Zie ook Laningen 

Langedijker. Soort » schouw uit Broek op Langedijk. Klein scheepje, waarvan de afmetingen werden bepaald door de grootte van de sluis in Broek op Langedijk.  

Lange dunne (v). Ondermaatse aal.  

Lange Jaap. Vuurtoren in Den Helder; teken van de thuishaven. `Met Lange Jaap in zicht duurt het niet lang meer voor we achter het gebreien broekje liggen.' Kwam in 1878 gereed en is 64 meter lang. De Lange Jaap is de hoogste gietijzeren toren van Europa en is bij goed weer van een afstand van 37 kilometer te zien.  

Lange lijnen. Ook: buttock lines. Denkbeeldige lijnen op het scheepsoppervlak, evenwijdig aan het midscheepse vlak.  

Langerak (v). Onderdeel van een fuik.  

Lange stoot. Volgens het » BPR: een geluidssein dat ongeveer 4 seconden duurt. De tijdruimte tussen twee opeenvolgende stoten moet 1 seconde bedragen. Zie ook Korte stoot en Reeks zeer korte stoten 

Langsdennen. Balken die als grondslag van een scheepshelling in de lengte daarvan liggen.  

Langshelling. Bouwhelling die loodrecht op het water staat en waarvan de schepen in langsrichting aflopen.  

Langskuil (v). » Wonderkuil 

Langsscheeps. Evenwijdig aan de langsas van het schip.  

Langsscheepsgetuigd. Tuigage met meestal driehoekige zeilen, soms met gaffelzeilen, die in het lengtevlak van het schip hangen. Zie Vierkantgetuigd 

Langswaring. Friese benaming van » gangboord 

Langszaling. Uitsteeksel aan de mast naar voren, dat dient als spreider voor het knikstag of als rust voor de voet van de steng.  

Langszij. Langs de zijde van een schip. `Langszij komen.' `Langszij gaan liggen.'  

Laningen (v). Losse vloerdelen, vlonders.  

Lansknie (v). Horizontale krommer in een grote Volendammer » botter, in de hoek van waterbalk en boord.  

Lantaarn. » Koekoek 

Lapzalven. (1) Teren van het touwwerk tegen bederf. (2) Met olie inwrijven van staaldraad.  

Laser. Zeer handzame, open eenpersoons midzwaardboot, met zelflozende kuip en uit twee delen bestaande aluminium insteekmast. L.O.A. 4,23 m., zeiloppervlak 7 m², 56,70 kg. Internationale wedstrijdklasse.  

Laser 28. Snel en sportief, maar eenvoudig uitgerust polyester zeiljacht. L.O.A. 8,66 m., zeiloppervlak 39 m².  

LASH. Lighters Aboard Ship (lichters aan boord van het schip)-vaartuig. Ook: kangoeroeschip. Het eerste LASH-vaartuig was de Noorse Arcadia Forrest, opgeleverd in 19»9.  

Lash (e). Vastleggen, vastknopen, sjorren.  

Laskaar. (1) Indische matroos op Europeaans schip. (2) Flinke, dappere vent.  

Last. (1) (v) 10.000 stuks haring. (2) (v) De vangstquotum voor garnalen per vaartuig. (3) Twee ton gewicht.  

Lastage. Plaats waar kon worden geladen of gelost; werf.  

Lastdrager. Balk van het koebrugsdek.  

Lastengeld (v). Toelage die aan de bemanning wordt toegemeten voor elke last aangebrachte haring.  

Lastlijn. De waterlijn van het schip bij de grootste geoorloofde inzinking in zeewater; de grens van het laadvermogen van een schip.  

Lastvlot. Diepgang van een geladen binnenvaartschip.  

LAT (n). (1) Lowest Astronomical Tide. Het laagste tij dat onder invloed van de zon, de maan en de sterren kan ontstaan. (2) Hulppuntbreedte.  

Lateraal oppervlak. Ook: lateraalvlak. Rompdeel onder de waterlijn, dwarsscheeps geprojecteerd.  

Lateraalpunt. Zwaartepunt van het » lateraal oppervlak. Bij een surfplank is dit doorgaans het zwaard.  

Lateraal stelsel. » Betonningsstelsel ter weerszijden van vaarwaters.  

Latijnse bezaan. Aan boord van een VOC-schip het enige zeil dat tot in de midscheeps kon worden aangehaald, om het schip te laten bijliggen of het tot bijna in de wind te laten oploeven.  

Latijnzeil. Driehoekig grootzeil dat aan een ra gevoerd wordt. Eén van de oudste zeilen uit de geschiedenis. In de landen rond de Middellandse Zee kom je ze nog tegen, net als in de Arabische wateren. Zie ook afb. 12. Op Tristan da Cunha zag ik houten vissersschepen met de aloude latijnzeilen aan de grootmasten en bezaansmasten, en hypermoderne spinnakers als voorzeilen.  

Latitude. Ook: poolshoogte. Geografische breedte. Zie ook Breedtegraad 

Laveren, opkruisen. Vordering maken tegen de wind in onder een zo klein mogelijke hoek met de wind, beurtelings over beide boegen.  

Lawerlijn (v). Lijn waarmee de » dwarskuil aan boord gedraaid wordt.  

Lay-by (e). Uitwijkhaven.  

