



A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z
| P
Paai. (1) (Van `pa'. Zie ook `zeuntje'.) Oude bevaren matroos, belast met het beheer en de afgifte van bepaalde scheepsbenodigdheden of met het onderhoud van een bepaald onderdeel. (2) (Van `payer'.) Ook: paaigeld. Percentsloon van de opvarenden. Paaien. (1) Laten vieren of schieten. `Een kabel in het ruim paaien.' `De staande netten paaien.' (2) Een schip beneden de waterlijn met harpuis besmeren. Paaiskast (m). Kast voor het opbergen van schoonmaakartikelen. Paaiskist. Kist bij de mast, waarin de » paai (1) wat gereedschap bewaarde dat bij de hand moest zijn. Paal. (1) Meerpaal. (2) Droogvallend haventje. Paalmast. Mast met niet-strijkbare » steng. Paalmastkotter. Kotter met ondermast en steng uit één stuk, of ten minste met niet-strijkbare steng. Paalsteek. Knoop om een tijdelijke lus in een touw te maken. Paaltjes pikken; paaltjes lopen. Ook: slamming. Als de voorsteven van het schip tijdens het » stampen in een neergaande beweging niet in een golfdal terecht komt, maar op een tegemoetkomende golf slaat, veroorzaakt dit een schok door het hele schip. Gevaarlijk, want de bodembeplating van het schip kan daardoor worden vervormd. Kan worden voorkomen door een paar streken van koers te veranderen of de snelheid van het schip te minderen. Paalworm (Teredo Navalis). Dit dier boort, net als de » boordpissebed, gaten in het hout van schepen, en kan worden opgespoord door te kloppen en te prikken. Zie ook Boorders. PAAP. (Papa Alfa Alfa Papa). Algemene radio-oproep voor alle Nederlandse koopvaardijschepen. Paard. (1) Touw onder een » ra om op te lopen of op te staan. Zie ook afb. 15, Springpaard en Jackstay. (2) Balk die langsscheeps onder de dekbalken van de onderste dekken wordt aangebracht en op stutten rust. Paardebreedtes: Windstille gebieden rond de dertigste breedtegraad, met hoge luchtdruk en af en toe veranderlijke winden. De naam is afkomstig uit het Spaans: Golfo de las Yeguas (`Golf van de Merries'). Paardekontkastje. » Steilsteven. Paardelijn. Tros van kabelslag (3 of 4 strengen) van manilla of hennep. Paard van Marken. Bekendste vuurtoren van het IJsselmeer. Werd gebouwd in 1839 en is 17,50 m. hoog. Pacific (e). Grote of Stille Oceaan; Stille Zuidzee. In 1513 ontdekt door de Spaanse veroveraar Vasco Núñez de Balboa (1475-1519). Pacific Allure 43. Stalen knikspant motorjacht met zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 14,95 m., breedte 4,50 m., diepgang 1,30 m. Paddestoel. Kleine luchtkoker die boven het dek uitsteekt en niet naar de wind hoeft te worden gedraaid. Padre (sp) (e) (m). Vlootpredikant. Paduakan. Soort » pinisi. Padvinder. Zie Poortstart. Pagaai. Peddel met één blad. Wordt onder andere gebruikt in Canadese kano's. Painter (e). Vanglijn; grijplijn bevestigd aan boeg en dek. Pakean (m). Uniform (service dress). Pakean-deftig. (1) (m) Groot tenue. (2) Nette kleren voor het passagieren. Pakketboot. In geregelde dienst varend schip voor het vervoer van personen, post en stukgoederen. Pakschuit. Lange, smalle trekschuit met bredere voorplecht, voor de zware vrachten. Werd meestal gejaagd met twee paarden. In onze eeuw werden de pakschuiten gemotoriseerd, waardoor het achterschip ingrijpend moest worden gewijzigd. Palingtrekken. Traditioneel volksvermaak uit de Amsterdamse Jordaan dat halverwege de negentiende eeuw werd verboden. Over een gracht werd een touw gespannen, waaraan - achter zijn kieuwen - een levende paling hing. De `spelers' werden met roeibootjes zo snel mogelijk onder het touw door geroeid. Wie als eerste, zonder een nat pak te halen, de kop van de paling trok, was winnaar. Palklamp. Dwarshout voor het windas. Palm. Lengtemaat van tien centimeter. Palma. Type motorkruiser. L.O.A. 12 m. Palmen. Een lijn binnenhalen of langsgaan door haar hand over hand naar zich toe te halen. Vgl. `Iemand inpalmen'. Palmsteken. Diepte peilen in ondiep vaarwater. Zie Slaggaard. Pal voor de wind. Koers van een boot die met de wind recht achter vaart. ![]() Pampero. Koude, stofrijke wind afkomstig van de Argentijnse pampa's, meestal zuidwest tot west. Pampus. (1) Zandbank voor Amsterdam. (2) Sierlijk klein zeiljacht met tamelijk groot » torentuig. Panamakanaal. Waterweg door de landengte van Panama, waarbij twee meren worden doorkruist. Vormt de scheepvaartverbinding tussen de Atlantische en de Grote Oceaan. Is ongeveer 82 kilometer lang, heeft zes sluizen en een capaciteit van 60 schepen per dag, officieel met een absoluut maximum van 91.000 » DWT per schip, maar in de praktijk vaak niet groter dan 80.000 DWT. Panamakluis. Kluisgat voorop het dek, waar de trossen door worden geleid. Speciaal voor het Panamakanaal, als het schip door kleine trekkertjes op de wal wordt gejaagd. Zie ook Jagen. Panamawiel. Door een rondsel in beweging gebracht tandwiel in het bewegingsmechanisme van sluisdeuren. Panoramascherm. Ook: plain position indicator. Breed scherm voor radarbeelden. Pantry (e). Soms ook `kombuis' of `aanrechtkamer', maar meestal wordt hier aan boord van schepen de provisiekamer mee bedoeld. PAN PAN. Wordt uitgesproken als `panne, panne'. » Spoedsein, onder andere voor op de binnenwateren, waar MAYDAY niet mag worden gebruikt. Kan via kanaal 10 van de marifoon worden uitgezonden. Zodra de hulp onderweg is kan de verdere communicatie via het » SAR-kanaal worden afgehandeld. Zie ook Noodverkeer. Pantserkruiser (m). Gepantserde » kruiser (2). Zie ook afb. 2. Papegaaistok. (1) Rondhout dat vanaf de achtersteven uitsteekt en waaraan de bezaansschoot is bevestigd, bijvoorbeeld bij een » yawl. (2) Rondhout dat uit de achtersteven van een sloep steekt om er de druil (klein onderzeil) op vast te zetten. (3) (m) Elk van de twee balken op het achterschip waarop de » whaleboot lag, die uitsluitend ten behoeve van de commandant werd gebruikt. Papiniaanse Pot. Hogedrukpot die werd uitgevonden door de Fransman Denis Papin. Zie ook Stoomboot. Paplap (m). Bijnaam voor een ziekenverpleger. Papyrusboot. Primitief vaartuig uit Afrika, dat nog steeds wordt gebruikt op het Tsjaadmeer. Kan slechts één seizoen mee, omdat het riet verrot. Zie ook Humboldtstroom. Parachutefakkel. Optisch noodsignaal. Volgens de KNMR moet je minstens zes parachutefakkels aan boord hebben. Zie ook Fakkels. Parade (m). (1) Appèl. (2) Behandeling van rapporten door de commandant. Parallel (n). Breedtecirkel, die evenwijdig aan de evenaar loopt. Parallellineaal (n). Een instrument dat wordt gebruikt voor het uitzetten en verplaatsen van koersen op een zeekaart. Hij bestaat uit twee linealen die door twee parallel lopende verbindingsstrippen van gelijke lengte aan elkaar zijn verbonden. Daardoor blijven de twee linealen altijd evenwijdig aan elkaar. Parapluanker. Dreg met vier handen
die inklapbaar zijn. Gemakkelijk op te bergen.
