



A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z
| O
Oar (e) (r). Roeispaan, roeiriem. Oc. (n). Zonder verdere aanduiding op de zeekaart betekent dit dat het hier gaat om een single occulting light, dat wil zeggen een lichtsignaal dat meer licht dan donker vertoont. `Oc 6s' betekent bijvoorbeeld dat in elke periode van 6 seconden een licht verschijnt dat aanmerkelijk langer is dan de donkere periode, laten we zeggen 5 seconden licht, 1 seconde donker. Een verdere aanduiding tussen haakjes duidt op het aantal lichtsignalen per cyclus. `Oc (2) 8s' betekent bijvoorbeeld dat in elke periode van 8 seconden tweemaal een lichtsignaal wordt gegeven dat langer is dan de donkere fase. Zie ook F, FL, Iso, Mo(K), Q en VQ. Occlusiefront. Front dat ontstaat wanneer het langzamer bewegend warmtefront in een depressie wordt ingehaald door het sneller bewegend koufront. Hierdoor ontstaat soms een frontale mist. Zie ook Mist. Oceaan. Verzamelnaam voor de grote wereldzee, die in totaal 70,8% van de aarde omvat en wordt onderverdeeld in Atlantische Oceaan, Grote Oceaan en Indische Oceaan. Oceaanrace (w). Zeilwedstrijd op de oceaan. De bekendste oceaanraces zijn de Transpac (Californië-Hawaii) en de Newport-Bermuda race. Ocean greyhound (e). Amerikaanse benaming voor snel passagiersschip. Oceanis 350. Luxueus polyester zeiljacht met slaapaccommodatie voor zes of acht personen. L.O.A. 10,30 m., zeiloppervlak 69,10 m². Ocean lane (e). Zeeroute. Oceanografie. De studie der zeeën.
![]() . OCN. » Optimist Club Nederland. Octant. Hoekmeetinstrument waarvan de gradenboog slechts het achtste deel van een cirkel bedraagt en dat daarom minder nauwkeurig is dan een » sextant. De octant van Hadley werd in 1731 uitgevonden. Zie ook Jacobsstaf, Kwadrant en Zeeastrolabium. Oebe (v). Opening of ruimte tussen twee » beugen » hoekwant of staande netten. Oefencirkel (s). Een gecombineerde oefening van starten, oploeven, overstag gaan, afvallen, gijpen, oploeven en opnieuw starten. Oesterbank (v). Ondiepe plaats in zee waar men oesters vindt of kweekt. Oesterkor (v). Driehoekig ijzeren raam met een daaraan vastgemaakt ijzeren net, waarmee op oesters wordt gevist. Oesterteelt (v). Ook: oestercultuur. Het uitplanten van oesterbroed op met kalk bestreken dakpannen in putten met water die weinig zout bevatten. Het oesterzaad zet zich op de oesterpannen vast. Deze pannen kunnen later in zee worden uitgezet. ![]() Officieren. (1) (m) Van boven naar beneden: admiraal (titel voorbehouden aan een mannelijke telg van het koninklijk huis), luitenant-admiraal, vice-admiraal, schout-bij-nacht, commandeur, kapitein-ter-zee, luitenant-ter-zee 1ste klas, luitenant-ter-zee 2de klas (oudste categorie), luitenant-ter-zee 2de klas, luitenant-ter-zee 3de klas. Zie ook Onderofficieren, subalterne officieren, hoofdofficieren en vlagofficieren. (2) Koopvaardijofficieren zijn stuurlieden, machinisten, kapiteins, radiotelegrafisten enz. Officiersballen (m). Gehaktballen bestemd voor de officieren, die vaak op slinkse wijze door de » Jannen werden buitgemaakt. Offshore 707. Zware polyester vis- en werkmotorboot, met een topsnelheid van 27 knopen. L.O.A. 