Layline (e) (w). Aanzeillijn naar de eerste boei bij het » matchracen 

Lazaretschip. » Hospitaalschip 

Lazyjacks (e). Ook: zeilvangers. Lijnen van de mast naar de giek om gereefd het zeil te kunnen laten zakken. Voorkomen dat het grootzeil tijdens het reven of strijken `wegwaait'.  

LDV (m). Logistieke Dienst Verzorging. Zie ook Hoboko 

Leech (e) (s). De lijn tussen de top van het zeil en de schoothoek.  

Leechline (e) (s). Lijntje waarmee de spanning van het achterlijk kan worden geregeld.  

Leek (v). » Laik 

Leg (e) (w). » Rak 

Leggers. Bodemspanten van een platbodemjacht.  

Leg-of-mutton sail (e). Torenzeil; bermudazeil.  

Leguaan. Stootkussen, vaak van gevlochten touw, dat de voorsteven beschermt, of - zoals in mijn geval - andere schepen beschermt tegen de voorsteven van mijn roestbak.  

Legwaring. De dikke planken die op het dek van houten binnenschepen langs het boord liggen en als loopvlak dienen.  
. 

Postzegel van de Faroer Eilanden: de Ontdekking van Amerika door Leif Erikson
.
Leif Erikson. Leif Erikson (ca. 970 – ca. 1020) was een Noorse ontdekkingsreiziger die wordt beschouwd als een van de eerste Europeanen die het vasteland van Amerika ontdekten. In Erikson's geval was dat bijna 500 jaar voordat Christopher Columbus (onterecht) beweerde Amerika te hebben ontdekt. Erikson kocht een boot en vertrok in 1001 met 35 bemanningsleden om het land te ontdekken dat Bjarni had gezien ten westen van Groenland, hetgeen waarschijnlijk de kust van Canada was. Het eerste land wat hij ontdekte was bedekt met platte stenen ("hella"in Oudnoors ). Dus noemde hij dit land, waarschijnlijk Baffin Island, "Helluland". Vervolgens ontdekte hij land dat plat en bebosd was, met witte zandstranden. Dit land noemde hij  Markland ("Bos-land"), waarschijnlijk Labrador. 
Leif en zijn bemanning vertrokken uit Markland en ontdekten opnieuw land, dat zij Ny Vinland (Nieuw Wijnland) noemden. Erikson stichtte een Noorse nederzetting in Vinland, op de noordelijke punt van het eiland Newfoundland, en noemden het Leifsbúdir, hetgeen "Leif's pakhuizen" betekent. Het was een aangename omgeving met wilde druiven of bessen en meer dan genoeg zalm in de rivier. Het klimaat was mild, met weinig vorst in de winter en het hele jaar door groen gras.  
. 
Leioog. Ook: schootoog. Oog van metaal of kunststof waar een schoot of ander touw doorheen geleid wordt om de trekrichting te veranderen.  

Leisure 17. Trailerbaar flushdek zeiljacht met vier slaapplaatsen. L.O.A. 5,56 m., breedte 2,20 m., zeiloppervlak grootzeil 7,70 m², fok 6 m², genua 9,30 m², spinnaker 19,30 m².  

Lek. (1) Niet waterdicht. (2) Plaats waar iets lek is.  

Lekdienst (m). Onderdeel van de D(amage-control)-organisatie. Dienst die tijdens gevechten verantwoordelijk is voor de stabiliteit van het schip.  

Lekko. (e) (Let go!) Laat vieren (die lijn), laat vallen (dat anker).  

Le Mans-start (s) (k). Hierbij staan de surfers of kanoërs een meter of tien van de waterlijn, waar de surfplanken of kano's klaar liggen. Op het startschot rennen zij op hun vaartuigen af, duwen ze in het water en varen weg.  

Lemmer (v). Arbeider die een walvis helpt slachten.  

Afb. 28. Lemsteraak
De Groene Draeck

Lemsteraak. Soms ook » boeier genoemd. Oorspronkelijk speciaal gebouwd voor de visserij op de Zuiderzee, waarbij zware eisen werden gesteld aan zeileigenschappen en » zeewaardigheid. Thans een van de mooiste ronde jachten. De Groene Draeck van koningin Beatrix is zo'n Lemsteraak. Zie ook afb. 28.  

Lemsteraak 10. Zeewaardige houten rondebodemjacht. L.O.A. 10 m.  

Lemsteraak 910. Zeer handelbaar houten rondebodemjacht. L.O.A. 9,10 m., diepgang 0,54 m.  

Lemsteraak (Classic Yachts Marken). Stalen rondspant zeiljacht met acht vaste slaapplaatsen. L.O.A. 13 m., breedte 4,20 m., zeiloppervlak 77 m².  

Lemsterschouw. Ook: zeeschouw of spekbak. » Schouw bestemd voor de Zuiderzeevisserij. Werd onder andere in Lemmer, Enkhuizen en Hoorn aangetroffen.  

Lemstra 36. Stalen of aluminium zeiljacht. L.O.A. 11 m., breedte 3,60 m., zeiloppervlak 73 m².  

Leng. Kettingstrop.  

Lengers Ladenstein 2000. Polyester knikspant (diep-V) motorjacht met acht tot tien vaste slaapplaatsen. L.O.A. 21 m., breedte 5,25 m., diepgang 1,40 m.  