![]() Paratii. Zeilschip waarmee de Braziliaan Amyr Klink eerst solo naar Antarctica voer, daar dertien maanden overwinterde, en vervolgens in één reis door naar de noordpool zeilde. Ik kreeg de eerbare opdracht om zijn boek over deze tocht in het Nederlands te vertalen. Paravaan. » Otter. Paravaantuig (m). Ook: ottertuig. Bestaat uit twee » otters en stalen lijnen, alsmede een werktuig met schaarmessen, waarmee men de kabels van verankerde zeemijnen doorknipt. Parceltanker (e). Tanker met een gecompliceerd leidingensysteem en tanks van roestvrij staal, die soms wel vijftig verschillende soorten aardolieprodukten of chemicaliën kan vervoeren. Pardoen. Touw of staaldraad naar het achterschip, dat de top van een » steng tegen vooroverbuigen steunt. ![]() Parker 21. Trailerbare zeilboot. L.O.A. 6,40 m., breedte 2,49 m., zeiloppervlak 20,47 m². Parlefinker (v). (1) » Botter, behorende bij een ploeg die de gezamenlijke vangst naar de markt brengt. (2) Visser die » kwakken en » aaltoeken combineert. Parlevinker. Soort SRV-wagen op een bootje, dat in de haven langszij komt. Heeft daarvoor in Nederland uiteraard een vergunning nodig. Partnership. Treffende naam van de Nederlandse vereniging voor timesharend zeilen. Passaat. » Passaatwind. Passaatfokken. » Passaatzeilen. Passaatstroom. » Equatoriale driftstroom. Passaatwind. Op het noordelijk halfrond een noordoostelijke wind, die vrijwel constant tussen de evenaar en de dertigste breedtegraad waait. Op het zuidelijk halfrond waait de passaatwind uit het zuidoosten. De naam is afgeleid van het Spaanse woord voor overtocht en verwijst naar de tijd van de zeilscheepvaart. Passaatzeilen. Ook: tweelingspinnakers. Vlak gesneden voorzeilen met een iets hol onder- en achterlijk, die dubbel worden gevoerd, vooral op lange voordewindse tochten. Passaatzeilen kunnen ook worden gebruikt voor de automatische bediening van het roer. Passage. Overtocht met een schip. Passagiers. Alle personen aan boord met uitzondering van de kapitein en de schepelingen, alsmede kinderen beneden de leeftijd van één jaar. Passagieren. Ter ontspanning de wal opgaan. Is niet exclusief voorbehouden aan de passagiers. Passagierskaart (m). Kaart die werd verstrekt aan schepelingen beneden de rang van sergeant. Werd bij het aan wal gaan afgegeven aan de wacht en teruggegeven wanneer de schepeling zich terugmeldde. Passagiersschip. Elk schip dat door de eigenaar bestemd is om meer dan twaalf passagiers te vervoeren, dan wel een schip dat meer dan twaalf passagiers vervoert. De echte oude passagiersschepen zijn er bijna niet meer, maar de moderne versie, het cruiseschip, is in opkomst. Passantenhaven. Haven voor doorreizende recreatievaartuigen. Zie ook Jachthaven. Passevolant. (1) Verstekeling. (2) Iemand die bij de monstering het vereiste aantal bemanningsleden moet volmaken, maar in werkelijkheid niet meevaart. Patas. Klein vaartuig dat als adviesjacht of wachtschip werd gebruikt. Meestal voorzien van twee masten. Patat. » Aanvaring. Patente de Navegación (sp). » Zeebrief. Patentglas (v). Prismatisch glas. Patentlog. » Log, bestaande uit een logvin, loglijn en logklokje. De omwentelingen van de logvin in het water worden door het klokje geregistreerd en geven weer hoeveel knopen het schip loopt en hoeveel zeemijlen er zijn afgelegd. Het is een van de eenvoudigste en betrouwbaarste afstandsmeters. Eén nadeel: omdat de logvin achter het schip wordt gesleept kan het niet in drukke vaarwaters worden gebruikt. Patentlood. Ook: Thomson's lood. Loodtoestel waarop men de gepeilde diepte direct kan aflezen. Patentluiken. Stalen luikdelen in
de vorm van pontons, die met scharnieren aan elkaar zijn bevestigd, op
rollen lopen en mechanisch geopend en gesloten kunnen worden.
Patentschijf (v). Schijf van een » blok met naaldlagers. Patentstagzeil. Stagzeil waarbij de naden van de bovenste helft evenwijdig aan het achterlijk, en in de onderste helft evenwijdig aan het onderlijk lopen, met in het midden, waar de kleden samenkomen, een dubbeling. Pater en nonnetje. Houten kokertje met stift, behorend bij een handlog. Paternoster. Rakband tussen de einden van de gaffelklauw. Paternosterwerk. (1) (v) Snoer van kurken om de netten op te houden. (2) Emmerketting van een baggermolen. Patile. Overnaads gebouwd, vierkantgetuigd
transportschip van de Ganges.