7,07 m., breedte 2,85 m., diepgang 0,75 m. Offshore 700 Rescue. Trailerbare polyester knikspant motorboot. L.O.A. 7,20 m., breedte 2,85 m., diepgang 0,80 m. Offshore-activiteiten. Alle buitengaatse werkzaamheden die te maken hebben met de winning van aardgas en aardolie en de installatie van technische voorzieningen daarvoor. Zie ook Boor- en produktieplatform en Inshore. Offshore racing (e) (w). Wedstrijdzeilen op zee. O-jol. » Olympiajol. Okselvet (m). Deodorant. Oliegoed. Waterafstotende werkkleding. Oliehemd (v). Jas van oliegoed die over het hoofd moest worden aangetrokken. Oliekatoen (v). Linnen voor de vervaardiging van oliegoed. Olievel (v). Voorschoot van oliegoed. Olympiajol. Ook: O-jol. Snel rondspant midzwaardbootje. L.O.A. 5 m., breedte 1,66 m., zeiloppervlak 10,50 m². Olympische baan. (1) (w) Een door drie boeien gemarkeerde driehoeksbaan, bestaande uit een kruisrak, een ruimwindse - en een voordewindse koers. (2) (s) Een baan met drie gelijke rakken, die telkens in een hoek van 60° ten opzichte van elkaar staan. Bij internationale wedstrijden heeft elk rak een lengte van ongeveer één zeemijl. Olympische klasse (w). Klasse van schepen waarin Olympische wedstrijden worden gehouden. Ombaksen (m). Een stuk geschut zijdelings richten; rechts of links omzetten. Ombrassen. De zeilen door middel van brassen omhalen. Omcirkelen (w). De klassieke opening van een » matchrace. Na het binnenvaren van het startgebied beginnen beide tegenstanders elkaar te omcirkelen in de richting van de klok, waarbij elk probeert de beste positie te verkrijgen en te verhinderen dat de ander die positie krijgt. Omhalen. (1) Het in een andere richting brengen van iets, bijvoorbeeld het schip, de ra's of de zeilen. (2) » Gijpen. Omhoog. Aan de grond. Omlopen. Langsscheepse steunknie voor de dekbalken van een botter. Omscheren. Lopend touwwerk anders scheren, om » schavielen te voorkomen en eventuele slijtage gelijkmatig over het touwwerk te verdelen. Omslaan. Positie waarbij de boot verder dan 90° kapseist en doorgaans ondersteboven komt te liggen. Zie ook Brede zij, Mast het water in zeilen, Op één oor liggen en Rondrollen. Omtoor (v). De man die de volle aasbakken aanvoert, de kabeljauwkoppen afvoert, de kieuwen uitsnijdt enz. Omval (v). Onstabiel vaartuig. Omvormer. Apparaat dat 12 volt gelijkstroom omzet in 230 volt wisselstroom. Onbewegerd. Dit wil zeggen dat de » inhouten zichtbaar zijn. Zie ook Wegering. Onder. Aan lijzijde. Onderbezaan. » Bezaan onder de bovenbezaan. Onderbramra. Zie Bramra. Onderdeks. (1) Plafond. `De soep zit tegen het onderdeks.' (2) Beneden. `Die ouwe is onderdeks.' Onder één vlag (v). In één jaar tijd. Ondergrietje. Zie Bramzeil. Onderkapitein. Rang tussen » kapitein en eerste » stuurman, die wel voorkwam op de zeilvaart, met name wanneer kapitein en onderkapitein beiden eigenaar van het schip waren. Onderkoeling. Begint wanneer de lichaamstemperatuur onder de 35°C zakt. Bij ongeveer 20°C treedt de dood in. In het water koelt het lichaam 27 keer zo snel af als in windstille lucht. Zie ook Survivalpak en Wetsuit. Onderkruiszeil. Zie Marszeil. Onderlijk. Onderrand van een