Lengers President 615. Polyester knikspant (diep-V) motorjacht met zeven vaste slaapplaatsen. L.O.A. 18,20 m., breedte 4,82 m., diepgang 1,25 m.  

Lengte (n). Afstand van een plaats tot de eerste of beginmeridiaan, in graden gemeten langs de » breedtecirkel 

Lengtecirkel (n). » Meridiaan 

Lengtegraad (n). Graad van een » breedtecirkel. Zie ook Breedtegraad 

Lengte op de waterlijn. Rechte afstand op de waterlijn tussen de meest voorste en achterste punten van de romp op deze lijn.  

Lengte over alles, L.O.A. Afstand in een rechte lijn tussen de meest voorste en meest achterste punten van de scheepsromp.  

Lenspomp. Pomp om water over te hevelen.  

Lenswater. Water dat door het zweten van de lading of scheepsdelen langs de huid of » buikdenning naar een lensput loopt, waarna het door een » lenspomp overboord wordt gepompt.  

Lentepunt. Zie Ecliptica 

Lenzen. Voor de storm weglopen met juist genoeg zeil of motorkracht om te voorkomen dat de zeeën van achteren inlopen en over het schip slaan.  

Lepelboeg. Vorm van vooroverhang. Kan gematigd, normaal of extreem bol zijn.  

LES. Land Earth Station (e). Walcommunicatiestation. De term wordt met name gebezigd bij » Inmarsat-communicatie.  

Lethe. (Uit de Griekse mythologie.) De rivier der vergetelheid, waaruit de schimmen moesten drinken als ze in de onderwereld aankwamen, om zo het leven op aarde te vergeten.  

Leuver. (1) Een oog aan het lijk van een zeil gesplitst. (2) Clip om de » fok aan de » voorstag vast te maken. Hij is aan het » voorlijk van de fok bevestigd door middel van het hier nog open staande verende lipje; dat wordt door een kousje in het voorlijk gestoken en rondom het daar ingenaaide staaldraad dichtgebogen.  

Levelrating (e) (w). Berekening om bij verschillende zeewedstrijdjachten met dezelfde kansen een wedstrijd te kunnen zeilen. Zeewedstrijdjachten met dezelfde levelratings kunnen op dezelfde manier met elkaar zeilen als die van de eenheidsklassen. Zie ook Handicap en Voorgiftregel 

Leviathan. (1) Monsterachtig waterdier uit de bijbel (Job 40 en 41). (2) Mammoetschip; zeekasteel. (3) Walvis.  

Lex Rhodia. Verzameling Griekse en Romeinse wetten uit ± 300 voor Christus, die het gedrag op zee regelden en door het merendeel van de toenmalige zeevarende naties werden aangenomen. Zie ook Rôles d'Oléron 

LHA (n). » Local Hour Angle 

Liberty boat (e). » Tender 

Liberty man (e). Passagierende matroos.  
  
  

.Imagemap of Liberty Ship
 

Liberty-schip. Amerikaans vrachtschip waarvan er tijdens de Tweede Wereldoorlog 2680 zijn gebouwd. 7000 BRT. L.O.A. 134,60 m., breedte 17,30 m., diepgang 8,10 m. Zie afb. 29.  

Lichtboei. Boei die een lichtsignaal geeft.  

Licht der Zeevaert, Het - . Bloemlezing van de beste Hollandse schrijvers op het gebied van de zeevaartkunde, zoals Barents en Waghenaer, in 1608 gepubliceerd door Blaeu te Amsterdam.  

Lichtekooi. Prostituée. Dame die men licht (gemakkelijk) te » kooi krijgt.  

Lichtenlijnen. » Geleidelichten. In de Dordtse Kil wemelt het ervan.  

Lichter. (1) Schip met geringe » diepgang zonder eigen voortstuwing. Zie ook LASH. (2) » Kaag. (3) Hek- of marslantaarn.  

Lichterbrief. Consent tot het lossen van een gedeelte van de lading in een andere plaats dan is overeengekomen, bijvoorbeeld in verband met averij of lage waterstand.  

Lichtmatroos. Laagste `rang' van het dekpersoneel. Zie ook Matroos o.g., Matroos en Volmatroos 

Afb. 30. Lichtschip

Lichtschip. Soort drijvende vuurtoren. Sind men de » Noord Hinder heeft weggehaald heeft Nederland geen lichtschepen meer. Ze zijn allemaal vervangen door lichtboeien. In Engeland zijn ze voor een prikje te koop. Men kan er prachtige plezierjachten van maken. Zie afb. 30.  

Lichtsectoren. » Sectorlichten 

Lichtweerzeil (s). Zeil dat onder minimale windcondities wordt gebruikt, doorgaans met een oppervlakte van 7 m² of meer.  

Lier. Mechanisch hulpmiddel om grote kracht op een » schoot, » val of ketting te kunnen uitoefenen.  

Lieraap. Elk van de bemanningsleden aan boord van een groot wedstrijdjacht dat er op is getraind de lieren te bedienen. Bij het gijpen en overstag gaan is hun snelheid en kracht een bepalende factor.  

Lierdraad (v). (1) Staaldraad waarmee de » dwarskuil aan boord gedraaid wordt. (2) Sleeplijn van de snoekbaarssleepnetten.  