![]() Patrijspoort. Ook: poort. Rond venster met waterdichte sluiting. `Controleer jij even of alle poorten goed dicht zitten?' Pattamar. Snel zeilschip met twee grote latijnzeilen en ronde spiegel, afkomstig van de oostkust van India. Paviljoen. (1) Tentvormige verhoging op het achterdek van een schip. (2) Fraai ingerichte kajuit op de achtersteven. (3) Eerste kajuit op een stoomboot. (4) Scheepsvlag. Paviljoentjalk. » Tjalk waarbij het woninkje zich onder het achterdek bevindt en omhoog is gebracht tot potdekselhoogte. De helmstok loopt over het paviljoen. Pavoiseren. Het met rijen vlaggen versieren van schepen. Wordt alleen bij belangrijke feesten gedaan. Daarvoor worden meestal de seinvlaggen gebruikt. Mag officieel alleen als het schip stilligt. Zie ook Vlaggetjesdag. Pay off (e). Het lijwaarts draaien van een schip. PCH (e). Radiotelefonieterm. Scheveningen Radio. Pearling (e). Onderduiken van de neus bij achteropkomende golven. Pedalo. Waterfiets. Pedro Aspré 35. Stalen motorkruiser met slaapaccommodatie voor vier personen. L.O.A. 10,60 m. Peek. Strandwacht; meestal een oude visser. (Baywatch in Katwijk anno 1880?) Peilantenne (n). Ook: peilraam. Draaibare antenne van een radiopeiltoestel, met een ringvormig raam. Vaak ook bestaande uit twee vaste ringvormige ramen, die haaks op elkaar staan. Peildochter (n). Onderdeel van een » gyrokompas. Peilkompas dat een dochtermotor bevat die via tandraderen een roos met vaste zeilstreep aandrijft. Peiling (n). De hoek ten opzichte van het kompasnoorden, waarin een voorwerp wordt waargenomen. Een peiling uitgedrukt ten opzichte van de lengterichting van het schip is een relatieve peiling. Peiling met verzeiling (n). Hierbij wordt een punt tweemaal gepeild, op verschillende tijdstippen, onder een hoek van bij voorkeur 70 tot 110 graden. Peilkompas (n). Kompas met een » pelorus. Het peilkompas wordt gebruikt om de hoek te bepalen tussen de lijn naar het object en het kompasnoorden. Het moet zodanig zijn opgesteld dat men vanaf het kompas over 360° vrij uitzicht heeft. Zie ook Stuurkompas. Peillood (n). » Lood. Peilraam (n). » Peilantenne. Peilstation (n). Radiostation dat seinen voor radiopeiling uitzendt. Pek (v). Piek (voorpunt) van de » botter. Pelagisch. Betrekking hebbend op de diepe zee, maar niet op de bodem. Pelagische vissen. Vissen die, in tegenstelling tot » demersale vissen, in de hele waterkolom zwemmen, dikwijls tot dicht bij het oppervlak, zoals haring en makreel. Zij leven doorgaans in scholen. Pelican. In 1577 het vlaggeschip van Francis Drake, waarmee hij via Afrika naar Zuid-Amerika voer. Het schip was ongeveer 36 meter lang en had behalve negen `heren' (officieren) ook 80 bemanningsleden aan boord, waaronder 40 soldaten, een kleermaker, een schoenmaker, een apotheker en Drake's persoonlijke trompettist. Zie Golden Hinde. Pelikaanhaak. Ook: sliphaak. Haak, veelal gecombineerd met » spanner, die wordt gebruikt om een stag gemakkelijk te kunnen losmaken, bijvoorbeeld bij het strijken van de mast. Pelorus (n). Genoemd naar de stuurman Pelorus, die Hannibal naar Italië zou hebben teruggebracht. Een navigatie-instrument dat wordt gebruikt om peilingen te nemen. Het bestaat uit een schijf met langs de rand een graadverdeling; op een pen in het midden van de schijf kan een peiltoestel draaien, veelal bestaande uit keep en vizier. Doorgaans is de pelorus aan boord zodanig geplaatst, dat de lijn door 0° en 180° van de schijf evenwijdig is aan het langsscheepse symmetrievlak. Wordt over keep en vizier een punt gepeild, dan kan men op de graadverdeling van de schijf de relatieve peiling ten opzichte van de voorliggende koers van het jacht aflezen. Met behulp van de kompaskoers kan die worden omgezet in een kompaspeiling en/of een ware peiling. Pelorus Jack. Naam van een mensvriendelijke dolfijn die alle schepen verwelkomde die de haven van Wellington binnenliepen. In 1904 vaardigde de regering van Nieuw-Zeeland een wet uit, krachtens welke iedereen die het waagde Pelorus Jack kwaad te doen of te storen als een misdadiger werd beschouwd. Pen (v). IJzeren pen door het boord om lijnen op te beleggen. Zie ook Dol. Penalty (e) (w). Strafmanoeuvre bij het » matchracen, opgelegd door een » umpire. Pendek (m). Onderbroek. Pendel. Hulproer zwaaiend om een min of meer horizontale as. Peniche. Open oorlogsvaartuig met 3 masten en loggertuig. Pennetje. `Hij heeft zijn pennetje getrokken' zegt men van een loods die is overleden. Pentatlon (s). Surfwedstrijd samengesteld uit verschillende onderdelen, bijvoorbeeld een wedstrijd op de » Olympische baan, » long distance race, » freestyle, » slalom en » ins-and-outs. Penterhaak. Zware ijzeren haak aan het katblok waarmee men de ring van het anker pakt als dat uit het water komt, om het onder de kraanbalk te brengen. Penterschouw. Klein platboomd vaartuig, waarop een horizontaal windas staat om ankers en zware balken uit het water te lichten. Pentertalie. Talie om ankers te
hieuwen.
