



A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z
| S
S. » Uitwateringsmerk voor zout water in de tropen. Zie ook afb. 50. Sabelen. Een grootzeil `sabelt' als het » achterlijk een bocht naar voren vertoont. Sabre 362. Polyester rondspant zeiljacht met vier tot zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 10,90 m., breedte 3,65 m., zeiloppervlak 58,70 m². ![]() Sacoleva. Grieks kustvaartuig.
Sagging (e). » Doorbuigen. Sagres. (1) Zie Zeevaartschool. (2) Naam van een snelle Portugese driemastbark. SAIL. Sinds 1975 vijfjaarlijks spektakel te Amsterdam, georganiseerd door de Stichting SAIL Amsterdam, waaraan honderden schepen deelnemen. De grootste trekpleisters zijn de » tall ships. De meningen over SAIL zijn nogal verdeeld. De een vindt het een `verloederd bobogebeuren', een `verzameling tupperware' of `een uit de hand gelopen braderie', de ander vindt het een geslaagd en fantastisch nautisch evenement. Ik heb het tijdens SAIL'95 op het water prima naar m'n zin gehad, maar naar mijn bescheiden mening moet de organisatie er serieus voor waken dat de commercie geen al te grote greep op het spektakel krijgt. Zie ook Endemol. Sailhorse. Open wedstrijdzeilboot. L.O.A. 4,71 m., zeiloppervlak 24,70 m², 470 kg. Klasse met beperkte eenheid. Sailtainer (e). Vanghuik. Zie Lazyjacks. Saint Lawrence Seaway (e). Een der grootste waterbouwkundige werken ter wereld. Verbindt de Great Lakes, op de grens van de Verenigde Staten en Canada, met de Atlantische Oceaan. Salem Express. Veerboot die op 14 december 1991 op de klippen liep bij Safaga, Egypte. 462 opvarenden kwamen daarbij om het leven. Salon. Kapiteinsverblijf.
![]() Salonboot. Oorspronkelijk deftig ingerichte passagiersboot met een van ramen voorziene opbouw midscheeps, zoals de Prins van Oranje, 90 jaar oud, die tot 1950 Amsterdammers naar Wijk aan Zee of naar de kermis in Zaandam bracht. Tot 1994 lag de boot te verkommeren in de Amsterdamse haven, maar momenteel wordt zij gelukkig gerestaureerd. Salpatsers (v). » Slofkousen. Salueren. Gebeurt door middel van de natievlag, door haar één keer neer te halen en neer te houden totdat de ander hetzelfde heeft gedaan, dus de groet heeft beantwoord. Bij de marine salueert een kleiner vaartuig eerst voor het grotere vaartuig. Een » oploper salueert de ander. Een varend schip salueert voor een stilliggend schip. Sambuk. Tweemaster met platte boeg, afkomstig uit de Rode Zee, ontwikkeld uit het » karveel. Samenstel. Volgens de wet: een » sleep, een » duwstel of een » gekoppeld samenstel. Samoreus. Ook: keulenaar. Lang, smal schip met twee masten (grote en bezaansmast) en boegspriet. Voerde naast marszeil en bramzeil een bezaan (gaffelzeil), een kluiffok en stagfok. Had weinig diepgang en was vooral bestemd voor de Rijnvaart en de vaart op de Sambre en de Maas. Sampan. Open bootje uit de Indische Archipel en de Chinese Zee, ook veel gebruikt als sloep van een » jonk. Samsonpost. Voorbolder. Plaats op het voordek om » landvasten aan te bevestigen. Sandwichboot (w). Boot die een groep andere boten inhaalt, door haar neus tussen twee boten te steken. Dit is om moeilijkheden vragen, al was het maar vanwege het wedstrijdreglement. Sandwichconstructie. Twee dunne huiden met daartussen sandwichmateriaal (doorgaans schuim). ![]() Sargassozee. Deel van de Atlantische Oceaan ten zuiden van de Bermuda-Eilanden. De zee ontleent haar naam aan het vele sargassowier, een plantengeslacht uit de bruinwieren. Er is weinig stroming. Op grote diepte in de Sargassozee ligt de plaats van herkomst van de rivierpaling. De larven zwemmen van deze paaiplaats naar het noordoosten en bereiken na een jaar of drie de kusten van West-Europa, Noord-Afrika en Klein-Azië. SAR. Search And Rescue (e) (n). Naam van een in 1979 in Hamburg gesloten verdrag dat de reddingsorganisatie op mondiaal niveau regelt. Als gevolg daarvan was Nederland verplicht een » RCC op te richten (zie OSRD). Het Nederlandse SAR-gebied omvat een deel van de Noordzee, de Wadden, de Zeeuwse stromen, het IJsselmeer en de Randmeren. SAR-kanaal (n). Kanaal 67, het Search And Rescue-kanaal van de marifoon. Zie ook PAN PAN. SART. Search And Rescue Transponder (e) (n). Apparaat aan boord van schepen, waarmee deze door een radarsignaal en radarcode kunnen worden opgespoord. Sas. Sluis. Komt voor in Nederlandse plaatsnamen, onder andere Sas van Gent en Sassenheim. Sassenier. Ook: sasser. Sluiswachter. Satcom-M. » Duplex communicatiesysteem voor grotere pleziervaartuigen, waarmee men vanaf het schip wereldwijd kan communiceren met de wal (onder andere telefoneren en faxen). Zie ook Marcom-A. Satellietnavigatie (n). Navigatie met behulp van radiosignalen die door speciale kunstmanen worden uitgezonden. Door de signalen van verschillende kunstmanen - waarvan de banen extreem nauwkeurig bekend zijn - op te vangen, kan de positie van een schip worden bepaald. Zie ook Astronavigatie en GPS. Satnav (n). Navigatiesysteem dat werkt met behulp van satellieten. Saturation diving (e). Duikmethode met korte decompressietijd. Zie ook Decompressieziekte. Savannah. De eerste » stoomboot die - zij het met gebruik van zeilen - de Atlantische Oceaan overstak. Op 24 mei 1819 vertrok de Savannah uit Amerika en op 20 juni 1819 kwam zij in de haven van Liverpool aan. Saxo 22. Trailerbare zeilboot. L.O.A. 6,50 m., breedte 2,49 m., zeiloppervlak 25 m². S-band. Korte golf (radio). SBD (m). Scheepsbeveiligingsdienst. SBKB. Stichting Behoud Kamper Botters. SBZH. Stichting Behoud Zeeuwse Hoogaars. Scafander. (1) Zwemvest, reddingsgordel. (2) Licht soort duikpak. Scanmar 31a. Snel polyester familiezeiljacht. L.O.A. 9,40 m., zeiloppervlak 43,20 m². Scanmar 33. Solide polyester zeiljacht, dat ook geschikt is om single-handed te zeilen. L.O.A. 10,10 m., zeiloppervlak 49 m². Scanmar 35. Snel en degelijk polyester familiezeiljacht, dat ook geschikt is om single-handed te zeilen. L.O.A. 10,90 m., zeiloppervlak 65 m². Scanmar 40. Degelijk polyester zeiljacht, met veel luxe voorzieningen. L.O.A. 12,25 m., zeiloppervlak 72 m². Scanner. (1) De voortdurend ronddraaiende antenne van de radar. (2) Apparaat waarmee men onder andere alle kanalen van de marifoon kan ontvangen. Kan zonder vergunning worden aangeschaft. Ik heb een portable Bearcat Uniden, die een uitstekende ontvangst heeft. Scanner 391. Polyester rondspant zeiljacht met zes tot acht vaste slaapplaatsen. L.O.A. 11,92 m., breedte 3,60 m., zeiloppervlak 84 m². Scapho. Grieks kustvaartuig. Scepter. (1) Een rechtop staande steun, doorgaans van