zeil. Onderlijkspanner. » Onderlijkstrekker. Onderlijkstrekker. Een lijntje dat dient om de » schoothoek van het grootzeil op de » giek naar achteren te trekken, zodat de voet van het zeil wordt gestrekt en het gehele zeil vlakker wordt. Ondermarsera. Zie Marsra. Onderofficieren (m). Hieronder vallen bij de marine, van beneden naar boven, de functies korporaal, sergeant, sergeant-majoor en adjudant-onderofficier. Zie ook Officieren. Onderpees (v). » Onderreep. Onderreep (v). Reep langs de onderkant van de opening van een » kuilnet. Onderstok (v). Onderste stok waarmee de » breefok uitgezet wordt. Onderwant. Zie Want. Onderwaterschip. Dat deel van het schip dat zich onder water bevindt wanneer de boot in het water ligt. Onderzeeboot (m). Vaartuig dat door het innemen of wegpompen van waterballast in staat is om onder water te varen, respectievelijk aan de oppervlakte te komen. Onderzeebootjager (m). Torpedobootjager die speciaal is ingericht voor de bestrijding van onderzeeboten. Onderzeil. Onderste der razeilen. Onderzeilen. Op een langsscheeps getuigd schip worden hier doorgaans het grootzeil, de fok en de kluiver mee bedoeld. Onderzeilsgast. Schepeling die belast is met het los- en vastmaken van de onderzeilen van een vierkantgetuigd schip. Onderzeilskoelte. Ook: stormwind. Wind waarbij een bij de wind zeilend schip niet meer voeren kan dan de onderzeilen of het grootzeil. Onderzijd (v). Eén van de twee zijden waaruit een » kuilnet samengesteld wordt. Ondiep water. Hiervan spreekt men wanneer de diepte kleiner is dan de helft van de » golflengte (2). Ondiepwatergetijden. Onregelmatige getijden op plaatsen waar de zee zeer ondiep is, zodat de getijgolven vervormd en vertraagd worden en hoog- en laagwater zich niet normaal laten gelden. One Off BOC 50 voet. Rondspant aluminium zeiljacht met twee vaste slaapplaatsen. L.O.A. 15, 24 m., breedte 4,76 m., zeiloppervlak 170 m². O.N.J. Loodsboot 760. Trailerbare polyester rondspant motorboot. L.O.A. 7,60 m., breedte 2,40 m., diepgang 0,80 m. Onklaar. Touwwerk of ankerketting dat ergens in verward is. Ontluchtingsklep. Knop op een » ademhalingsautomaat, » drysuit of » trimjack, waardoor lucht kan ontsnappen. Ontwikkelingsklasse (w). Klasse van wedstrijdjollen waarbij de afmetingen binnen zekere grenzen moeten vallen die door de regels worden aangegeven, maar niet geheel behoeven te voldoen aan een uniforme uitvoering waardoor de mogelijkheid van een verbetering blijft bestaan. Onweer. Geluid dat wordt geproduceerd wanneer het bliksemt. Het rollend, donderend geluid wordt doorgaans veroorzaakt door weerkaatsing van het geluid tegen objecten als wolken en bergen. Onweersbui. Lokale atmosferische storing die gepaard gaat met weerlicht, onweer en zware regenval, vaak met sterke windstoten en soms met hagel. Oog. Eiland. Komt in plaatsnamen voor, bijvoorbeeld Schiermonnikoog, Rottumeroog, Callantsoog, Langeoog, Spiekeroog en Wangerooge. Oogbout. Een aan dek gelaste bout met aan het uiteinde een oog, ter bevestiging van de staaldraden die bij het laadgerei worden gebruikt om de laadbomen goed vast te zetten. Oogsplits. Tamp waaraan een oog gesplitst is. Oog van de wind. De exacte