![]() Pepineros (sp). Zeekomkommervissers. Zij houden sinds 15 oktober 1994 schandalig huis op de Galapagos-Eilanden. Hoewel de Ecuadoraanse regering een vangstquotum van 550 duizend van deze dieren heeft vastgesteld, waren er nog geen twee maanden later zo'n tien miljoen exemplaren gevangen, door ongeveer achthonderd pepineros. Naast deze fatale overbevissing maken zij zich onder andere schuldig aan vervuiling van het prachtige natuurgebied en het doden van reuzenschildpadden, die beschermd zijn. Zeekomkommers worden als delicatesse vooral geëxporteerd naar China en Japan. Peregrinatie. Omzwerving in den vreemde. Bestaat er iets mooiers? Performance (e). Elektronische-navigatieterm. Het verloop van de bootsnelheid gerelateerd aan de ware windhoek en de ware windsnelheid. Perigeum. De positie waarin de maan het dichtst bij de aarde staat. Zie ook Apogeum en Getij. Periscoop (m). Optisch instrument om vanuit een ondergedoken onderzeeër de oppervlakte te kunnen verkennen. Periscoopdiepte (m). De grootste diepte waarop de periscoop nog kan worden gebruikt. Perken (v). Stroken netwerk in een » kuil van één maaswijdte. Permeabiliteit van een ruimte. Het aantal percenten van de inhoud van die ruimte dat door water kan worden ingenomen. Het deel van de ruimte dat zich boven de » indompelingsgrenslijn bevindt mag daarbij niet in aanmerking worden genomen. Persklem. Moderne methode om een blijvende lus in een kabel te maken door de verbinding met een metalen kousje te omgeven en deze dan dicht te persen. Perslucht. Atmosferische lucht (1 » bar) die door een compressor wordt samengeperst tot circa 200 bar, voor gebruik in » duikflessen. Perustroom. » Humboldtstroom. Perzische Golf. Ook: Arabische Golf. Zeearm tussen het Arabisch Schiereiland en Iran, die via de Straat van Hormoez en de Golf van Oman verbonden is met de Arabische Zee en de Indische Oceaan. Gemiddeld 40 meter diep. Petticrowschroef. Ook feathering
propeller. Scheepsschroef waarvan de bladen bij stilstaande schroef
van binnenuit het schip in de richting van de waterstroom kunnen worden
gezet, zodat tijdens het zeilen de weerstand klein is. Zie ook Hydeschroef.
![]() Piek. (1) De tophoek van een gaffelzeil. (2) Deel van het achter- en/of voorschip. Pieken. Doorzetten van het piekeval. Piekeval. Ook: nokkeval. » Val waarmee men de » piek (1) bedient. Piepen (m). Slapen. `De meester heeft er gisteravond aardig in geblazen. Hij ligt nog te piepen.' Pier. (1) Lang, tamelijk smal, in zee stekend landhoofd of havendam. (2) In zee stekend wandelhoofd of lange steiger. Pieremachocheltocht. Soort carnavalstocht van alles wat drijft en op welke wijze dan ook wordt voortbewogen. Piewiet 700. Degelijk polyester familiezeiljacht, meestal trailerbaar. L.O.A. 7 m., zeiloppervlak 20 m². Piewiet 850. Compact polyester toerzeiljacht, waarmee ook langere kust- en zeereizen kunnen worden gemaakt. L.O.A. 8,50 m., zeiloppervlak 30,20 m². Piewiet 930. Ruim polyester toerzeiljacht, met slaapaccommodatie voor zeven personen. L.O.A. 9,50 m. Piewiet 1100. Zeer comfortabel polyester toerzeiljacht, met slaapaccommodatie voor acht personen. L.O.A. 11 m., zeiloppervlak 50,10 m². Pigboat (e). Onderzeeër. Pijpenplan. Gegevens van een vrachtschip die met name belangrijk zijn bij reparaties in het buitenland. Pijpkooi. IJzeren of houten raamwerk waarin een zeildoek is gespannen. De wanden van een boot waren vaak vochtig, en als men dan zijn opklapkooi dicht deed, werden de dekens nat. Dit kon worden voorkomen door er een pijpkooi tussen te plaatsen. Tegenwoordig ook gebruikt als noodbed. Pikbroek (m). Bijnaam voor een matroos. Pikhaak. » Bootshaak. Pikheet. Koffie- of theepauze. Pikjongen. Leerjongen op een scheepswerf, belast met de bereiding van pik, kalfaatwerk enz. Pikol. VOC-handelsgewicht voor droge waar. Eén pikol is 61,76 kilo. Pikstaanderig weer. Zwoel zomerweer. Piktol. Vierkant vaartuigje dat door scheepswerven werd gebruikt bij reparaties te water. Pil (m). Scheepsarts.
![]() ![]() Pilgrim. Brik waarmee Richard Henry Dana, de schrijver van Twee jaar voor de mast, in 1834 in honderdvijftig dagen van zijn woonplaats Boston naar Californië zeilde, via Kaap Hoorn. In 1836 keerde hij langs dezelfde weg terug met de Alert. Pilot (e). (1) Loods. (2) Toegevoegd aan het type van een zeiljacht betekent dit dat het jacht een groot dekhuis heeft, waarin een salon en een stuurstand zijn ondergebracht, bijvoorbeeld `Hunter Pilot 27'. Pinas. (1) Ook: galeisloep. Klein zeilschip uit de 1»e en 17e eeuw, met hoge, platte spiegel en twee of drie masten. Werd als oorlogsschip en koopvaardijschip gebruikt. Was volgetuigd en enigszins kleiner dan de » fluit. (2) Sloep aan boord van oude oorlogsschepen. ![]() Pinisituig. Gaffeltuig met gaffeltopzeilen en drie voorzeilen. Pink. Platboomd vaartuig met ronde, brede boeg, dat voor de kustvisserij werd gebruikt. Pintail (e) (s). Ook: spitsgat. Surfplank voor zwaar weer, met een taps toelopend hek. Pinto. Een van de drie karvelen waarmee Columbus zijn eerste reis naar Amerika maakte. De Pinto was ongeveer 15 meter lang en had een waterverplaatsing van 40 ton. De kapitein was Martin Alonzo Pinzón. Zie ook Niña en Santa Maria. Pionier. Degelijk gebouwde, klassieke polyester zeilboot. L.O.A. 9,15 m., breedte 2,40 m., diepgang 1,40 m., zeiloppervlak 42 m². Piraat. (1) Zeerover. (2) Soort » sharpie. Open midzwaardbootje met vlakke bodem dat speciaal is ontworpen voor kinderen van acht tot veertien jaar. De Piraat voert een » emmerzeil en er kan ook mee geroeid worden. L.O.A. 2,40 m. breedte 1,15 m., zeiloppervlak 3,30 m². Wordt ook wel als volgbootje gebruikt. Piragua. (1) Boomkano. (2) Prauw met twee masten. Piratenvlag. » Zeeroversvlag. Pisbak. Bak in het vooronder van een houten zeilschip, waarin het ankertouw werd opgeschoten. Piscary (e) (v). Visrecht. Pissen. Zie Aan loef. Pitching (e). » Stampen; hevig op en neer bewegen van het schip in de golven. Pitch-poling (e). De » mast in het water zeilen. Pitjaarsvlag (m). Seinvlag waarmee de admiraal de kapiteins aan boord seinde om met hen te beraadslagen. (`Pitjaar' is afkomstig van het Maleise bicara, dat `praten' of `beraad' betekent.) Pitotbuis. Soort » log. Werkt door middel van een buissysteem en de druk die daarin tijdens het varen ontstaat. Is zelf te maken. Hoe lager de gemiddelde snelheid, hoe groter de diameter van de buizen moet zijn. Plaat. (1) Zandbank; ondiepte. (2) IJzeren vloerplaat van de machinekamer. `De assistent(-machinist) poetst de plaat.' Placebo. Vaak een zeer goed middel tegen » zeeziekte; beïnvloedt de vaarvaardigheid niet. Vraag ernaar bij de apotheek, maar vermeld er wel bij dat het tegen zeeziekte bedoeld is, want anders geven ze misschien een verkeerd geneesmiddel mee. Mijn vrouw krijgt altijd heel zware pillen van mij, namelijk Lactose 500 mg, en die werken perfect. Placebo's werken echter niet bij iedereen, dus neem voor de zekerheid ook een ander geneesmiddel mee. Plain position indicator
(e). » Panoramascherm.