roestvrij staal, stevig bevestigd aan de zijkant van het dek. Door gaten in of ogen aan de scepters lopen de relingdraden, doorgaans van voorpreekstoel tot achterpreekstoel. (2) Ook: boomijzer. Elk van de twee of meer vorken op het boeisel waarin de vaarboom en de pikhaak rusten. Schaapskop. (1) » Botterfokblok. (2) Inwoner van Dordrecht. Schaar. Samenvouwbare steun voor de » giek, te gebruiken wanneer het grootzeil gestreken is, of als steun voor de mast, wanneer deze gestreken is. Schaarstok. Ook: fissing. Vroeger een plank die iets dikker was dan de andere planken, als versterking of omgrenzing van openingen in het dek. Tegenwoordig een stalen plaat die dezelfde functie heeft. Schadevaring. Het veroorzaken van schade door een varend schip. Schaft. (1) Schacht van het » anker. (2) Algemene benaming voor spier of steng. Schaften. Eten. Zie ook Laag water en Voorschaften. Schakel. (1) Scherp zeiljacht met uitstekende zeileigenschappen. Soort » sharpie met v-bodem en ruime kuip. Oorspronkelijk bedoeld om een schakel te vormen tussen de jeugdboten en de Vrijheidsklasse. Voert een torenzeil met fok. L.O.A. 4,71 m., breedte 1,70 m., zeiloppervlak 11,90 m², 112 kg. Veelgebruikte toerboot; nationale wedstrijdklasse. (2) (s). Metalen beugel met een schroef of pen om verschillende delen met elkaar te verbinden. (3) (v) » Haringschakel. Schakelgaren (v). Garen om netten te boeten en waarvan onder andere de » haringschakels gebreid worden. Schakelschiel (v). » Schiel om de » haringschakels over te breien. Schalken. Het vastzetten van de »presenningen rond een » luikhoofd met platte ijzeren schalklatten, die met keggen in de schalklippen van het keggenbord worden vastgeslagen. Zie ook Sjorring. Schalkkeg. » Keg. Schalm. Een ronde of ovale ring. Meerdere schalmen aan elkaar verbonden vormen een ketting. Schaloos. Zwaar beschadigd. `Die kotter liep schaloos binnen.' Schaluppe (d). Zie Norderneyer Schaluppe. Schanddekker. (1) » Potdeksel. (2) Iemand die met een meisje trouwt dat van een ander zwanger is. Schansloper. Soort jas. » Baaivanger. Schavelen. (1) `De wind schaveelt' = De wind ruimt of gaat liggen. (2) `Schaveel de zeilen' = Richt de zeilen naar de wind. Schavielen. Slijtage van touw en kabel door het schuren langs andere voorwerpen. Schavieling. Bekleding van touwwerk tegen doorschuren. Schavotje. (1) Afgeschoten stukje dek, doorgaans boven het stuurhuis, waar het standaardkompas is geplaatst. (2) (v) Opbergruimte in het vooronder. Schebek. Ook: chebeck. Lang, smal, zeer scherp gebouwd zeilvaartuig van de Middellandse Zee. Scheegat. Uitholling voor de riemen in het boord van sommige roeiboten. Scheehouten. Verticale latjes op het boord van een roeiboot, waartussen de riem scharniert. Werden later vervangen door roeidollen. Scheehouten wherry. Klassieke, overnaadse roeiboot waarmee ook kan worden gezeild. Voert dan een emmerzeil. Een zeilwherry heeft geen zwaarden, alleen een zeilroertje dat 30 centimeter diep steekt. Overstag gaan lukt niet, dan moeten de riemen worden gebruikt. Scheen (v). IJzeren versterkings- en beschermingsstrip. Scheeps. De taal van de scheepvaart. `Hij verstaat geen scheeps.' Scheepsagent. Regelt als agent van een rederij de ontvangst, de aflevering en de betaling van de goederen bij de » stuwadoor en de opdrachtgever. Treedt meestal ook op als » cargadoor. Scheepsbeschuit. Harde beschuit die slechts eenmaal gebakken is en als proviand op zeereizen werd gebruikt. Scheepsbouw. (1) De leer omtrent het bouwen van schepen. (2) De bedrijfstak die zich met het bouwen van schepen bezighoudt. In de Nederlandse scheepsbouw werken " 16.000 mensen. Het Nederlandse aandeel op de Europese markt is 8%; op de wereldmarkt is dat 2%. Scheepscertificaat. Kopie van de inschrijving van het schip in het scheepsregister. Scheepsgezellen. Alle » schepelingen aan wie de » monsterrol niet de rang van » scheepsofficier toekent. Scheepshypotheek. Hypotheek met het schip als onderpand. Scheepskameel. Elk van de twee lichters die (gedeeltelijk) tot zinken worden gebracht en onder de romp van het schip met kettingen aan elkaar worden bevestigd. Beide scheepskamelen beschikken over een roer en diverse bolders en spillen, waarop het schip wordt vastgelegd. Vervolgens worden ze gelijkmatig leeggepompt. Scheepskamelen dienden vroeger als een soort lichters, waarmee grote oorlogsschepen met veel diepgang over ondiepten konden worden gebracht. Scheepskok. Veelzijdig en vindingrijk vakman (als hij dat niet is, heeft hij geen leven aan boord). Tijdens mijn opleiding tot scheepskok heb ik behalve koken ook leren broodbakken, banketbakken, koeien en varkens uitbenen en inslaan van proviand in vreemde landen. Scheepskoorts. Eufemisme voor dysenterie, cholera en tyfus; ziekten die veel voorkwamen aan boord van de schepen waarmee na de mislukte aardappeloogst van 1847-1848 honderdduizenden Ieren naar Canada en de Verenigde Staten emigreerden. Omdat er zoveel mensen aan boord waren, waren de omstandigheden uitermate slecht en onhygiënisch. Scheepsnaam. Naam van het schip, bijvoorbeeld Balans. Zie ook Roepnaam. Scheepsofficieren. Alle » schepelingen aan wie de » monsterrol de rang van scheepsofficier toekent. Zie ook Officieren. Scheepsraad. (1) Raad van scheepsofficieren met wie de gezagvoerder, in voorgeschreven of moeilijke gevallen, overleg pleegt en besluiten neemt. (2) De bijeenkomst van deze personen. Scheepsregister. Verzamelterm voor de drie registers waarin de zeeschepen, vissersvaartuigen en binnenvaartuigen te boek zijn gesteld. Scheepstijdingen. Berichten in dagbladen omtrent de actuele positie van zeeschepen. Worden met name gelezen door familie en kennissen van zeelieden. Zie ook TR. Scheepstimmerman. Timmerman aan boord van een houten zeilschip. Scheepsverband. (1) Hypotheek. (2) Verbinding van een schip ten behoeve van een schuld. (3) Een bij overeenkomst bedongen voorrecht op de opbrengst bij rechtsvordering op een schip. (4) Een combinatie van 1, 2 en/of 3. Scheepsverklaring. Het bij het einde van een reis door de gezagvoerder van een schip afgelegde verklaring. Bij schade aan schip en/of lading dient hij binnen 48 uur na aankomst in een haven een scheepsverklaring af te leggen bij een notaris of bij de Nederlandse consul. Scheepsvlakduiker (m). Onervaren schepeling die de opdracht krijgt het scheepsvlak door te kruipen om daar schoonmaakwerk te verrichten en gevallen gereedschap bij elkaar te zoeken. Scheepswerf.
Terrein van scheepsbouwer of -reparateur, waarop dokken, hellingen, kantoren
enzovoort.