Lierlijn (v). Lijn waaraan tijdens het vissen de snoekbaarssleepnetten vastgestoken zijn.  

Lifeboat (e). Reddingsboot.  

Lifejacket (e). » Reddingsvest 

Lifeline (e). » Lijflijn 

Ligbokje. Steunder voor giek en gestreken mast.  

Ligdagen. Dagen die benodigd zijn voor het laden en lossen. Tegenwoordig vaak lig-uren 

Liggeld. (1) Ook: kaaigeld. Belasting van schepen geheven voor het liggen aan een kade of in een haven. (2) Geld dat aan de reder wordt betaald voor de tijd die het schip boven de bepaalde termijn ergens ligt om op lossing of lading te wachten.  

Liggende doft. Zware dwarsbalk waarop de stuurman van een botter staat.  

Ligplaats. Plaats waar een boot geankerd of afgemeerd is of kan worden.  

Lij. Kant waar de wind naartoe gaat.  

Lijerman (v). Het vaartuig dat bij de » wonderkuilvisserij aan » lij ligt.  

Lijfhout. (1) Buitenste plank van het dek. (2) Buitenste plank van de deken van de bun.  

Lijflijn. Lijn met musketonhaak die aan de ene kant aan het » veiligheidsharnas is bevestigd en aan de andere kant aan de » looplijn 

Lijfseizing. Reddingslijn die bij werkzaamheden buiten boord om het middel van de schepeling wordt gebonden, om overboord vallen te voorkomen.  

Lijgierig. Laf. Een zeilboot is lijgierig wanneer zij de neiging heeft om af te vallen, van de wind af te draaien. Om haar op koers te houden moet de » helmstok dan naar » lij worden gehouden.  

Lijk. Boordsel van een zeil.  

Lijken. (1) Het met touwwerk versterken van het boord van een zeil. (2) Een zeil op de wind brassen.  

Lijkstrekker. Touw dat het lijk van een zeil strekt. Zie ook Onderlijkstrekker 

Lijktouw, lijkentouw. Krap geslagen touw dat tegen de zwaarst belaste » lijken van een zeil wordt genaaid om deze te versterken en om het mogelijk te maken dat » voorlijk of » onderlijk in een groef aan mast, » giek of » voorstag kunnen worden gevoerd.  

Lijn. Touwwerk uit drie of vier strengen dat gebruikt wordt voor weeflijnen, zwaardere bindsels aan stagen en wanten en ook als lopend want en sloeplijnen.  

De lijn (v). Vóór de afsluiting van de Zuiderzee de afbakening van de voor de gaand-wandvissers verboden gebieden. Zie ook Lijnlegger 

Lijnbaan. Touwslagerij.  

Lijnen (k). Het vanaf de wal stroomafwaarts trekken (of leiden) van een kano. Zie ook Trekken 

Lijnen uitstomen. Het meeslepen van lange touwen in zware zee.  

Lijnlegger (v). De controleur die vóór de afsluiting van de Zuiderzee in de gaten hield of de vissers » de lijn overschreden.  

Lijnvaart. Door rederijen onderhouden scheepvaartdiensten tussen twee havens volgens een vast schema, een vaste route en een vaste prijs. Doen de schepen daarbij de thuishaven aan, dan is er sprake van home trade. Zo niet, dan is er sprake van cross trade 

Lijnwerptoestel. Apparaat waarmee een reddingsstation of reddingsboot een trosverbinding tot stand brengt met een schip in moeilijkheden of een drenkeling.  

Lijwaarts. Van het uitgangspunt af naar lij, met de wind mee.  

Lijwal. Kust onder de wind.  

Lijzijde. De zijde die van de wind af gekeerd is.  

Lijzeilen. Ook: bonnetzeilen. Smalle zeilen die » vierkantgetuigde schepen bij lichte wind aan weerszijden van de normale zeilen kunnen bijzetten. Tot ongeveer 1880 voerde de koopvaardij naast de vierkante zeilen ook lijzeilen.  

Liman. Russische benaming voor de baaien aan de uitmonding van de rivieren in de Zwarte Zee.  

Limbus (n). In graden ingedeelde rand van een hoekmeetinstrument. Zie ook afb. 8.  

Line squall (e). Regenbui met harde wind. Zie ook Squall 

Linie. Evenaar.  

Linieschip (m). Vanaf het midden van de zeventiende eeuw gaf de Britse admiraliteit de opdracht dat de schepen slag moesten leveren in een enkele linie, zodat het bredezijvuur de meeste uitwerking zou hebben. Hiertoe werden de grootste schepen van de vloot gebruikt, die werden ingedeeld in zes klassen. Een eersteklas linieschip had meer dan 90 stukken. De betaling van de officieren was evenredig aan de klasse van het schip waarop zij voeren.  

Linkcall (e). Telefoongesprek tot stand gekomen via een walstation.  

Linkse botter (v). » Botter met het deurtje aan bakboord.  

Linssen Classic Sturdy 40. Stalen multiknikspant motorboot met vier tot zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 12,40 m., breedte 4,05 m., diepgang 1,25 m.  

Linssen Sturdy 360. Stalen multiknikspant motorboot met vier tot zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 10,85 m., breedte 3,55 m., diepgang 1,10 m.  