![]() Plané. In plané gaan = voor een deel met de boot of surfplank boven water komen. Planeren. Ook `glijden' of `scheren' genoemd. Een vaartuig planeert wanneer het, dank zij een bereikte relatieve grote snelheid, niet alleen door de hydrostatische kracht van het water wordt gedragen, maar ook door de dynamische krachten van het snel langs de romp stromende water. Het gewicht van het verplaatste water is dan kleiner dan het gewicht van het vaartuig; het gaat nog maar gedeeltelijk dóór het water en gedeeltelijk glijdt het óver het water. Daardoor kunnen nog hogere snelheden worden behaald. Plankijs. Op palen gebouwde plankenvloer boven het water. Plankton. Het totaal aan plantaardige en dierlijke organismen, dat vrij zwevend in het open water leeft, geen of weinig eigen beweging bezit, dus niet tegen de stromingen in kan gaan. De organismen dienen als voedsel voor hogere dieren. Zie ook Fytoplankton en Zoöplankton. Plankzeilen (s). » Surfen. Platbodem. Ook: platbodemjacht. Typisch Nederlands jacht met een plat vlak, zoals de » botter of de schouw. Plat gaan. (1) Zie Brede zij. (2) Gaan slapen. Platgat. (1) Hellingschuitje met platte voor- en achterkant. (2) De achteroverhang van een schip indien deze juist de waterlijn raakt. Platje. (1) Zie Maassluis' platje. (Volgens mij komen die dingen alleen nog maar in Maassluis voor.) (2) » Platluis. Platkop (v). » Schouw. Zie ook Spekbak. Plat liggen. Zie Brede zij. Platlood (v). Plat stukje lood dat rond de » onderreep geklemd wordt. ![]() Platte knoop. Knoop om twee einden van dezelfde dikte te verbinden. Plática (sp). Verlof tot ontscheping. Platvoet. » Wacht van 's middags vier tot 's avonds acht uur. Plat voor het laken. Met de wind pal van achteren. Playboating (e)(k). Spelevaren (op wildwater). Plecht. (1) Verhoogd dek bij de voorsteven. (2) Voor- of achterdek van een klein vaartuig. Plet. » Walshuid. Pleziervaart. » Recreatievaart. ![]() Plimsollmerk. » Uitwateringsmerk. Zie ook afb. 38. Ploegschaaranker. Oorspronkelijk ontwikkeld voor watervliegtuigen. Stokloos » anker, dat bestaat uit een enkele hand in de vorm van een dubbele ploegschaar, die horizontaal scharnierend aan de schacht verbonden is en zich in slappe grond diep kan ingraven. Momenteel het meest populaire anker. Plot. Scherm waarop de positie en koers van het eigen schip en andere schepen te zien is. Plotten. (1) De plaats van een vaartuig bepalen of aangeven door middel van coördinaten. (2) Het uitzetten van een koers op de kaart. Pluffie (v). Klein schepje vis uit de » kuil. Plug (e) (s). In de zeilplank vastgelamineerde bevestiging voor een » voetband of sleepoog. Pluis. (1) » Werk. (2) Tweepersoons zeilbootje met midzwaard, uitermate geschikt voor kinderen met wat zeilervaring. L.O.A. 3,80 m., breedte 1,42 m., zeiloppervlak 7,20 m². Pluit. » Pluut. (Uit)pluizen. Haring uit de mazen van het net halen. Plukken (v). (1) Ansjovis van kop en ingewanden ontdoen. (2) Ansjovis uit de netten halen. Plunderage (e). Verduistering van goederen die deel uitmaken van de uitrusting of lading van een schip. Plunje. De kledingstukken van de zeeman. Plunjer. Stuuraandrijver van hydraulisch stuursysteem. Plunjezak. Zeildoek of canvas zak voor de » plunje. Plussie (v). » Pluffie. Pluut. Ook: pluit of pluiter. Oorspronkelijk een platbodemschip dat door de vissers van de » Zuidwal werd gebruikt. Typisch Gelders, overnaads gebouwd schip, met zware stevenklamp op de voorsteven. Is kleiner dan de schokker, slanker gebouwd en heeft minder zeeg. Voerde een smal gaffelzeil en soms een » botterfok. P-maat. Zeilmakersterm. De lengte
van het voorlijk. Zie ook J-maat, I-maat, LP-maat en E-maat.