![]() Scheepswerktuigbouwkundige. Ook: machinist. Scheepsofficier die belast is met de zorg voor onderhoud en werking van de technische installaties, met name de voortstuwingsmachines. Scheepszoetelaar. » Parlevinker. Scheepvaart. Verzamelnaam voor het verkeer te water, uiteenvallend in zeevaart, kustvaart, binnenvaart en recreatievaart. Scheepvaartinspectie. Onderdeel van het Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken (DGSM) van het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Houdt voortdurend toezicht op alle Nederlandse schepen, verricht vooronderzoek naar scheepsrampen en heeft tuchtrecht-bevoegdheid wanneer blijkt dat een scheepsramp te wijten is aan de schuld van de kapitein of een officier van een in Nederland geregistreerd schip. Scheepvaartmuseum. Elk van de musea gespecialiseerd in de scheepvaart. Het Scheepvaart Museum te Amsterdam is het op één na grootste maritieme museum ter wereld. (Het grootste scheepvaartmuseum is het National Maritime Museum te Greenwich, ten oosten van Londen, waar onder andere ook de » Cutty Sark, de » Gypsy Moth, de » Beagle en de » Victory te bezichtigen zijn.) Voor het Scheepvaart Museum van Amsterdam, gevestigd in » 's Lands Zeemagazijn, is een replica van het VOC-schip Amsterdam te bezichtigen. De bibliotheek van het museum bevat meer dan »0.000 boeken. Scheepvaartreglement. Volgens dit reglement is het voor elk schip, behalve kleine open boten, verplicht een reeks scheepvaartreglementen aan boord te hebben. Watersporters voldoen doorgaans aan deze verplichting wanneer men de laatste editie van de Almanak voor watertoerisme - deel 1 van de ANWB aan boord heeft. Scheepvaartreglement Eemsmonding. Dit reglement is tot stand gekomen in overleg met de Duitse autoriteiten en moet worden beschouwd als een aanvulling/wijziging door plaatselijke omstandigheden op het Zeeaanvaringsreglement (ZAR). Scheepvaartreglement Westerschelde. Dit reglement is van kracht op de Westerschelde en tot stand gekomen in overleg met de Belgische autoriteiten. De zeer drukke scheepvaart en andere omstandigheden op de Westerschelde vereisen speciale regels. Scheepvaartverkeerswet. Deze wet bevat onder andere bepalingen die bij de ordening wenselijk zijn op alle binnenwateren en op zee, in de Nederlandse territoriale wateren. Zij kan mede als grondslag dienen t.a.v. de veiligheid op het water en de daaraan verbonden sancties. De Scheepvaartverkeerswet is in feite de kapstok waaraan de Nederlandse scheepvaartreglementen zijn opgehangen. Scheerbalk. Langsscheepse balk waarop » merkels en » luiken rusten. Scheergang. Bovenste huidplank, » berghoutsplank. Scheerhout. (1) Ook: vulhout. Houtje tussen de dollen, waarop een riem rust. (2) Draaibaar hout, waaraan de wimpel van een platbodem genaaid wordt. Scheerlijn. (1) Lijn waarmee het onderwant wordt doorgezet. (2) Lijn tussen schip en wal of tussen schepen onderling, die tijdens het ballastpompen, laden en lossen en hoog of laag water telkens kan worden bijgesteld. (3) Lijn die zich in twee of meer einden splitst. Scheermessen (v). Haringen. Scheernet (v). Net dat over de gehele breedte van het viswater wordt gespannen om ontsnapping van de vis te beletten. Scheerspant. Elk der spanten, op bepaalde afstanden op de kiel opgezet, die het beloop van het schip aangeven. Scheerstok. Zeer smalle loopplank. Scheertouw. » Spring. Scheertouwen (v). » Kneppeltouwen. Scheertroshaak. Grote, zware haak voor gijns, sloeptakels en ander zwaar touwwerk. Scheg. (1) Verlenging van de kiel aangebracht voor het roer van sommige jachten. De scheg draagt bij tot een goede waterstroom langs het roerblad en beschermt het roer. (2) Onder de waterlijn aangebrachte verbreding of verlenging van voor- en achtersteven. (3) Op Oudhollandse zeilschepen de aan de voorsteven bevestigde klamp waarop het scheg- of boegbeeld rust. Schegbord. Opvulling tussen de slooiknieën en rondom de kluizen. Scheibliek (v). De na de ansjovistijd snel gegroeide jonge haring. Scheidingstonnen. Liggen op de plaats waar de rode stompe en de groene spitse tonnenrijen elkaar snijden. Zijn bolvormig en altijd voorzien van een topteken. Door middel van kleuren en de vorm van het topteken wordt meer informatie gegeven over de vaarwaters. Scheinagel (v). Keernagel, voorkomt lekkage langs een naad. Scheizeil. Zeil boven het bovenbramzeil van zeer hoog getuigde raschepen. Scheizeilra. Ra waaraan het scheizeil wordt bevestigd. Scheizeilsteng. Zie Steng. Scheldejol. Ruime, brede jol (L.O.A. 5 m., breedte 1,90 m.), met midzwaard. Geheel open, op een klein voor- en achterdekje na. Stevig zeilbootje, dat in de jaren dertig veel werd gebruikt door beginnende zeilers. Scheldetol. Na de val van Antwerpen (1585) sloten de Hollanders en de Zeeuwen de Schelde af. Op 19 april 1839 werd bepaald dat Nederland de Schelde niet meer zou blokkeren, maar in ruil daarvoor ƒ 1,50 per ton scheepvaart van en naar Antwerpen mocht heffen. Om de scheepvaart niet te belemmeren bepaalde de Belgische regering enige maanden later dat zij, en niet de schippers, de tol voor haar rekening zou nemen. Omdat de lasten steeds zwaarder werden werd op 12 mei 18»3 overeengekomen dat België de Scheldetol, met financiële steun van andere landen die op Antwerpen voeren, mocht afkopen, tegen een bedrag van ruim 17 miljoen gulden. Schelp (v). Afdekplaat van het asgat van het » braadspil. Schepelingen. Algemeen: allen die zich als » scheepsofficieren of » scheepsgezellen aan boord bevinden of zich als zodanig hebben verbonden. Bij de marine alle militairen beneden de rang van officier. Schepenbesluit. Koninklijk Besluit waarin de bepalingen van de Schepenwet in details zijn uitgewerkt. Schepenlift. Inrichting voor het transport van schepen tussen waterwegen van ongelijke hoogte. Bestaat uit een mechanisch, hydraulisch of elektrisch voortbewogen bak met water, voorzien van sluisdeuren. Schepenwet. Wet betreffende de scheepvaart, ter voorkoming van scheepsrampen, waarin opgenomen de bepalingen van en ten aanzien van de Raad voor de Scheepvaart. Scheren. Ook: inscheren. Touwwerk door takels leiden. Scherenkust. Steile kust met veel scherpe inhammen en talrijke rotseilandjes en klippen. Schering. (1) Elk van de houten waarmee het beloop van een te bouwen schip wordt aangegeven. (2) De gezamenlijke delen waarop het dek van een houten schip rust. Scherpgebouwd. Smal, met spits toelopende stevens, hetgeen de snelheid ten goede komt. Scherp jacht. Jacht met een vinkiel of midzwaard, in tegenstelling tot ronde- en platbodemjachten. Scherp staan (v). Wordt gezegd van botsleepnetten waarvan het ondersim korter is dan het bovensim; hierdoor werken ze zich sneller de grond in. Zie ook Sim. Scherp zeilen. Zeilen onder een zeer kleine hoek t.o.v. de wind. Scheurbuik. Ziekte die ontstaat door gemis aan vers voedsel, met name groente en fruit (vitamine C). Kenmerkt zich door zwellingen en bloedingen van het tandvlees, loszittende tanden en soms bloedingen op andere plaatsen van het lichaam. Heeft vroeger aan boord van schepen talloze slachtoffers gemaakt. ![]() Update: Scheveningen Radio of Radio Scheveningen was van 1904 tot 1999 het radiostation van Nederland voor communicatie met schepen.Begin 1999 hield wereldwijd het radioverkeer via radiokuststations op en werden de schepen verplicht te werken via de satelliet. Op 31 december 1998, om vier uur 's middags Nederlandse tijd, zond Scheveningen Radio zijn laatste bericht, "Wij wensen U en de bemanning voor de laatste maal een goede vaart en tevens een voorspoedig nieuwjaar". Hoewel het radiostation gedurende het grootste