Lipblok. Ook: schouderblok. » Blok waarvan de beide wangen naar de zijde van het halende part een klein uitsteeksel hebben, dat voorkomt dat het touw klem loopt tussen blok en ra. Wordt gebruikt voor de fokkehals.  

Lipklamp. Klamp met een uitstekende lip, om een lopend touw op te beleggen.  

Lit (v). (Garnalen)mand.  

Litjesverkoop (v). De verkoop van vis aan particulieren.  

Litoraal. De kust of het kustland betreffend.  

Litorale fauna. Het dierenrijk van de zee tot ± 400 meter diepte.  

Livre de bord (f). Journaal.  

Livret (m). Algemene benaming voor boekwerken of registers met de eigenschappen van het schip, de uitgevoerde reparaties en dergelijke.  

Ljungström-jacht. Zeilboottype met een gestroomlijnde romp en vaak een draaibare mast, zonder stagen.  

Lloyd. Naam van de eigenaar van een Londens koffiehuis, waar in de 17e en 18e eeuw de reders, makelaars en verzekeraars uit de stad bijeenkwamen. In 1688 richtten zij een vereniging op die zij Lloyd's noemden.  

Lloyd's of London. Verzekeringsmaatschappij voortgekomen uit het in 1688 opgerichte Lloyd's. De maatschappij staat er slecht voor, want zij heeft in de afgelopen vijf jaar 22,3 miljard gulden verlies geleden. Daar moeten de » Names persoonlijk voor opdraaien, maar die kunnen of willen dat niet.  

Lloyd's Open Form. Verkorte omschrijving van Lloyd's Standard Form of Salvage Agreement. In 1890 ingesteld om tijdrovende rechtszaken tussen eigenaars van sleepboten en gezagvoerders/reders van om hulp vragende schepen te voorkomen. De sleepboot seint `L' en wanneer daar bevestigend op wordt geantwoord betekent dit dat beide partijen zich neerleggen bij een eventuele uitspraak van de door Lloyd's aangewezen arbiter(s).  

Lloyd's Register of Shipping. Classificatiebureau, in 1834 opgericht te Londen, die de maatstaven voor de scheepsbouw bepaalt.  

LLWS. Laag-laagwater-spring.  

Llyr. Ook: Lir. Keltische god van de zee en meester van alle kunsten.  

LMT (n). Local Mean Time. Plaatselijke gemiddelde tijd.  
. 
LNG. Liquified Natural Gas. Met 10 miljoen euro steun, ruim een derde van de totale kosten, zal de Europese Unie een studie ondersteunen die het gebruik van LNG in de scheepvaart zal onderzoeken. LNG is de vloeibare variant van aardgas (CNG) en wordt aanzien als nieuwe opportuniteit voor de transportsector om minder olie-afhankelijk te worden. Door het gebruik van LNG zou ook de scheepvaart milieuvriendelijker worden, die momenteel nog gebukt gaat onder vrij veel uitstoot van zwavel. 
Tegen 2015 en 2016 zullen de uitstootvoorwaarden hiervoor worden aangescherpt. Door het gebruik van LNG zou er geen zwaveluitstoot meer zijn. 
Met het geld, dat afkomstig is van het TEN T-fonds, zal een studie over een LNG-tanknetwerk en twee LNG-zeeschepen worden gefinancierd. Dit tanknetwerk zal passen binnen het ‘Motorways of the Sea’ project, dat de Baltische Zee met de Noordzee en het Kanaal verbindt. Volgens het TEN-T Agentschap zullen voornamelijk België en Denemarken kunnen profiteren van deze nieuwe ontwikkelingen. Ook de Scandinavische landen zullen er voordeel van ondervinden. 
Een eerste studiepunt zal de mogelijkheden onderzoeken voor LNG-tankpunten. Deze bevindingen van een strategische studie moet een kaderwerk vormen voor een proefproject met LNG-schepen. 
Ten tweede zal men de bouw van twee LNG-schepen onderzoeken die zowel goederen als vrachtwagentrailers kan transporteren. Dat schip moet 90% minder NOx uitstoten en 25% minder CO2. 
Tegen 2015 komt er alvast een LNG-terminal in Duinkerken die zal worden gebouwd door de Franse elektriciteitsproducent EDF, goed voor 13 miljoen m³ en wordt zo een belangrijk bevoorradingspunt voor West-Europa. Omdat dit naast de LNG-terminal in Zeebrugge een belangrijk toevoerpunt zal zijn, heeft het Belgische Fluxys een participatie van 25% genomen in dit project. 
. 
L.O.A. » Lengte over alles 

Loblolly boy (e). Hulpje van de scheepsarts.  

Loch. Schots meer. Meestal zeer diep en zeer koud, ook 's zomers.  

Local Hour Angle (LHA) (n). De hoek tussen de meridiaan waarop de » aardse projectie ligt en de meridiaan waarop de aangenomen waarnemer zich bevindt.  

Lock (e). » Sluis 

Loddevisserij. Visserij met hoekwant op voorjaarskabeljauw in Finland.  

Loden. Het meten van de waterdiepte door middel van een lood met loodlijn, een echolood of iets dergelijks.  

Lodicator. Instrument waarmee de spanningen in een schip worden gemeten.  

Loef. Kant waar de wind vandaan komt.  

Loefbalk. Maststut.  