POE. Port Of Entry. In Amerika: Port Of Embarkation. Haven van binnenkomst/ontscheping. Poespas (m). Weke stamppot waarvan de samenstelling altijd onduidelijk is gebleven. Officieel een gerecht van vlees, gort of droge rijst en groenten. Point (e). Scherp zeilen. Polakker. (1) Groot, vierkantgetuigd schip uit de zeventiende eeuw, met twee of drie masten, dat vooral in de Middellandse Zee werd gezien. (2) Klein Frans oorlogsschip met marszeilen aan de grote en bezaansmast en een latijnzeil aan de voormast. Polakkermast. Mast die uit drie afzonderlijke masten bestaat, die op elkaar zijn vastgebonden. Zie je nog wel eens op de Middellandse Zee. Polaris (n). De poolster. Polder. (1) Ingedijkt en drooggelegd land, waarin het overtollige water via gemalen wordt weggepompt. (2) » Meerpaal. Pole (e). Boom, » vaarboom. Polinia. Open water, aan alle kanten omringd door zeeijs. Poling (e). » Bomen. Póliza de seguro (sp). Verzekeringsbewijs. Polkakuil(v). » Wonderkuil. Polster. » Penterschouw. Polyester. Ook: polyesterhars. Kunststof waarvan veel zeilboten en kano's zijn gemaakt, door middel van mallen. Polyesterlijnen. Sterke vezels met weinig rek en zeer goed bestand tegen slijtage. Vormvast, zowel nat als droog. Polypropyleenlijnen. Drijvende vezels, maar lang niet zo sterk als » nylonlijnen of » polyesterlijnen. Soms kan de drijvende eigenschap echter gewenst zijn. Ponjaard (m). Korte sabel, als onderdeel van het uitgangstenue van een adelborst. Pont. Breed platboomd vaartuig, dat dient om voertuigen en personen over een vaarwater te zetten. Pontfuik. Enigszins op een fuik gelijkend systeem van aanlegsteigers voor ponten of veerboten. Ponton. Drijvende, dichte bak, waarover soms een dek is gelegd. Wordt onder andere gebruikt als aanlegplaats in havens en rivieren, of als ondersteuning van noodbruggen. Poolanker. Licht, stokloos » klipanker, dat zich in de bodem inwoelt. Ontworpen door de Kon. Ned. Grofsmederij te Leiden. Poollicht. Lichtverschijnsel aan de hemel dat niet al te ver van de polen kan worden waargenomen. Op het noordelijk halfrond is dat het » noorderlicht (aurora borealis), op het zuidelijk halfrond het » zuiderlicht (aurora australis). Poolshoogte. De hoogte van de hemelpool boven de horizon. Is gelijk aan de geografische breedte van de plaats van waarneming. Poolster. Ook: Polaris. De heldere ster die op het noordelijk halfrond bijna het ware noorden aangeeft. Helaas bevindt zich op het zuidelijk halfrond geen vergelijkbare ster aan het firmament. Poon. Tjalkachtig vaartuig met zijzwaarden en sterk oplopende voor- en achtersteven en één mast, in het zuiden des lands gebruikt als vrachtschip en beurtschip. Voerde » bezaantuig. Poop deck (e). (1) » Kampagne. (2) Achterdek. Pooping (e). Een zware » breker achterin het schip krijgen. Poort. » Patrijspoort. Poortstart (w). Ook: gatestart. Start waarbij de startlijn wordt bepaald door de weg van een boot die van de startboot af zeilt, en waarbij één van de deelnemende boten wordt gekozen als `padvinder' of rabbit. Deze methode wordt vaak gebruikt als een grote vloot zeilboten of surfers aan een wedstrijd deelneemt. Poot. (1) » Inhout. Zie ook Poten van de deken. (2) Bij een scheepsstoommachine: de combinatie van zuigerstang en drijfstang. Poppetje (v). Zie Kattekop (2). Pororoca (sp). » Bore. Porpoising (e). Oprijzen uit het water van het voorschip. Portie (v). Deel; knechtsloon gebaseerd op een bepaald percentage van de besomming. Portofoon. Draagbare marifoon voorzien van de kanalen 15 en 17, bestemd voor de communicatie aan boord (» intraship-verkeer). Port Operations (e). »
Havenverkeer.
Portugees oorlogsschip. Ook: bij-de-wind-zeiler. Een geslacht van uit samenhangende individuen bestaande drijfkwallen (Physalia physalis). Hebben een puntige blaas, die als zeil dient. Poseidon. Griekse god van het water en de zee, die hij met zijn drietand beheerste. Zie ook Neptunus. Possession (e) (w). Vergelijkbaar met `balbezit'. `Get possession' betekent bij wedstrijdzeilen `aan kop gaan liggen'. Postboei. Niet bestaande boei, te vergelijken met het plintentrapje of de dichte gaatjespan. Men vertelt een nieuweling dat de post voor schepen altijd wordt gedropt bij speciale postboeien, en zet hem dan op de voorplecht op wacht om naar de postboei uit te kijken. Tijdens een van mijn eerste reizen werd ik er in Londen opuit gestuurd om een `stemfluit voor de scheepshoorn' te gaan lenen bij een ander Hollands schip. Ik bleef twee dagen logeren bij een Engelse vriendin en kwam toen terug aan boord, met het verhaal dat ik van het kastje naar de muur was gestuurd. Algehele hilariteit, maar die ouwe vertrouwde het niet helemaal. Postboot. » Mailboot. Zie ook Sint Helena. Pot, potje. Geringschattende benaming voor een kleine » kustvaarder. Potdeksel. Horizontale afdekrand
van het » boeisel.
![]() Potemkin. Russisch oorlogsschip van de Zwarte-Zeevloot, waarop de bemanning tijdens de revolutie van 1905 aan het muiten sloeg omdat één van de officieren bevel gaf dertig matrozen te fusilleren die een dag tevoren hadden geweigerd soep met bedorven vlees te eten. Sergej Eisenstein werd in 1926 wereldberoemd met zijn film `De pantserkruiser Potemkin', waarin de opstand een grote rol speelt. Wie herinnert zich niet de trappenscène in Odessa, met de naar beneden rollende kinderwagen? De film en Eisensteins boek Lessen in regie, waarin de film een grote rol speelt, worden nog altijd gebruikt door studenten van filmacademies uit de hele wereld. Poten van de deken (v). » Inhouten op de » deken. Potkast. » Laadroef. Pottenschip. Schip dat met aardewerk van het ene dorp naar het andere voer. Powerboat (e). Speedboat met krachtige motor. Power joint (e) (s). » Diabolo. Praaien. Een schip op zee aanroepen om informatie te verkrijgen over herkomst en bestemming, en/of te vragen om een boodschap over te brengen. `Ga je naar Rotterdam? Doe dan de groeten aan Henkie van de Parkkaai!' Praam. (1) Klein, plat vaartuig dat op de binnenwateren wordt gebruikt voor het transport van vee of goederen. (2) Klein, tjalkachtig zeilschip. Practica. Verlof om gemeenschap te openen tussen enig schip en de wal na ontslag uit quarantaine. Pratique (f). Verlof tot
ontscheping.