deel van zijn bestaan vanuit IJmuiden heeft geopereerd, is het altijd 'Scheveningen Radio' blijven heten, omdat de zendlocatie die naam verplicht moest behouden. Schepen die de zender wilden peilen om hun positie te bepalen, zouden anders een verkeerde peiling in hun navigatiekaart zetten als de naam IJmuiden Radio zou zijn geweest. Schiel (v). Stukje hout (meestal rond) waarover gebreid wordt en dat door zijn omtrek de maaswijdte bepaalt. Schiemannen. (1) Het verrichten van werkzaamheden aan touwwerk en dergelijke. (2) Ook: schieren. Redderen; rondzien waar iets hersteld moet worden; opknappen. Schiemansgaren. Touw, twee- of driedraads linksgeslagen, meestal geteerd, dat onder andere dient voor het kleden van touwwerk. Schiemanswerk. Het verbinden en bewerken van touw en staaldraad, zoals het leggen van steken en knopen, » splitsen, » smarten en » trenzen. Schiemanswuit. » Garenwinder. Schiereiland. Grotendeels door water omgeven land dat aan één zijde een natuurlijke verbinding heeft met een groter stuk land. Schieschuit. Soort trekschuit. Schietboot. » Wildschieter. Schieten. (1) Van » stengen; afnemen bij zwaar weer. (2) (v) In zee zetten van » hoekwant of staande netten. (3) (v) Gedeeltelijk laten zakken van het grootzeil. Zie ook Halen en Springen. Schietfuik (v). Kleine fuik waarmee in het IJsselmeer wordt gevist. Schietkooi. Kooi bij de bovenkabelgaten, waarin het zware touwwerk wordt opgeschoten. Schietlood. Eind touw met knopen op een bepaalde afstand van elkaar, en aan het eind een stuk lood. Wordt gebruikt om de diepte van het water te meten. Schietlijn (v). Uitgezette vislijn. Schietschouw. Soort » Zeeuwse schouw. Schiffsmeßbrief (d). » Zeebrief. Schiffstagebuch (d). » Journaal. Schiften. (1) Het van richting veranderen van de wind. (2) Het verplaatsen van iets van het ene boord naar het andere. (3) Ook: shiften. Het verschuiven van de luikbalken. Schijf. Draaiend wiel in een » blok. Schijnbare wind. De wind die men waarneemt aan boord van een varende boot. Richting en kracht ervan zijn afhankelijk van de snelheid van de boot en de snelheid van de » ware wind, en van de koers van de boot ten opzichte van de ware wind. Schijnbare zonnebaan. Zie Ecliptica. Schijngijp (w). Een schijngijp voor de wind is een geliefd middel bij het » matchracen om de tegenstander naar de verkeerde kant van de baan te sturen. Hierbij wordt door de stuurman met luide stem opdracht gegeven om met de voorbereidingen voor een » jibe set te beginnen, de spiboom midscheeps te brengen, het grootzeil over te laten komen en de spinnakerboom te laten zakken. Zodra de tegenstander gaat gijpen om zich in de afdekpositie te brengen, gaat men over de oude boeg terug en zeilt men ongehinderd en met vrije wind weg. Zie ook Afdekken, Afdekkingskegel, Hunt en Schijnoverstag. Schijnlicht. Zie Koekoek. Schijnoverstag (w) . Ook: schijnwending. Tactisch middel bij het » matchracen, waarbij de aanvaller in het kruisrak probeert de verdediger ertoe over te halen de » close cover op te geven en weg te klappen. Lukt dat, dan loeft de aanvaller op en keert terug naar de oude koers. Zie ook Schijngijp. Schijtbliek (v). » Scheibliek. Schild. (1) Voorste schot van de roef van een hoogaars. (2) Verbindingsstuk (ezelshoofd) tussen boegspriet en kluiverboom. (3) » Scheerbalk. Schildboorden. Boorden waarin de einden van de braadspil draaien. Schildknoop. Knoop in het eind van een touw om rafelen of door een oog schieten te voorkomen. Schildpad. Ook: schildpadblok. » Blok dat plat op een ondergrond wordt bevestigd, bijvoorbeeld op de mast of op de giek. Schildvis. Echeneis remora. Soort zuigvis met een langwerpige ronde schijf op de kop, waarmee hij zich aan schepen vastzuigt. Schiller. Duitse stoomboot die op 7 mei 1875 bij de Scillies op de klippen liep. 312 opvarenden kwamen daarbij om. Schilschuit. » Snik die voor de visserij op het wad werd gebruikt. Had twee masten en een volle ronde kop, terwijl de voorsteven licht gebogen was. Schinkel. Staaldraadgedeelte van een stag met mantel. Zie ook Socket. Schinkelhaak. Strop of ketting met twee of drie haken, waarmee vaten worden opgehesen. Schip. Vroeger elk vaartuig met drie of meer (vierkantgetuigde) masten. Tegenwoordig een vaartuig van aanzienlijke afmetingen, doorgaans langer dan 20 meter, ingericht voor het vervoer van goederen en/of personen, met name over zee. Volgens de wet: elk vaartuig gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als een middel van vervoer te water, met of zonder waterverplaatsing. Zie ook Boot of schip en Klein schip. Schipbreuk. Het vergaan van een schip. Schipbreukeling. Iemand die » schipbreuk lijdt. Enkele tips voor schipbreukelingen: 1. Drink onder geen beding zeewater, en
voeg geen zeewater bij zoetwater.
Schipper. (1) Algemeen: de gezagvoerder (kapitein, veerman, molenbaas enzovoort) of degene die deze vervangt. Het is niet gebruikelijk om de kapitein van een zeeschip zo te noemen. (2) Aanspreektitel voor de gezagvoerder van een binnenvaartschip. (3) Volgens het » BPR: degene die het schip voert. De schipper is degene die de navigatie leidt. Dit kan dus ook degene zijn die daadwerkelijk aan het roer staat, terwijl de schipper ligt te slapen en niet bereikbaar is. De schipper hoeft zich niet altijd in de stuurhut of aan dek te bevinden; ook als hij korte tijd in de kajuit verblijft en dan de leiding van de navigatie aan iemand anders overlaat, blijft hij de schipper, zolang hij zich maar terstond aan dek of in de stuurhut kan begeven. Zie ook Verplichtingen van de bemanning. (4) (m) Ook: majoor. Sergeant-majoor van de dekdienst. Schippersbeurs. Beursbevrachtingskantoor. Plaats waar vervoerders en verladers op het gebied van de (wilde) binnenvaart samenkomen tot het aangaan van overeenkomsten. Schip-schipverkeer. » Intershipverkeer. Schipsluis. Sluis waarmee onder andere droogdokken worden afgesloten. Schoeien (v). Oliegoed aantrekken.
![]() Schoener. Zeeschip met scherpe boeg en in principe twee achteroverhellende masten waarvan de achterste langer is dan de voorste. Dit type schip is een » langsscheepsgetuigd schip van Amerikaanse oorsprong, meestal scherp van lijn, met een klippersteven en voorzien van twee tot zes masten. Bij tweemastschoeners is meestal de achterste mast het hoogst, bij driemastschoeners de middelste. Soms zijn de masten even groot. De meeste schoeners zijn snelle zeilers en goed wendbaar, hetgeen van pas kwam bij de smokkel en munitievaart langs de Amerikaanse kust tijdens de Vrijheidsoorlog. Er zijn schoeners met gaffelzeilen, die we gaffelschoeners noemen. Als ze daarboven nog topzeilen voeren spreken we van gaffeltopzeilschoeners. Men komt ook stagzeilschoeners en torenzeilschoeners tegen. De topzeilschoener voert een of twee razeilen boven het voorste schoenerzeil en een dubbele topzeilschoener voert razeilen boven beide schoenerzeilen. Zie ook afb. 40. Schoenerbark. Barkentijn. Schoener met meer dan twee masten, waarvan alleen de voorste vierkantgetuigd is. Schoenerbrik. Brigantijn. Voert twee masten, waarvan de voorste vierkantgetuigd is. Schoenerjacht. Torengetuigd pleziervaartuig. Schoenertuig. De achtermast is hier meestal de hoogste mast en heet dan ook de grote mast. De voorste mast noemen we in dit geval de fokkemast. Het grootzeil is aan de grote mast bevestigd; de fokkemast voert het schoenerzeil, dat soms wel » voorzeil genoemd wordt. Vooral op de ruimere koersen is de » schoener snel. Er bestaan veel typen schoeners en ook de tuigagevormen lopen nog wel wat uiteen. Schoenerzeil. Voorzeil. Onderzeil
aan de fokkemast van een » schoener.