Loefduel (s). Zo ver doorgaan met oploeven dat de wind haast aan lij het zeil binnenkomt en de tegenstander wordt gedwongen om overstag te gaan.  

Loefgierig. Wreed. Een zeilboot is loefgierig wanneer zij de neiging heeft om met de kop in de wind te draaien; om de boot op koers te houden moet men de » helmstok dan naar de loefzijde houden.  

Loefwaarts. Van het uitgangspunt af meer naar loef, tegen de wind in.  

Loefwal. De wal waar de wind vandaan komt.  

Loefzijde. De naar de windrichting toe gekeerde zijde.  

Loerd (v). Meelgerecht, `Jan-in-de-zak'.  

Loeven. » Oploeven 

Loeverman (v). Het vaartuig dat bij de » wonderkuilvisserij » te loevert ligt.  

Loevert. » Te loevert 

Log. Instrument om de snelheid van een vaartuig te meten, of de verheid (de afgelegde weg), of beide. De meest eenvoudige vorm is de handlog, die uit een logschuitje, een logrol en een logglaasje bestaat. Een druklog meet de dynamische druk onder het schip. Een elektrische log meet de veranderde inductiespanning door middel van twee gevers aan de huid van een schip. Zie ook Patentlog 
Logboek van het fregat Grand Turk
.
Logboek. Scheepsjournaal. Dagboek waarin de waarnemingen, windrichting, plaatsbepaling en de wederwaardigheden van het schip worden vermeld. Ook duikers houden een logboek bij.  

Loggaten. Gaten in de wrangen waardoor het water zich op het laagste punt van de boot kan verzamelen.  

Loggen. Met een » log de vaart van het schip bepalen.  

Logger. (v) (1) Schip voor de haringvisserij, dat vervangen is door de » trawler. Een logger viste met de vleet aan een lijn over een kluis aan de boeg. (2) Zeillogger. Snel kustvaartuig uit de 18e eeuw, met steile stevens, een gestrekte romp en een één-, twee- of driemasttuig met » loggerzeil. In de 19e eeuw werd het schip gebruikt voor de drijfnetvisserij, als vervanger van de » bom. De laatste zeillogger verdween in 1930. Wordt thans weer gebouwd. L.O.A. 16 m., zeiloppervlak 157 m². (3) `Een logger hebben' = Als schipper varen.  

Loggerbom. » Bom waaronder men een kiel heeft gebouwd.  

Loggerwant (v). Netwerk van de haringvisserij op de Noordzee (zgn. vleetnetten).  

Loggerzeil. Bijna hetzelfde als een » emmerzeil. Hier rust de » voetra niet met een bekje tegen de mast, maar loopt deze door tot een stukje voor de mast.  

Logies (v). Leefruimte, vooronder.  

Logklokje. Telwerk van een patentlog, vaak in de vorm van de koplamp van een fiets, waarop men de stand van de » log kan aflezen.  

Loglijn. Lijn waaraan een log is bevestigd en die door knopen in evenmatige delen is verdeeld.  

LOMBARD (e). Loads Of Money But A Real Dickhead (Hopen geld maar totaal geen intelligentie). In marina's kom je regelmatig LOMBARDs tegen.  

Long distance race(e) (s). Surfmarathon, doorgaans over zo'n 20 mijl, maar minimaal 10 mijl.  

Longitude. Geografische lengte. Zie ook Lengtegraad 

Long John (e) (s). Populair wetsuit voor surfers, bestaande uit een mouwloos eendelig pak met lange pijpen. Daaroverheen wordt vaak een bolero gedragen.  

Longroom (m). Gemeenschappelijk verblijf van de officieren aan boord van een oorlogsschip.  

Lood. Ook: dieplood. Een lijn, doorgaans 25 à 30 » vadem lang, voorzien van doorgestoken merkleertjes en met aan het eind een loden gewicht. Het lood dient om met de hand de diepte te peilen. Thans grotendeels vervangen door het echolood.  

Loodbroodjes. Blokken lood, ter grootte van kleine baksteentjes, die worden gebruikt om een boot de nodige diepgang en ballast (stabiliteit) te geven.  

Loodgordel. Weight belt. Deel van de basisuitrusting van een duiker. Dient om de duiker te verzwaren en het afdalen te vergemakkelijken. Voor zout water heeft men een zwaardere gordel nodig dan voor zoet water.  

Loodlijn. » Lood 

Loods. Gekwalificeerde zee-officier in dienst van het » loodswezen die schepen naar binnen en naar buiten loodst door de gezagvoerder of diens vervanger aanwijzingen te geven voor de navigatie. Meestal is het gebruik van een loods verplicht. Ongeacht de taak van de loods ontheft diens aanwezigheid de kapitein of chef van de wacht niet van zijn eigen taken en verplichtingen.  
  
  

Loodsafhaalboot

Loodsafhaalboot. Ook: loodsjol. Klein maar zeewaardig vaartuig dat heen en weer vaart tussen de loodsboot en de wal en tussen de loodsboot en schepen, om loodsen aan boord te brengen en van boord te halen. Tegenwoordig vaak rubberboten met krachtige buitenboordmotoren.  
. 
Loodsbakje. Koffie die speciaal voor de loods wordt gezet wanneer die aan boord komt. 
. 
  