windrichting. Oor (v). Hoekstuk van een » kuilnet (bij de » oorstok). Oorlam. (1) (m) Borrel jenever, vroeger 's morgens en 's middags aan elke matroos uitgereikt, wanneer die ten minste twintig jaar oud was. (2) Oudgast; bevaren matroos. (3) Bij de koopvaardij: matroos die vroeger bij de marine heeft gediend. Oorlamvaatje (m). Klein, sierlijk ovaal tonnetje met een koperen kraan en koperen banden, dat in de bottelarij van de schepen stond. De voorkant was wit geverfd en versierd met geschilderde gekruiste vlaggen, anker en kroon, zoals de traditie dat voorschreef. Oorlog. Op 10 mei 1940 ontvingen de Nederlandse koopvaardijschepen via Scheveningen Radio de opdracht van de regering om uit te wijken naar de dichtstbijzijnde Britse, Franse of neutrale haven. Ruim 90% van de vloot was op zee: 465 grote-vaartschepen, 109 kustvaarders, 182 korte-vaartschepen, 49 zeeslepers en 38 vissersschepen, met aan boord ruim 18.000 officieren en manschappen. Van hen kwamen meer dan 3200 om het leven en meer dan de helft van de vloot werd tot zinken gebracht. Zie ook Vaarplicht. Oorschot (v). Tussenschot van de » bun. Oorstok (v). Verticaal balkje aan weerskanten van de opening van een » kuilnet. Oortouw (v). V-vormig lijnstuk (spruit) aan een » oorstok. Oostaustralische stroom. Stroomt langs de oostkust van Australië. In verband met de » Zuidequatoriaalstroom, de Equatoriale Tegenstroom en de heersende moesson zijn de richting en de snelheid van de stroom nogal variabel. ![]() Oostindiëvaarders. Jarenlang hadden Hollandse zeelieden gevaren op Portugese schepen die op het Verre Oosten voeren en hadden zij gezien hoe lucratief deze handel was. En dus verliet op 2 april 1595 een eskader van vier schepen onder leiding van Cornelis Houtman de rede van Texel voor de `eerste schipvaert', om `tot eere en dienst van het vaderlandt ende ons eygen profyt' zelf het geluk te beproeven. Na een tocht vol ontbering en tegenslag gingen op 24 juni 1596 de Amsterdam, de » Duyfken, de Hollandia en de Mauritius voor anker in de baai van Bantam. De welwillende Indonesiërs konden toen niet bevroeden dat het 350 jaar zou duren alvorens zij zich van de Hollanders konden verlossen. In 1628 maakte Piet Heyn aan boord van het admiraalsschip de Amsterdam de Spaanse Zilvervloot buit. In de achttiende eeuw was er nog een Oostindiëvaarder met de naam Amsterdam. Dit 44 meter lange schip werd op 26 januari 1749, op zijn eerste reis naar Java, door de muitende bemanning in St Leonards, Engeland, op het strand gezet en verlaten. Nu, bijna 250 jaar later, ligt het schip nog altijd in Het Kanaal, bij Bulverhythe, 250 meter ten zuiden van de vloedlijn. 70% van het schip en het merendeel van de lading is nog intact. Een replica van het schip is te bezichtigen voor het scheepvaartmuseum te Amsterdam. Lees hier het verhaal van de Amsterdam in het Engels. Zie ook afb. 36. In Australië heeft men een replica van de » Duyfken gebouwd. Oostwal. De Overijsselse en Gelderse Zuiderzeekust. Oostwalbotter. Zie Botter. Oostzee. Ook: Baltische Zee. Randzee van de Atlantische Oceaan, tussen Zweden, Finland, Rusland, Estland, Letland, Litouwen, Polen, Duitsland en