![]() Schokker. Platbodemd vissersschip van de Zuiderzee, met zware, rechte voorsteven en één grote en één kleine mast, beide langsscheepsgetuigd. Een schokker heeft een tot aan de mast gedekt voorschip en een open ruim. De naam van het schip stamt waarschijnlijk van het eiland » Schokland. Schokkoord. » Shockcord. Schokland. Voormalig eiland in de Zuiderzee, tegenwoordig gelegen in en behorend tot de gemeente Noordoostpolder, provincie Flevoland. In 1859 werd het eiland ontruimd, omdat de regering het te duur vond het door de Zuiderzee bedreigde eiland te omdijken. De bewoners - veelal vissers - kregen een ruime vergoeding om zich elders te vestigen en een huis te laten zetten, mits zij hun huis op Schokland sloopten. Direct na hun vertrek werden de resten van het huis in brand gestoken, om te voorkomen dat de bewoners terugkeerden. De protestanten vestigden zich o.a. in Kampen en in Urk, de katholieken zochten hun heil in Volendam. Enkele jaren later richtten de oudere Schokkers zich tot de regering met het verzoek naar het eiland terug te keren; zij konden niet aarden in hun nieuwe woonplaatsen. Om het eiland te kunnen beveiligen tegen de opdringende Zuiderzee wilden zij een deel van hun vangst afstaan. De regering ging niet op het aanbod in. Scholschuit. Tjalkachtig, gaffelgetuigd schip met zijzwaarden, gebruikt voor de korvisserij. Schommel. Dubbelgeslagen touw waar een schepeling in kan zitten om te werken aan moeilijk te bereiken plaatsen van het tuig. Schoof. Verzamelnaam voor alle houten delen van een sloep. Schooier. Houten kraag om de bezaansmast, waarop de klauw van de bezaansboom rust. School. (1) Aaneengesloten menigte van gelijksoortige vissen. (2) (v) Maas of schakel van een net. (3) (v) Gedeelte van een visnet tussen twee kurken. `Een net van zes scholen drijft op zeven kurken.' Schoor. Ook: schraagstut. Balk of paal die in schuine richting onder of tegen iets is geplaatst, om te voorkomen dat het zal vallen of wegglijden. Schoorsteenluik. Middelste luik in het voordek van een botter. Schoorwal. Strandwal. Een natuurlijk gevormde lage, zandige rug, die ongeveer evenwijdig aan de kust loopt en waarvan de kruin meestal boven water ligt. Wordt gevormd vanuit een kaap of eiland en sluit een deel van de zee geheel of gedeeltelijk af, zodat een » lagune ontstaat. Schoot. (1) De lijn of staaldraad, bevestigd aan de schoothoek of de schoothoeken van een zeil, waarmee de stand van het zeil wordt geregeld. Doorgaans wordt een schoot benoemd overeenkomstig het zeil waaraan hij is bevestigd, bij voorbeeld groot(zeil)schoot, fokkeschoot enz. (2) De gierketting van een gierpont. Schoot aan! We gaan een borrel drinken. Schootbeugels. Metalen beslag met beugeltjes aan de » giek, ook ter bevestiging van de bovenste grootschootbokken. Schootblok. Ook: novexblok. Blok waardoor de grootschoot of fokkeschoot wordt gehaald. Schootgaan. Onder zeil gaan. Schoothoek. Ook: schoothoorn. De hoek van het zeil waar het » achterlijk en het » onderlijk samenkomen. Schoothoorn. » Schoothoek. Schoot in de bout (v). Onderste » blok van de » grootschoot » te loevert brengen. Schootklamp. Klamp waarop een schoot kan worden belegd. Schootlier. Speciale lier voor het doorhalen van schoten. Een vereenvoudigde uitgave van de schootlier wordt `sjorlier' genoemd. Schootloper. Elk der beide einden touw waarmee de schoot van een stagzeil wordt bediend. Meestal één touw, dat in het midden aan de schootoog is bevestigd. Schootoog. Ook: leioog. Plastic of metalen oog waar een » schoot doorgeleid wordt. Schootring. Een ronde of hoefijzervormige ring die om de » giek en het hierom opgerolde gereefde zeil past en waar de » wipschoot of de » grootschoot aan vastgemaakt wordt. Schootsteek. De schootsteek wordt onder meer gebruikt om twee lijnen of trossen van verschillende dikte op elkaar te steken en om een lijn aan een oog te bevestigen. Schootwater. Zoet rivierwater dat in zee stroomt. Schop (v). Hoosschep. Schoperen. Het spuiten van een zinklaag direct op het ijzer, om het schip te beschermen. Schor. (1) » Kwelder. (2) Langzaam aflopende en daardoor moeilijk te benaderen kust. Schorre grond (v). Grond met een laagje schelpen erop. Schot. (1) Permanente afscheiding, verticaal in de romp geplaatst, dwarsscheeps of evenwijdig aan het langsscheepse symmetrievlak, om de verschillende ruimten van het vaartuig van elkaar te onderscheiden en om de constructie te versterken. (2) Tijdelijke afscheiding, verticaal in het ruim geplaatst, zowel dwarsscheeps als langsscheeps, om het schuiven van de lading te voorkomen. Schoteband (v). IJzeren band om de » giek waarin het » schoteblok hangt. Schoteblok (v). » Blok van de » schoot. Schottendek. Het bovenste dek tot waar de waterdichte dwarsschotten zijn opgetrokken. Schotsmannetjes. Halfronde kokers van ijzer, hout of bamboe op het staande want, op plaatsen waar het lopend touwwerk langs loopt, om schavielen te voorkomen. Schouderblok. » Lipblok. Schout. Dijkgraaf. Schout-bij-nacht (m). » Vlagofficier
bij de marine. Rang tussen vice-admiraal en commandeur.
![]() Schouw. Platboomd vaartuig met een platte zeshoekige voor- en achterspiegel. Vroeger meestal gebruikt als vissersschip of vrachtboot, maar tegenwoordig veel gezien als (stalen) plezierjacht. Schoverzeil. Ook: grootzeil. Onderste razeil aan de grote mast. Schoverzeilskoelte. Krachtige wind waarbij men alleen het schoverzeil kan voeren. Schrale wind. Wind die vrij voorlijk inkomt. De wind `schraalt' als hij voorlijker inkomt dan eerst. ![]() Schrikken. Iets schoksgewijs opvieren. Schrob (v). Ook: schrobbe. Aan een beugel en stok bevestigd visnet waarvan de opening toegehaald kan worden. Schrobnet (v). Ook: kor. Zakvormig
sleepnet dat door een boom wordt opengehouden en aan een reep over de bodem
van het viswater wordt getrokken, doorgaans om platvis te vangen.
![]() Schroef. Ook: propeller. Scheepsschroef. Voortstuwingswerktuig voor schepen, bestaande uit een naaf met twee tot vijf schroefbladen, meestal in één gietstuk uitgevoerd, en wentelend om de door de scheepsmachine voortbewogen schroefas. De schroef stuwt het vaartuig in voor- of achterwaartse richting voort. We onderscheiden rechtse en linkse schroeven. Schroefas. As, aangedreven door de scheepsmachine, waarom de schroef wentelt. Schroefraam. Samenstelsel van roer- en schroefsteven. Schroefspoed. » Spoed. Schrooien. Over het dek trekken van zware lasten, eventueel met behulp van schrooitalies. Schuif. Losse (dubbele) bodem in een » galei. Schuifboom (v). » Vaarboom. Schuifje. » Sleetje. Schuifkap. Schuivend luik achter op de kajuitopbouw of op het dek, dat toegang naar beneden geeft. Schuifschade. Schade die het gevolg is van het schuiven van de lading. Schuifzaling. Zaling bestaande uit twee langs- en twee dwarszalings, om het bovenbramwant van de lange bramstengen te steunen. Schuimblank. » Blank. Schuimen. Zeeroof plegen. Schuimkop. Wit schuim op de kruin van de golven. Schuit. (1) Algemene benaming voor eenvoudig vaartuig. (2) Zuidhollandse » staatsietjalk met een groot, breed vlak en hoge rechte steven. (3) » Botter. Schuitestiene (v). Ballaststenen in haringschuiten. Schuiven (v). Met een » schuifboom voortbewegen van het vaartuig. Schuiver. Grote golf. Schulerperiode. » Inslingertijd. Zie ook Gyrokompas. Schulp. (1) (v) Van een schelp gemaakte signaalhoorn. (2) Zware beugel aan dek, om trossen door te voeren. Schurfie (m). Ook: schurfie schurfie. Gerecht van worst, uien, sambal, peper, zout, ketjap, knoflook en trassi. Schut. Keerdam; stuw. Schutdekschip. » Shelterdekschip. Schutkolk. Deel van de » sluis waarin de te schutten schepen afmeren en op een hoger of lager niveau worden gebracht. Schutnet (v). Net waarmee een viswater over de gehele breedte wordt afgezet. Zie ook Schutwant. Schutpeil. Het hoogste peil waarop een » sluis nog kan worden geschut. Schutsluis. Ook: sas. » Sluis, bestaande uit een aan weerszijden door deuren afgesloten kolk of kamer, waardoor vaartuigen kunnen worden geschut. Schutten. (1) Het schip door een » schutsluis in water van hoger of lager niveau brengen. (2) Door een schutsluis varen. Schuttevaer. (1) Vereniging ter
behartiging van de belangen van binnenschippers en hun kinderen. (2) Naam
van een blad voor binnenschippers.