  

Model van de Schotse loodsboot Cumbrae

Loodsboot. Ook: tender. Schip van het » loodswezen dat 's nachts op het » kruisstation kan worden herkend aan een wit licht boven een rood licht in de top van de mast.  

Loodsladder. » Stormladder 

Loodsstation. De plaats waar volgens de zeekaart de loodsboot moet liggen.  

Loodswezen. Bedrijf, vroeger als rijksdienst ressorterend onder het ministerie van Verkeer en Waterstaat, sinds 1988 geprivatiseerd, dat zich bezighoudt met het plaatsen van loodsen op schepen. Sinds 1994 hebben de circa 600 loodsen van het Loodswezen concurrentie, want in dat jaar liberaliseerde minister Jorritsma van Verkeer & Waterstaat de markt van het loodswezen.  

Loom (e) (r). Handvat van een roeiriem.  

Looplijn. Meestal een met plastic beklede roestvrijstalen lijn over het dek, bevestigd op het voor- en achterdek, waar de musketonhaak van de » lijflijn in wordt gepikt. Wordt dwingend voorgeschreven bij zeilwedstrijden die onder de Internationale Bijzondere Bepalingen van het » ORC worden gehouden.  

Loopplank. Brede plank waarover men van de wal aan boord komt of omgekeerd. Deze term wordt voornamelijk in de binnenvaart gebruikt. Bij de marine en de koopvaardij bezigt men meestal de term » valreep 

Loopstag. Kabel die langsscheeps over het dek wordt gespannen wanneer men zwaar weer verwacht. Zonodig kan de bemanning zich daaraan vasthouden, om niet overboord te slaan. Werd vaak gebruikt in combinatie met veiligheidsnetten boven de » verschansing. Zie ook Looplijn 

Loopwagen. De slede of wagen die over de overloop heen en weer kan bewegen en waaraan het onderste blok van de grootschoot is bevestigd. Bij een loopwagen op een rail kan de heen en weer gaande beweging doorgaans worden beperkt door twee stoppen of door middel van twee lijntjes die aan weerszijden van de loopwagen door een horizontaal liggend blokje lopen.  

Loopzakje (m). Zakje waarin een matroos van de marine tijdens het werk zijn gereedschap bij zich draagt. Bij de koopvaardij heet dit `kreeuw'.  

Loos. Wordt gezegd van een stag of touw waarop geen spanning staat.  

Loose cover (e) (w). Gecontroleerde of losse afdekking. Zie ook Close cover, Afdekken en Afdekkingskegel 

Lopend want. Het touwwerk dat - veelal door blokken of ogen gevoerd - dient om de stand van een zeil of een rondhout te regelen of om een onderdeel van het » staand want te spannen.  

Lopende wind. Doorstaande wind in de vaarrichting.  

Loper. (1) Touw door de blokken van een takel. (2) (v) Glijdend gewicht op een » kuiltouw. (3) Type zeiljacht met hoog grootzeil en breed voorzeil. L.O.A. 8,20 m., zeiloppervlak 24,50 m² tot 35 m².  

Loppy (e). Woelig, met korte golfslag.  

Loran (n). Elektronisch plaatsbepalingssysteem, waarbij het tijdsverschil tussen twee ontvangen signalen zichtbaar wordt gemaakt op een kathodestraalbuis. Kan op grotere afstand werken dan » Decca. Het bereik is overdag zo'n 1200 kilometer en 's nachts ongeveer 2250 kilometer. Op termijn zal het systeem geheel worden vervangen door het » GPS 

Lorcha. Schip met een Europese romp en het tuig van een » jonk, halverwege de negentiende eeuw ontwikkeld door de Portugezen in de buurt van Macao.  

Lording. Ongeteerd schiemansgaren; wordt onder andere in de machinekamer gebruikt.  

Lorelei. 132 meter hoge rots op de rechteroever van de Rijn, tussen Caub en St. Goarshausen, waar de Rijn zijn diepste punt bereikt en zeer smal is, waardoor draaikolken ontstaan. Volgens de sage van C. von Brentano zat er vroeger een nimf op de top van de rots, die voorbijvarenden tot zich lokte met haar betoverend gezang. Heinrich Heine schreef er een gedicht over, dat begint met de onsterfelijk geworden woorden: Ich weiss nicht was soll es bedeuten, dass ich so traurig bin 

Lorrendraaiers. Zo noemde men de smokkelschepen die in de zeventiende eeuw het handelsmonopolie van de Westindische Compagnie (WIC) aan hun laars lapten.  

Losgooien. Het losmaken van de » landvasten om af te varen.  

Losse broek. Onderlijk van een zeil dat niet aan een rondhout is bevestigd.  

Lossen. Een lading uitladen.  

Lostijd. De verwachte of werkelijke tijd die nodig is om het schip te lossen.  

LOT (n). Lowest Observed Tide. Het laagste tij dat men op een bepaalde plek ooit heeft waargenomen. Wordt onder andere in Frankrijk gebezigd.  

Low Aspect Ratio (e). Kort en breed, bijvoorbeeld surfzeil of fok.  

Loxodroom (n). Lijn op het aardoppervlak die alle meridianen onder gelijke hoeken snijdt. Deze lijn is dus krom, al is dat nauwelijks te zien wanneer het om een kleine afstand gaat.  