Denemarken. Staat in verbinding met de Noordzee. Het getijdenverloop is gering. Gemiddelde diepte 55 meter. Oostzeetjalk. Zware » tjalk met brede berghouten, een hoge kop en veel zeeg, die in Groningen werd gebouwd. Voorloper van de Groninger kustvaarder. Opbakken (m). Opdienen van het eten. Opboeisel. » Zeddelboord. Opbouw. Het deel van de kajuit dat boven het dek is uitgebouwd om voldoende stahoogte te creëren. Opbuigen. Ook hogging. Het in langsscheepse richting zodanig verbuigen dat het achter- en voorschip dieper inzinken dan de midscheeps, doorgaans door onoordeelkundig beladen. Zie ook Doorbuigen. Op de lij (v). De » kwakkuil » halen zonder de » breefok te strijken. Op de wind. Een schip ligt op de wind als de voorsteven tegen de wind in wijst. Opdoeken. Het opvouwen van het zeil terwijl het nog steeds aan de mast, de » giek of de » voorstag vast blijft zitten en dit daar vast te binden met zeilbanden. Opdraaien. (1) Het zodanig veranderen van de vaarrichting van een vaartuig dat het komt te varen in een richting tegengesteld aan die waarin het voer. (2) Het schip in de wind brengen. Opdrukker(tje). Duwboot(je). Open boot. Klein vaartuig, zoals een jol of een sloep, dat binnen het » dolboord van boven geheel open is. Zie ook Halfgedekte boot en Jacht. Op één oor liggen. Vaarpositie waarbij de boot zoveel slagzij maakt, dat er water in het gangboord komt. Zie ook Brede zij, Mast in het water zeilen, Omslaan en Rondrollen. Op-en-neer. (1) Loodrechte stand van de ankerketting. `Draai het anker in tot op-en-neer.' (2) Het al varend op dezelfde plek houden van het schip, zonder te ankeren of af te meren. `Houd die schuit tot nader order op-en-neer.' Operation Sail (e). Verzameling » tall ships vanuit de hele wereld. Vond plaats op 4 juli 1976 te New York, ter viering van de 200ste verjaardag van de Amerikaanse onafhankelijkheid (bicentennial). Het spektakel trok zes miljoen bezoekers. Opgaand tij (v). Wanneer stroom en wind tegengestelde richtingen uitgaan. Opgedoekt. Zegt men van een zeil dat zo is opgewonden en vastgebonden dat het meteen weer gehesen kan worden. Ophaalkoord (s). Koord waarmee het zeil uit het water wordt getrokken. Ophaaltouw (v). Zie Joontouw. Ophouder. Ook: ophaler of toppenend. Touw gebruikt om een rondhout omhoog te houden. Opkloenen (v). Garen of katoen op kluwens (bollen) winden. Opkluiven (v). Weer verder breien aan de fuik zelf, nadat eerst het » enkel gebreid is. Opknijpen. Telkens » oploeven en dan weer een beetje » afvallen, om vervolgens weer op te loeven. Oplanger. Verlenging van een » inhout. Opleggen. Het (tijdelijk) uit de vaart nemen van een schip, bijvoorbeeld door ladingschaarste. Oploeven. (1) Een vaartuig meer tegen de windrichting in sturen, dus hoger aan de wind gaan varen. (2) (w) Opsturen naar een tegenstander aan » loefzijde toe. Moet hij, zoals doorgaans het geval is, ruimte geven, dan is hij genoodzaakt zelf op te loeven oftewel hoger aan de wind te gaan sturen. Oplopen. Een ander schip inhalen en voorbijvaren. Als beide boten over dezelfde boeg liggen, moet de oploper uitwijken voor de langzamere boot. Oploper. Zie Oplopen. OPM. Omwentelingen per