Schuurlijst. Dunne, halfronde lat op de huid langs het boord, waarmee een boot bijvoorbeeld langs de kade kan schuren zonder dat de buitenhuid beschadigd wordt. Scoop (e). De rondingscurve van het voorschip. Zie ook Rocker. Scopolaminepleister. Middel tegen » zeeziekte. Was tot 1997 niet in Nederland verkrijgbaar. SCOR. Special Committee on Oceanographical Research. Scorpion. Amerikaanse kernonderzeeër die eind mei 1968 nabij de Azoren schipbreuk leed. 99 opvarenden kwamen daarbij om. Op 31 oktober 1968 werd het wrak gelokaliseerd. Scripps Institution of Oceanography. Oceanografisch instituut, gevestigd te La Jolla, Californië, in 1903 opgericht. In 1912 werd het instituut onderdeel van de University of California te San Diego. SCUBA. Self-Contained Underwater Breathing Apparatus, in 1943 uitgevonden door Jacques Yves Cousteau, in samenwerking met Emil Gagnan. Scubaduiken. Ook: persluchtduiken. Duiken met gebruik van zuurstoffles(sen). Zie ook Skin diving en Snorkelen. Scud (e). » Lenzen. Scull (r). Roeiboot met twee riemen per roeier. Scullen (r). Ook: scull racing. Roeien met twee riemen per roeier, in tegenstelling tot » boordroeien, en doorgaans zonder stuurman. Zie ook Coxed en Roeisport. Sculler (r). (1) Ook: skiff. Eenpersoons roeiboot. (2) Ook: skiffeur/skiffeuse. De persoon die deze boot voortbeweegt. SCW. Stichting Classificatie Waterrecreatiebedrijven. Stichting die onder andere sterren toekent voor de accommodatie en voorzieningen van jachthavens. SDR. Special Drawing Rights. Verhouding gebruikt bij het verrekenen van radiotelefoniegesprekken gevoerd via buitenlandse kuststations, die wordt bepaald door de internationale waarde van de dollar, het pond, de mark, de yen en de gulden. Zie ook AAIC. Sea area (e) (n). Elk van de vier zeegebieden (A1 t/m A4) waarin het » GMDSS de wereld heeft ingedeeld. Seabea. Soort » LASH dat twee lichters tegelijk aan boord kan nemen door middel van een lift in het achterschip. Sea break (e). Afremsysteem dat in geval van nood kan worden gebruikt. Werkt doorgaans door middel van flappen. Sea farming (e). » Maricultuur. Sea Hawk 34. Royaal polyester zeiljacht, met slaapaccommodatie voor zeven personen. L.O.A. 10,26 m., zeiloppervlak 68 m². Seakindliness (e). Zegt men van een schip dat zich bij boos weer soepel houdt, hetgeen niet alleen goed is voor de lading, maar ook voor de bemanning. Bij langdurige stormen wordt er namelijk veel van het uithoudingsvermogen van de opvarenden gevergd. Sea Lord 39. Ruim polyester zeiljacht
met voldoende ruimte voor tien opvarenden. L.O.A. 11,73 m., zeiloppervlak
89,80 m².
![]() . Seaward 25. Trailerbaar polyester rondspant zeiljacht met vijf vaste slaapplaatsen. L.O.A. 8,15 m., breedte 2,49 m., zeiloppervlak 24,60 m². Seawise Giant. Het grootste schip dat ooit is gebouwd. Deze olietanker liep in 1979 van stapel. L.O.A. 458 m., breedte 69 m., 564.739 » DWT. Sectorenmast. » Gebouwde mast. Sectorlichten. Dit licht dient om
de navigator te waarschuwen voor de gevaren die aan weerszijden van het
vaarwater liggen. Afhankelijk van de richting van waaruit men het licht
nadert vertoont het een andere kleur, bijvoorbeeld wit in het midden, rood
aan bakboord en groen aan stuurboord. Doorgaans mag er slechts in het witte
licht worden aangestuurd en niet in één van de gekleurde
sectoren. Zie ook Geleidelichten.
![]() Sedov. Stalen » tall-ship, in 1921 gebouwd door Krupp Germania Werft, Kiel voor F.A. Vinnen & Co. te Bremen. Het schip werd Magdalene Vinnen gedoopt en in 1936 verkocht aan Norddeutscher Lloyd, Bremen en hernoemd tot Kommodore Johnsen, die haar als vracht- en opleidingsschip gebruikte. In 1945 werd het schip overgedragen aan de Sovjet Unie en hernoemd tot Sedov. Sinds 1981 is ze weer in gebruik als opleidingsschip. Seebuch (d). Navigatie-handboek uitgegeven door de » Hanze, waarin alle vuurtorens, havens en boeien langs de kust van Riga tot Lissabon stonden vermeld. Seinschip. Adviesjacht. Seinsleutel. Hefboompje aan een
telegraaftoestel waarmee de tekens worden gegeven.
![]() Seinvlag, codevlag. Een van de seinvlaggen of -wimpels uit de code van het Internationaal Seinboek. Er zijn 26 lettervlaggen, 10 cijferwimpels, 3 vervangwimpels en 1 onderscheidingswimpel. Ze worden ook gebruikt bij zeilwedstrijden, waar zij een speciale betekenis hebben overeenkomstig het Zeilwedstrijdreglement van de » IYRU. Seizen. (1) Vastsjorren. (2) Dunne touwen om zware touwen slaan. Seizing. (1) (v) Touw dat de netten met de » reep verbindt. (2) Dun plat touw, dat tijdens het hieuwen van het anker de » kabelaring (2) met het ankertouw verbindt. (3) Zeildoekband, dat dient om een zeil bij elkaar te binden. Sekoci. (Schuitje). Indonesische benaming van de bijboot van een grote » prauw, voor communicatie met de wal. SELCAL. Selective Calling. Systeem waarmee schepen selectief kunnen worden aangeroepen. Men moet daarvoor over een SELCAL-ontvanger en een SELCAL-nummer beschikken. Wordt door Scheveningen Radio niet langer gebruikt. Semafoor. Seintoestel, geplaatst op een hoge stellage aan de zeekust of rivieroever, waaraan naast of onder elkaar bollen, kegels, vlaggen en dergelijke worden gehangen, als signalen voor de scheepvaart met betrekking tot de diepte, stormverwachtingen enzovoort. Semi-duplex. Radiotelefoniesysteem waarbij het kuststation tegelijkertijd zendt en ontvangt, terwijl het schip afwisselend zendt en ontvangt. Zie ook Duplex en Simplex. Sent. (1) Lijst, gording, tijdelijk op de spanten van een in aanbouw zijnd schip aangebracht om ze op hun plaats te houden en de vorm van het schip te bepalen. (2) Ook: sentlijn. Schuin door de scheepstekening aangebracht snijvlak, waardoor men een rij snijpunten met de spanten krijgt. Sentijn 1133. Polyester rondspant zeiljacht met zeven vaste slaapplaatsen. L.O.A. 11,33 m., breedte 3,76 m., zeiloppervlak 85 m². Sentlijn. » Sent (2). Septer. » Scepter. Septireme. » Galei met zeven rijen roeiers boven elkaar. Serving. Bekleding van zware touwen, om schavielen te voorkomen. SES. Ship Earth Station (e) (n). Schip met » Inmarsat-apparatuur aan boord. Sewer (e) (w). Ook: riool.