LP-maat. Zeilmakersterm. De loodlijn vanaf de schoothoek op het voorstag. Zie ook P-maat, J-maat, I-maat en E-maat 

L-serie. De 8 schepen van de Amsterdamse rederij Spliethoff waarvan de naam begint met een L: Lauriergracht, Leliegracht, Lemmergracht, Levantgracht, Lindengracht, Looiersgracht, Lootsgracht en Lynbaansgracht. Zie ook A-serie, B-serie, E-serie, H-serie, K-serie, en P-serie 

Lubber (e). (1) Onbevaren matroos. (2) Landrot.  

Luchtdruk. Werkt als een omgekeerde barometer: hoge druk verlaagt het zeeniveau, terwijl een drukverlaging een niveaustijging veroorzaakt.  

Luchtfles. » Duikfles 

Luchtkussenvoertuig

Luchtkussenvoertuig. Ook: Hovercraft. Voertuig dat zich enigszins boven water, ijs, moeras en tamelijk vlakke vaste grond snel kan voortbewegen, door een luchtlaag tussen de bodem en het oppervlak te persen.  

Luchtsluis. Luchtdichte sluis met dubbele deuren, bijvoorbeeld in de schacht van een caisson, die zo ongeveer op dezelfde manier werkt als een schutsluis bij schepen.  

Luchtverdeelkast. Ook: buikorgel. Accordeon.  

Luie loper. Schip dat weinig snelheid ontwikkelt vergeleken met schepen van zijn soort. `Het is een luie loper; die kof is niet vooruit te branden.'  

Luiemanshandgreep. Handgreep boven een steile trap.  

Luierbalk. Pennebank om de helmstok op vast te zetten.  

Lui hout. Niet goed gebogen of gekromd hout.  

Luik. Opening in het dek of in een dwarsschot. De luiken die het dek afsluiten moeten, wanneer zij van hout zijn, ten minste »0 millimeter dik zijn. Zij rusten op verschuifbare luikbalken, die dwarsscheeps in de luikopening zijn aangebracht. Zie ook Patentluiken, Presenning en Schalken 

Luikhoofd. Hoge opstaande rand van een dekluik.  

Luilijn (v). » Lawerlijn 

Luisterwacht. Taak van de » radio-officier 

Luitenant-admiraal (m). In de praktijk in Nederland de hoogste officiersrang bij de marine.  

Luitenant-ter-zee (m). Laagste officiersrang bij de marine. In Nederland kennen we de 1e t/m de 3e klasse.  

Luiwagen. (1) Dwarsscheepse steun van de lange » helmstok van een » tjalk. (2) Overloop van de grootschoot en de fokkeschoot. (3) Soort bezem voor het natte werk.  

Luizenhuis (m). Ministerie van Defensie.  

Luizenplecht. Lager gelegen dek op de voorplecht van een VOC-schip, waar je buiten het gezichtsveld van de officieren bent. De term `luizenbaantje' is hiervan afkomstig.  

Lulijzer (m). Ook: lultalie. Microfoon van een radiozendontvanger.  

Afb. 31. Lummel met lummelpot

Lummel. Ook: mannetje. Draaibare verbinding van de giek of laadboom aan de mast. Bestaat uit een lummelbout aan de giek of laadboom en een lummeloog of lummelpot aan de mast. Bij een scharnierende verbinding is de hiel van de » laadboom gevat in een vork, die met een horizontale bout aan een verticale spil vastzit: de eigenlijke lummel. De horizontale bout maakt het mogelijk dat de lummel op en neer beweegt, het zogenaamde `toppen'. Op de lummel zelf kan de laadboom van de ene kant naar de andere zwaaien. Zie ook afb. 31.  

Lummelpot. Ook: vrouwtje. Pot aan de mast waarin de » lummel draaien kan. Zie ook afb. 31.  

Lusitania. Britse stoomboot van de Cunard Line die op 7 mei 1915 voor de kust van Ierland de grond werd ingeboord door een Duitse onderzeeër. 1198 opvarenden kwamen daarbij om het leven.  
Lutine. Door de Engelsen buitgemaakt Frans fregat dat in de nacht van 9 op 10 oktober 1799 met een lading goud en zilver voor Hamburg verging tussen Vlieland en Terschelling. Alle driehonderd opvarenden kwamen daarbij om. Sindsdien hebben velen getracht het goud boven water te krijgen. De schat is echter onbereikbaar geworden omdat de Lutine steeds verder in de zeebodem is weggezakt. De kanonnen aan de Willem Barentzkade op West-Terschelling zijn van de Lutine afkomstig.  
Daar lag nu 't schone schip
Geslingerd door de baren
Met goud en goed belaân
Is 't schone schip vergaan.
 
 
Afb. 32. Luxe motor

Luxe motor. Klassiek motorschip met zogenaamde `luxe roef' achter de stuurhut. Zie ook afb. 32.  

LVBZB. Landelijke Vereniging tot Behoud van het Zeilend Bedrijfsvaartuig. » Behoudsorganisatie die in 1974 is opgericht.  

LW (n). Laag water.  

LWL. Lengte waterlijn. De lengte van de waterlijn van voorsteven tot achterschip.  

Lyfting. Verhoging van het voor- en achterdek van een vikingschip.  

Lying a'hull (e). » Kaal liggen 
 

 

A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z
.
.
Email: jackvanderwyk@yahoo.co.uk



























tumblr page counter