minuut. Opnemingsvaartuig. Schip van de hydrografische dienst, waarop met behulp van een uitgebreid arsenaal aan navigatiemiddelen waarnemingen worden gedaan, die op » zeekaarten worden verwerkt. Oppasser (v). Iemand die door vissers wordt ingehuurd om de kisten vis op de kade in de gaten te houden. Opper (m). Opperschipper. Adjudant-onderofficier van de dekdienst. Opperdek. Bovendek. Opperdan zeilen (v). Naar » bovenwinds gelegen punt zeilen. Oppertje. Beschutte plaats aan de (opper)wal. Oppervlaktestromen. Stromen die zich aan de oppervlakte van het water bevinden, in tegenstelling tot dieptestromen. Op het noordelijk halfrond is er in de Atlantische en Stille Oceaan een algemeen circulatiesysteem tegen de wijzers van de klok in, terwijl de stromen op het zuidelijk halfrond zich met de wijzers van de klok mee bewegen. Zie ook Corioliskracht, ENSO en afb. 1. Oprepen (v). De » repen aanbrengen. Op repetitie (v). Het uittrekken van de vis. Op risico bouwen (v). Zonder opdrachtgever een schip op stapel zetten. Oproepkanaal. Nu (1996) nog kanaal 16 van de marifoon. Dit wordt kanaal 13. Voor dit kanaal geldt echter geen uitluisterplicht en dat zal ook in de toekomst niet veranderen. Zie DSC. Opschieten. (1) Een tros met even lange op elkaar gelegde slagen aan dek neerleggen, al naar de soort tegen de zon in of met de zon mee. Lichte trossen kunnen ook in de hand worden opgeschoten. Het bezigen van deze term kan verwarring veroorzaken bij landrotten aan boord. `Jan, schiet jij die spring zo even op?' `Ja, rustig maar, ik heb ook vakantie!' (2) Oploevend een eind tegen de wind in varen. (3) Zichzelf aan boord of onderdeks zeevast zetten en beschermen tegen de invloeden van storm en zeegang. (4) Zich ergens vestigen. `Ik schiet mij in Amsterdam op.' Opschieter. Het recht met de boeg in de wind leggen van een boot om de snelheid eruit te halen. Opsettelsgaren (v). Garen voor het » simmen van de netten. Opsnit. Boterhambeleg.
Op stapel staan. Zegt men van een schip dat in aanbouw is. Opstapkapitein. Plaatsvervangende kapitein die onderweg aan boord komt. Opstapper. (1) Schepeling die wel een arbeidsovereenkomst met de reder is aangegaan maar door tijdgebrek nog niet op de » monsterrol staat. (2) Iemand die de plaats inneemt van een bemanningslid dat niet meer beschikbaar is. (3) Passagier. Opsteker. Afneembaar verlengstuk van het » loefijzer. Opstijgsnelheid. De snelheid waarmee de duiker naar de oppervlakte komt. Deze bedraagt 15 tot maximaal 18 meter per minuut. Sneller opstijgen is levensgevaarlijk. Opstoppen. Het voorzeil zo oprollen en met dun draad vastbinden dat het vlug kan worden bijgezet en zich onmiddellijk kan ontplooien. Op tarief (v). Aanvoerbeperking op garnalen. Optima. Type kieljacht. L.O.A. 9,20 m., zeiloppervlak 43,80 m². Optima 106. Comfortabel polyester toerzeiljacht. L.O.A. 10,60 m., zeiloppervlak 45 m². Optimist. Open midzwaardboot met » sprietzeil. L.O.A. 2,33 m., zeiloppervlak 3,50 m², 35 kg. Internationale jeugdklasse. Optuigen. De boot vaarklaar maken door de zeilen aan te slaan. Op 't zeetje (v). I.v.m. de golfslag op het juiste moment inhalen van vistuig, ankerkabel e.d. Op uur (v). Werken