(1) Op een groot wedstrijdjacht de onderdekse ruimte met minimale accommodatie.
(2) Benaming van de groep bemanningsleden die verantwoordelijk is voor
het transport van materiaal van en naar het riool.
![]() Sextant (n). Instrument voorzien van een gradenboog (die het zesde deel van een cirkel bedraagt) en spiegels, dat wordt gebruikt om de hoogte van de hemellichamen en daarmee de positie van het schip te bepalen. De moderne sextant is ontwikkeld uit de » octant van Hadley. Zie ook afb. 41, Jacobsstaf, Kwadrant en Zeeastrolabium. Sex wax (s). » Wax. SF. » Uitwateringsmerk voor zoet water in de tropen. Zie ook afb. 50. Shanty (e). Van het Franse chanter (zingen). Ook: gangspillied. Zeemanslied met refrein, oorspronkelijk gezongen aan de kaapstander, tijdens het hijsen van de zeilen of bij ander eentonig werk. Een voorbeeld: Shape (e) (s). Van een » blank een surfboard maken met gebruik van een zaag, een schaaf en schuurpapier. Shark (e). Britse douanebeambte. Niet gebruiken als aanspreektitel. Sharpie. Vroeger een snelle zwaardboot, die in verband met de lage » vrijboorden zoveel mogelijk rechtop gezeild moest worden, waardoor de bemanningsleden vaak een heel eind buiten boord moesten hangen. Tegenwoordig een alleszins snel en zeewaardig zeiljacht. L.O.A. 10,75 m., zeiloppervlak 46,30 m². Shelterdekschip. Ook: schutdekschip. Vrachtschip met een beschut dek en een zogenaamd tonnage-luikhoofd, dat niet permanent gesloten mag zijn. Wij onderscheiden open en gesloten shelterdekschepen. Shipchandler (e). Handelaar in scheepsbenodigdheden. Shippingmaster. Persoon, vaak tevens logementhouder of herbergier, die zich niet geheel belangeloos belastte met het doen aanmonsteren van zeelieden. Ship's log (e). » Journaal. Shiver (e). Het fladderen van de zeilen als je te scherp aan de wind zeilt. Shoal (e). Ondiepte, zandbank. Shockcord (e). (1) Elastiek koord dat onder andere deel uitmaakt van het » trapezetuig. (2) (s) Stuk elastiek aan het » ophaalkoord en de mastvoet, waardoor het ophaalkoord binnen het bereik van de surfer blijft. Shoot (e). Een stroomversnelling afvaren. Shoran (n). Short range navigation. Radionavigatiesysteem met twee antwoordbakens. Shoulder-of-mutton sail (e).
Driehoekig loggerzeil.
![]() . Sigarettensmokkel. Vindt op grote schaal (circa 5000 ton per jaar) plaats van Marokko naar Playa d'Atamara (Spanje), met zeer snelle V-8 speedboten uit Gibraltar. De Spaanse politie en douane zijn machteloos en slagen er maar zelden in de vermogende smokkelaars te pakken te krijgen. Signaalverlichting. Verticale rij lichten op een schip die aangeven dat er iets bijzonders aan de hand is. Zonder toplicht en boordlichten licht het schip stil. Blijf uit de buurt! Sigma 33MH. Snel, degelijk en zeewaardig polyester toerzeiljacht. Toerversie van de Sigma OOD. L.O.A. 9,88 m., zeiloppervlak 37,90 m². Sigma 362. Snel en comfortabel polyester toerzeiljacht, met slaapaccommodatie voor zeven personen. L.O.A. 10,98 m., zeiloppervlak 53,10 m². Sigma 41. Snel en comfortabel polyester toer- en wedstrijdzeiljacht, met zeer veel privacy. L.O.A. 12,50 m., zeiloppervlak 74,10 m². Signaleur (m). Ook: batsman. Deklandingsofficier. SIGNI (n). Signalisation des Voies de Navigation Interieure. Eén van de twee » betonningsstelsels die in Nederland in gebruik zijn. Zie ook IALA. Sik (m). Betaalmeester die het » kadje uitbetaalde. Sikalaïeten. Zeerovers die omstreeks 1200 v.C. de Syrische kusten onveilig maakten. Sikkeblok. Soort » vioolblok, waarbij de schijven haaks op elkaar staan. Silverton 31+2 Sedan. Polyester knikspant (diep-V) motorboot met zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 9,76 m., breedte 3,58 m., diepgang 0,80 m. Sim (v). Touwversterking langs boven- en onderkant van een staand net of sleepnet, waarmee het net wordt uitgespannen of dichtgetrokken. Simmen (v). Het » sim rond de netten aanbrengen. Simplex. Radiotelefoniesysteem waarbij
de ontvanger wordt uitgeschakeld zodra de zendknop wordt ingedrukt, en
omgekeerd. Men kan dus niet gelijktijdig luisteren en praten. Bij dit systeem
moet je telkens `over' zeggen alvorens je de zendknop loslaat. Mensen die
veel van dit systeem gebruikmaken beginnen soms in het gewone verkeer ook
zo te praten. `Een pilsje en een portie bitterballen alstublieft, over.'
Zie ook Duplex.
Simulator (s). Droogtrainer, waarop de belangrijkste handelingen van het plankzeilen kunnen worden geleerd. Single-handed Race Around the World (e) (w). Deze wedstrijd voor solozeilers werd voor het eerst gehouden in 1968 en werd gewonnen door Robin Knox-Johnston. Hij deed er 10 maanden en 3 dagen over om in Falmouth terug te keren. Zie ook Circumnavigatie. Single-handed Transatlantic Race (e) (w). Zeilwedstrijd voor solozeilers die sinds 1960 wordt georganiseerd. De winnaar van de eerste race was Sir Francis Chichester. Zie ook Gypsy Moth IV en OSTAR. Single-handed zeilen. Zeilen zonder de hulp van derden. Dat is iets anders dan » solozeilen. Wanneer je een paar collega's meeneemt die nog nooit eerder een zeiljacht hebben gezien, moet je er echt wel van uitgaan dat je single-handed zeilt, maar niet solo. Singlesticker (e). Elke zeilboot
die niet meer dan één mast heeft.