![]() Prauw. Van het Indonesische perahu. Algemene benaming voor allerlei vaartuigen uit de Indonesische archipel. (Perahu karet = elastieken boot = rubberboot.) Doorgaans slank boottype met vaak hoge voor- en achtersteven. Soms met uitleggers, tegen het omslaan. We onderscheiden onder andere de perahu mayang, voor het vissen met kleinmazige sleepnetten en rijstvervoer, de perahu jangolan (of perahu golekan) voor het vervoer van vee, de perahu tambangan (ook sampan of sopek genoemd) voor veerdiensten en de vlerkprauw voor de grote visvangst. Zie ook Rambaya. Prawner (e) (v). Garnalenvisser. Precision 18. Trailerbaar zeiljachtje met vier slaapplaatsen, maar zonder toilet en kookgelegenheid. L.O.A. 5,95 m., breedte 2,24 m., zeiloppervlak grootzeil 8 m², fok 5,50 m². Preekstoel. Een beschermende reling, doorgaans vervaardigd van (roestvrij) stalen buizen, rondom de voorsteven van een jacht. Een dergelijke reling rondom het achterschip noemt men hek, hekstoel of ook wel achterpreekstoel. Pre-sea Certificate (e). Diploma van de cursussen `overleven op zee' en `brandbestrijding', zonder welke niet kan worden aangemonsterd. Presenning. (1) Groot dekkleed dat over de luiken van een vrachtschip wordt gelegd. Soms worden er twee of meer presennings op elkaar gelegd, om de lading tegen regen en buiswater te beschermen. De presennings worden vastgelegd door ze te » schalken. (2) Smalle zeildoekband op een deknaad, om die naad tegen inwateren te beschermen. Press of sail (e). Ook: press
of canvas. De grootste hoeveelheid zeil die een schip kan voeren zonder
onaanvaardbare risico's te lopen.
![]() Priel. Nauwe doortocht tussen zandbanken, met name die in de Waddenzee. Priem. Puntig werktuig om te steken en gaten te maken. Prijsbemanning. Bemanning die door een oorlogsschip op een veroverd schip wordt geplaatst, ten einde dit schip naar een bepaalde haven te brengen. Prik. (v) Negenoog. Aasvisje met de vorm van een kleine paling. Prikkebijter (v). Jongen die bij het azen van de kabeljauwbeug van de » prikken de kop af moet bijten. Prikkenbak (v). Bak waarin de » prikken levend werden gehouden. Princess Sophia. Canadese stoomboot die op 25 oktober 1918 verging voor de kust van Alaska. 398 opvarenden lieten daarbij het leven. Princess Victoria. Britse ferry die op 31 januari 1953 in een storm verging voor de kust van Noord-Ierland. 134 opvarenden kwamen om. Zie ook Stormvloed en Watersnoodramp. Princess 53. Polyester knikspant (diep-V) motorjacht met zes tot acht vaste slaapplaatsen. L.O.A. 16,23 m., breedte 4,62 m., diepgang 1,14 m. Principal Race Officer (e) (w). Hoofd van de wedstrijdleiding van een » matchrace, die optreedt namens het wedstrijdcomité. Principe de Asturias. Spaanse stoomboot die op 3 maart 1916 verging nabij Santos, Brazilië. 558 opvarenden vonden de dood. Principessa Mafalda. Italiaanse stoomboot die op 25 oktober 1925 explodeerde nabij Porto Seguro, Brazilië. 314 personen kwamen daarbij om het leven. Prins 8M One Design. Trailerbaar polyester rondspant zeiljacht met vier vaste slaapplaatsen. L.O.A. 8 m., breedte 2,49 m., zeiloppervlak 28,80 m². ![]() Prinsengeus. Driehoekige wimpel of een bijna vierkante vlag, waarin de kleuren van de natievlag stervormig in zes segmenten zijn verwerkt. De dubbele prinsengeus mag officieel slechts door (voormalige) officieren van de Koninklijke Marine worden gevoerd. Zie ook Geus. Prinswerk (v). Versieringsmotief van (meestal rood-wit-blauwe) driehoekjes. Prismatisch coëfficiënt. De verhouding tussen het volume van de romp tot de waterlijn en de lengte op de waterlijn, vermenigvuldigd met het oppervlak van het » grootspant. Zie ook Grootspantcoëfficiënt en Drukkingspunt. Proctor. Wereldberoemde Engelse fabriek die onder andere fantastische aluminium masten maakt. Proefvaart. Vindt plaats voordat het schip door de werf aan de » reder wordt overgedragen. Proeven (v). Steekproef nemen op de aanwezigheid van vis; dit gebeurt door ophalen van het » kopnetje. Promenadedek. Wandeldek op passagiersschepen. Promethazine. Sterk versuffend middel tegen » zeeziekte. Wordt vooral ingenomen wanneer » cyclizine, » meclozine en » motilium het misselijk zijn en braken onvoldoende tegengaan. Overweeg of het middel niet erger is dan de kwaal. PRONAVA (m). PROcedure NAuwe VAarwateren, die bij het manoeuvreren in werking wordt gezet. Propeller. » Schroef. Protectieclub. Verbond van kapitein-eigenaren, opgericht ter bestrijding van risico's aangaande ladingsproblemen in de wijdste zin des woords. Protestcomité (w). Het protestcomité van een » matchrace kan een puntenstraf opleggen, de match laten overzeilen of een andere regeling treffen. Protestvlag (w). Een vlag - de Internationale Seinvlag letter B moet hiervoor altijd worden aanvaard, ongeacht of in de wedstrijdbepaling en andere voorschriften zijn gegeven - die door een jacht op een in het oog vallende wijze wordt gevoerd om kenbaar te maken dat het protesteert tegen een ander jacht op grond van een overtreding van het wedstrijdreglement of de wedstrijdbepalingen; de protestvlag moet getoond blijven totdat het jacht dat hem voert de wedstrijd heeft beëindigd of opgegeven, of totdat het wedstrijdcomité hem voor `gezien' heeft verklaard. Protesteron (w). Hormoon dat verantwoordelijk is