met een vast knechtsloon. Opvarenden. Allen die zich aan boord bevinden, met uitzondering van de kapitein. Opwaartse kracht. Zie Archimedes. Opwerken. » Laveren. Opzet (v). (1) Het begin van een te breien stuk netwerk. (2) Aantal mazen waarmee bij het breien begonnen wordt (bijv. een opzet van 1000 mazen). Opzetboeisel(v). Verhoging van het boegsel. Zie ook Zeddelboorden. Opzetten (v). Het breien van de eerste rij mazen van een stuk netwerk. Oranjerats (m). Gerecht bestaande uit wortelen, witte bonen, uien en pastinaken. ORC (w). Offshore Racing Council. Organisatie die zich toelegt op zeezeilwedstrijden en onder andere uitgebreide regels voor de veiligheid en zeewaardigheid van jachten opstelt. Orde! (m). Dit bevel wordt gegeven wanneer de commandant een afgesloten ruimte betreedt. Ordnance datum (e) (n). Normaal zeeniveau. Orembaai. Zie Rambaya. O-ring. Rubber ringetje in de gleuf van de » afsluiter, waardoor de » eerste trap lekvrij kan worden bevestigd. Orkaan. Zeer krachtige storm met windkracht 12, die dikwijls plotseling van richting verandert. Zie ook Beaufortschaal. Orliëtblok. Bram- of bovenlijzeilsvalblok, dat als een oorhanger op de nokken van de mars- en bramra's gehaakt wordt. Orlop (e). » Koebrugdek. Oropesatuig (m). Mijnenveegtuig waarmee verankerde mijnen worden geveegd. OSC. On Scene Commander. Schip dat tijdens een reddingssituatie de situatie het best kan overzien en door het » RCC wordt aangewezen als OSC. Oseberg-schip. Eikehouten vikingschip uit de elfde eeuw, in 1904 gevonden op de boerderij Oseberg te Tönsberg, Noorwegen. L.O.A. 21,40 m., breedte 5,10 m. Oslofjord. Zeearm van het Skagerrak, in Zuidoost-Noorwegen. Ongeveer 100 kilometer lang en tot 20 kilometer breed. Osmose. Eenzijdige vloeistofstroom door een wand als deze wand twee vloeistoffen, die zich aan weerskanten daarvan bevinden, in verschillende mate doorlaat. Komt onder andere voor bij vaartuigen die van polyester zijn gemaakt. O.S.& O. (m). Ontwikkeling, Sport en Ontspanning. OSPAR. Verdrag van Oslo en Parijs ter bescherming van de Atlantische Oceaan en de Noordzee. In juni 1995 hebben de landen die partij zijn bij het OSPAR het afzinken van afgeschreven boorplatforms en andere offshore-installaties verboden. Alleen Groot-Brittannië en Noorwegen stemden tegen. OSRD (m). Opsporings- en Reddingsdienst, in Nederland georganiseerd door de Koninklijke Marine. Het werkgebied beslaat de Noordzee, de Waddenzee en het IJsselmeer. Men maakt gebruik van Lynx-helikopters en doorgaans vliegt er een arts mee. OSTAR (w). Observer Singlehanded Trans Atlantic Race. Solorace voor schepen van 25 voet (7,60 meter) tot 60 voet (18,32 meter) over 2800 zeemijlen tegen de heersende winden en stromingen in. OTEC. Ocean Thermal Energy Conversion. Proces waarbij de warmte-energie van het oceaanwater wordt omgezet in elektriciteit. Otter. Ook: paravaan. Visvormig stalen lichaam, met stalen lijnen aan de boeg van een schip bevestigd, dat dient om het schip te beschermen tegen verankerde zeemijnen. Otterboards (e) (v). Ook: korplanken. Borden of deuren die een schrobnet openhouden. Ottertrawl (v). Zie Trawl. Ottertuig. » Paravaantuig.
![]() . Oud wijf. Boerenknoop. Knoop om twee einden van dezelfde dikte te verbinden. Eigenlijk een verkeerd gelegde platte knoop. Outborn 44 L. Aluminium zeiljacht met zes slaapplaatsen. L.O.A. 13,60 m., breedte 4 m., diepgang 1,40 m. Outline (e) (s). De boeg van de zeilplank. Outpoint (e) (w). Scherper aan de wind zeilen dan je tegenstander(s). Outrigger. (1) Vlerk, drijver, uitlegger. (2) Vlerkprauw. (3) Houten of ijzeren stelsel buiten het boord van een roeiboot, waarop de dollen zijn bevestigd. Outwale (e). Buitenlijst; buitenrand van de boordlijst. Ouwe. (1) De kapitein. (2) (m) De commandant. (Bij gebruik van deze term is enige voorzichtigheid geboden.) Ouwejongen (v). Soort matroos-onder-de-gage, in tegenstelling tot » volmatroos. Zie ook Neptunusfeest. OVA (m). Officier van de administratie. Zie ook Zilveren vink. OVC (w). Olympische Voorbereidingscommissie van het watersportverbond. De commissie bepaalt onder andere wie er deel uitmaken van de nationale zeilkernploeg. Oven. Gat in de vaste boeg waarin de boegspriet ligt. Overal (m). Een soort reveille aan boord. Overal houden (m). 's Nachts de hele bemanning wakker houden i.v.m. alarm. Overbevissing (v). Het vangen van meer vis uit een bepaald visgebied dan verantwoord is voor het behoud van de visstand, doorgaans als gevolg van een overcapaciteit van de visserijvloot. De mondiale visserijvloot is tussen 1970 en 1990 verdubbeld, waardoor de overcapaciteit zo'n 100 procent bedraagt en op 70 procent van de visgronden sprake is van overbevissing. Overbuizen. Overstromen. Overdeel. Deel van de gage dat bij afwezigheid van een lid van een vaste ploeg over de anderen wordt verdeeld. Overdiep. Meer dan diep genoeg om er te kunnen varen. Overdwars. Dwars over het schip van boord tot boord. Overfluiten (m). Eerbewijs op de bootmansfluit bij ontvangst en uitgeleide van autoriteiten en officieren. Overhaal. In de roeisport de duwende beweging tussen » uitpik en » inpik. Zie ook Slag. Overhaam (v). Schepnet om zeelt in de modder te vangen. Overhang. Die gedeelten van de romp die in lengterichting buiten het voorste en achterste punt van de waterlijn steken, dus boven water hangen. Overhellen. Het onder de druk van de wind scheef hangen van een boot. Overijzeren (v). » Verijzeren. Overkomer. Hoge golf die een deel van het schip (meestal de » bak) overspoelt. Overlappen (w). Een boot overlapt een andere wanneer geen van beiden duidelijk voor of achter ligt. Overliggen. » Overhellen. Overloop. Stang, buis of rail waarlangs het onderste » blok van de » grootschoot van het ene boord naar het andere kan glijden. Overlopen. Voor een ander schip langs varen. Als beide schepen over dezelfde boeg liggen, moet de overloper uitwijken voor de langzamere boot. Overmast. (1) Te hoge mast. (2) Overbeladen. Overnaads. Ook: klinkwerk. Een bouwwijze waarbij de gangen elkaar dakpansgewijze overlappen. Overschepen. Van het ene in het andere schip overladen van lading. Overstagduels (w). Bekend verschijnsel van over en weer aanvallen en verdedigen bij het » matchracen. Zie ook Hunt. Overstag gaan. Ook `wenden' genoemd. Een zeilvaartuig over een andere boeg leggen door eerst recht tegen de wind in te draaien en daarna wat af te vallen. Overtaag (v). Na het » schieten van het » hoekwant terugzeilen naar het beginbaken om te » halen. Overtuigd. Te veel zeil voerend. Overzeilen. (1) Tegen een ander vaartuig aanzeilen, zodat het beschadigd wordt of zinkt. (2) Naar de overkant van een vaarwater zeilen. (3) Door het overhellen van het schip de lading laten verschuiven. (4) (w) Hetzelfde stuk nog eens zeilen, bijvoorbeeld wegens een onregelmatigheid bij de wedstrijd. Overzeiler. Overzichtskaart; zeekaart die een groot oppervlak bestrijkt. Overzetten. » Overschepen. Overzij. Scheef, » slagzij makend. Oya Sjiwo. Koude stroom die de » Koero Sjiwo even voor Japan in de flank treft. Oyster 485. Comfortabel polyester zeiljacht. L.O.A. 14,78 m., breedte 4,27 m., zeiloppervlak 102,11 m². |
A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z . . Email: jackvanderwyk@yahoo.co.uk