voor de neiging om tegen andere deelnemers te protesteren. Tot 1995 ging men er van uit dat dit gedrag seksegebonden was, omdat de protestklieren van vrouwen tamelijk onderontwikkeld zijn. Wetenschappelijk onderzoek heeft echter aangetoond dat de kleinere concentraties protesteron in het vrouwelijk lichaam tot relatief felle reacties kunnen leiden. Proteus. Griekse zeegod die de toekomst kon voorspellen, maar dat slechts deed als hij ertoe werd gedwongen. Op het eiland Pharus hoedde hij de zeerobben van » Poseidon. Proteus had de onhebbelijke gewoonte om op de vreemdste momenten op te duiken, telkens in andere gedaanten. Protisten. Zie Alg. Protractor (n). Hoekmeter, doorgaans een doorzichtige, halfcirkelvormige schijf met een graadverdeling van 0E tot 180E (gradenboog). Hij kan ook driehoekig zijn, met een graadverdeling langs de rand of met een halfcirkelige graadverdeling erin. Wordt gebruikt om op een zeekaart de koers of peiling tussen twee punten te vinden en om koersen uit te zetten. Provence. Frans passagiersschip dat op 26 februari 1916 zonk in de Middellandse Zee. 3100 opvarenden kwamen daarbij om het leven. Providencia. Spaans vrachtschip dat in 1876 schipbreuk leed voor de kust van Florida. Uit de lading kokosnoten die op het strand aanspoelde ontstonden enige jaren later prachtige palmbomen. Tegenwoordig staat deze plek op de kaart vermeld als Palm Beach. Provoost (m). Scheepsofficier die vóór 1895 belast was met het toezicht op de gevangenen aan boord. Psalm 107. Zie Zeemanspsalm. Psalmboekje. Straatklinker waarmee het dek werd geschuurd. Psalmzingen. Op blote knieën het dek schuren met puimsteen en zand. Gebeurde vaak onder het luidkeels galmen van psalmen. P-serie. De 8 schepen van de Amsterdamse rederij Spliethoff waarvan de naam begint met een P: Paleisgracht, Palmgracht, Parkgracht, Pauwgracht, Pietersgracht, Poolgracht, Prinsengracht en Pylgracht. Zie ook A-serie, B-serie, E-serie, H-serie, K-serie en L-serie. Puimsteen. Lichte poreuze gestolde lavasteen, veel gebruikt voor het schuren van houtwerk en roestplekken. Pul. Machinekamer. Pulen (v). Eenden. Punten en strepen (m). Erwten met worteltjes. Punten van het vlak (v). Omhoog gebogen uiteinden van de vlak(bodem)-delen van een » botter. Punter. Slank, sierlijk scheepje, als vissersboot in de binnenwateren gebruikt, maar vooral gebouwd voor gebruik door boeren. Voert een sprietzeil zonder giek, bevestigd aan een steekmast. L.O.A. ± 6.30 m. Verwant aan de » grundel. Punteren. » Bomen. Puntklamp (v). Halve » klamp. Purser. Scheepsadministrateur, aan boord van passagiersschepen het hoofd van de hofmeesters. Pushermast. Zesde mast op een schoener met zeven masten of meer. Pusses (v). Houten emmers. Put. Plaats waar de » baggermolen de » bagger naar boven haalt. Puts. Ook: slagputs. Emmertje met een stevig hengsel. In dit hengsel zit een oog gedraaid en daarin bevindt zich een » kous. Om deze kous wordt het zogenaamde `putseindje' gesplitst. Met de puts kun je water van buitenboord omhoog halen, om het dek te schrobben of jezelf te wassen. Putting. (1) Metalen plaat vastgezet in de zijkant van de boot om de stagen aan te bevestigen. (2) Elk van de lange ijzeren schakels of stangen die de touwen van het hoofdwant aan de rust verbinden. Zie ook Staand want. Pyrrophyto. Zie Alg.
Q Q (n). Ook: quick flash. Aanduiding op de zeekaart (ter vervanging van QkFl), die betekent dat het hier gaat om een licht dat 50 tot 70 keer per minuut opflitst. Zie ook F, FL, Iso, Mo(K), Oc en VQ. Q-schepen. Koopvaardijschepen bewapend met verborgen kanonnen, die in de Eerste Wereldoorlog werden ingezet bij de strijd tegen de Duitse U-boten. Quadrireme. Grieks-Romeinse » galei met vier rijen roeiers boven elkaar. Quadrupel. (1) Ook: dubbelvier. Ploeg van vier roeiers. (2) Roeiboot met twee korte riemen voor elk van de vier roeiers. (3) Roeiteam van vier dames. Quarantaine. Korter of langer gedwongen verblijf op een afgezonderde plaats van schepen die uit besmette gebieden komen of mensen met een besmettelijke ziekte aan boord hebben. Quarterdeck (e). (1) Halfdek; achterdek. (2) Verzamelnaam voor (marine)officieren. Quartering (e). Schuin in de golven varen. ![]() . ![]() Queen Mary. Eens het grootste passagiersschip ter wereld. Werd tussen 1930 en 1934 gebouwd, deels met subsidie van de Britse regering. In 1936 en 1938 won het schip de » Blauwe Wimpel. Na in de Tweede Wereldoorlog als troepentransportschip te zijn gebruikt, werd het in 1947 weer ingezet op de Noordatlantische route. Later werd het een museumschip. Zie ook Curaçao. In St, Leonards-on-Sea, East Sussex, is in de jaren dertig een groot wooncomplex gebouwd, Marine Court, op basis van de Queen Mary. Quickstepladder. Opvouwbare patentladder (soort lange touwladder), die aan een val in de mast kan worden gehesen en waarmee je tot boven in de mast kunt klimmen. Als je vaart, vergeet dan niet de ladder beneden goed vast te zetten, want anders bestaat de mogelijkheid dat je op een gegeven moment behoorlijke slingers maakt. Quinquereme. Grieks-Romeinse » galei met aan weerszijden vijf rijen roeibanken. Een dubbele quinquereme had aan weerszijden tien rijen roeibanken. |
A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z . . Email: jackvanderwyk@yahoo.co.uk