![]() Sint Helena. Eigenlijk: Royal Mail Ship (RMS) Saint Helena, varend voor Curnow Shipping. De laatste echte » mailboot die nog in de vaart is. Vaart eens per vier maanden via Ascension en Sint Helena naar Tristan da Cunha, met post, brommers, kamerbreed tapijt en uiteraard ook passagiers. Op Tristan da Cunha is voor een groot schip als de St. Helena geen mogelijkheid om af te meren, dus worden lading en passagiers voor de kust overgeladen in een grote open boot. Een heel avontuur, want de zee gaat er doorgaans knap te keer. Sint Jacob. Dit schip, met aan boord 24 Nederlandse gezinnen, kwam in juli 1663 in Amerika aan. De kolonisten stichtten een nieuwe nederzetting in de kolonie Nieuw-Nederland, die zij Nieuw-Amsterdam noemden. Op 7 september gaf de nederzetting, die inmiddels 1»00 inwoners had, zich over aan de Engelse oorlogsvloot, waarna de naam werd omgedoopt in New York. Sint Nicolaas. Ook: Sinterklaas. Redde drie onschuldig ter dood veroordeelde schipbreukelingen en werd patroon van onder andere zeelieden, schippers, Amsterdam en Rusland. Sint Petrus. Het schip waarmee de Deense ontdekkingsreiziger Vitus Jonassen Bering in opdracht van tsaar Peter de Grote een doorvaart tussen Azië en Noord-Amerika trachtte te vinden. Op 20 augustus 1741 bereikte hij de zuidkust van Alaska. Er brak echter scheurbuik aan boord van de Sint Petrus uit, waardoor ook Bering werd geveld. Eind november 1741 leed Bering schipbreuk bij de Commodore-Eilanden en enige tijd later overleed hij, op het tegenwoordige Bering-eiland. Sintrale Kommisje Skûtsjesilen. » SKS. Sirene. Ook: zeemeermin, zeenimf; verleidelijk wezen, van boven vrouw, van onder vis (andersom lijkt me minder smakelijk), die de voorbijvarenden door haar betoverend gezang probeerde te lokken, zodat ze op de rotsen te pletter voeren. Odysseus ontkwam aan dit lot door de oren van zijn manschappen dicht te stoppen en zichzelf aan de mast vast te binden. De Argonauten werden gered door de muziek van Orpheus. Sirio. Italiaanse stoomboot die op 4 augustus 190» schipbreuk leed voor de kust van Cabo Palos, Spanje. 350 opvarenden kwamen daarbij om het leven. Sirius. Schip van de milieuorganisatie Greenpeace. Sirocco. (1) Brandend hete zuidoostelijke wind in de Middellandse Zee en op de Noordafrikaanse kusten, waait doorgaans enkele weken in het voor- en najaar. (2) Type motorzeiljacht. L.O.A. 11,30 m., zeiloppervlak 63,50 m². Sisal. Natuurlijk materiaal ter vervaardiging van touwwerk, genoemd naar de gelijknamige havenplaats in Yucatán. Komt op zeiljachten nauwelijks meer voor, maar ik gebruik het nog altijd graag, onder andere als sjortouw voor kraanlijnen en zeilvallen (4 strengs, 8 mm., 45 cent per meter). Sit on their face (e) (w). » Close cover van de tegenstander in een » matchrace tijdens een overstagduel, waarbij de tegenstander voortdurend onder vuile wind wordt gehouden. Sjanghaaien. Ook: ronselen. (1) Iemand dronken voeren en dan als bemanningslid aan boord brengen. (2) Het (in oorlogstijd) ronselen van marinepersoneel door passagierende zeelieden te verdoven met drank of drugs en ze vervolgens een contract te laten ondertekenen. Sjezen. Overboord zetten van een overledene. Zie Zeemansgraf. Sjorbalk (m). » Bargoen. Sjorlier. Winch. Ronddraaiende cilinder van kunststof of metaal waar een » schoot of » val omheengeslagen wordt om » doorzetten te vergemakkelijken. Soms heeft de sjorlier ook een zwengel. Uitgerust met verschillende blokkeringsmogelijkheden. Zie ook Schootlier. Sjorren. Stevig vastbinden van loszittende objecten, ter verbetering van de zeewaardigheid. Sjorring. Middelen om de deklast vast te zetten, zoals touw, takels, staaldraad en kettingen. Zie ook Presenning. Sjortouw. (1) Verlengstuk van staaldraad kraanlijn of zeilval, waarmee de lijn of val wordt gehesen of gestreken. (2) (v). Lijn waarmee de » kwakboom boven water getrokken wordt. Sjouwerman. (1) Knoop, waarbij de strengen losgedraaid en door elkaars bochten terug in het touw worden gesplitst, die voorkomt dat het touw door een oog schiet. (2) Soort » schouwtje, met kleine, smalle spiegel en voorbord, naar buiten vallende boorden en rechtopstaand boeisel en twee of drie roeibanken. Werd vooral gebruikt voor het overzetten van lichte vrachtjes en personen. Sjouwhaler. Schip dat een in nood verkerend schip te hulp komt. Skeg (e) (s). Kleine vin achteraan de surfplank, om haar op koers te houden. In tegenstelling tot een » vin wordt een skeg gebruikt in combinatie met een zwaard. Skiff. (1) Ook: sculler. Smalle eenpersoonsroeiboot voorzien van een rolbank. Zie ook Roeisport. (2) Platboomd open boot met een scherpe boeg en een platte spiegel, die wordt voortgestuwd met roeispanen, zeilen of een motor. Skiffeur/skiffeuse. Ook: sculler. Iemand die in een » skiff roeit. Skiffhead. Roeiwedstrijd met » skiffs. Skimmer (m). Soort speedbootje, onder meer aan boord van torpedojagers. Skimmer 25. Trailerbaar polyester knikspant zeiljachtje met ophaalbaar midzwaard. L.O.A. 7,77 m., breedte 2,40 m., diepgang 0,41 tot 1,17 m., zeiloppervlak 32 m². Skin diving (e). Duiken zonder zuurstoffles, vaak met behulp van een » snorkel. De skin diver kan enkele minuten onder water blijven. Zie ook Scubaduiken en Snorkelen. Skipjack (e). Scheepstype waarbij de spantdoorsneden een combinatie zijn van rechte en gebogen lijnen. Skipper (e). (1) Gezagvoerder op een zeilboot bij wedstrijdzeilen. (2) » Schipper (3). Skipper's daughters (e). Golven met witte koppen. Skraelings. Zo werden de Indianen van het Noordamerikaanse vasteland in de negende eeuw genoemd door de » Vikingen, ongeveer vijfhonderd jaar voordat Columbus Amerika `ontdekte'. Zie ook Kelten. Skroevertje (v). » Drijfhoutje. SKS. Sintrale Kommisje Skûtsjesilen. Een van de twee skûtsje-organisaties. De sintrale kent veertien kommisjes, meestal verbonden aan steden of dorpen, en alleen de kommisjes mogen een schip in de vaart brengen. De schipper moet stammen uit een Fries binnenschippersgeslacht. Zie ook IFKS. Skûtsje. Soort tjalk. Skûtmakkersproefstuk. Vulstuk van het achtersteven van een boeier. Wie dit kon maken was een volwaardig skûtmakker (schuitenmaker). Skûtsjesilen. Zeilwedstrijden met » skûtsjes, die jaarlijks in Friesland worden gehouden. Prachtig festijn. Zie ook IFKS en SKS. Slaags vallen. » Vol vallen. Slabbe. Haring die in de Zuiderzee werd gevangen en zo vers was dat je hem kon `slabben' (zuigen). Slag. (1) In de » roeisport
de halende beweging van de riem door het water, tussen » inpik
en uitpik. (2) De weg die de roeiboot met één riemslag
aflegt. (3) De roeier die het tempo aangeeft. (4) De roeier die het meest
achter in de boot zit.
Slaggaard. Stuk rondhout dat dient om de waterdiepte te peilen (palmsteken). Is in afwisselende kleuren geschilderd, meestal op twintig centimeter afstand, om gemakkelijk na te kunnen gaan hoeveel water er staat. Slagputs. » Puts. Slagroeier. De achterste roeier in een sloep, die het ritme van de slag aangeeft. ![]() Slagzee. Ook: stortzee. Over het schip slaande golf. Slagzij. Overzijdse helling van een schip. Dit wordt echter niet veroorzaakt door de druk van de wind tegen de zeilen maar bijvoorbeeld door een lekkage of verkeerd » trimmen van de ballast. `De Urker maakt slagzij.' Slalom (s). Onderdeel van een funboard-wedstrijdserie, waarbij telkens twee deelnemers tegen elkaar starten. Slam dunk (e) (w). Zodanig varen dat bij de tegenstander in een » matchrace de wind uit de zeilen wordt genomen en deze niet goed kan manoeuvreren. De term werd m.b.t. het matchracen gepopulariseerd door Jim Kelly en Gary Jobson, tijdens de America's Cup van 1987, maar werd al in 1983 of eerder gebezigd door de Australische deelnemers aan de Cup. Slamming (e). » Paaltjes pikken. Slampamper. (1) De gemakkelijk te openen sluiting waarmee het eind van de ankerketting benedendeks boven de » kettingbak is vastgezet. (2) (v) Duvelstoejager bij de zalmvisserij. Slap. » Laf. Slaperdijk. Ook: binnendijk of slaper. Een dijk die dient om het water tegen te houden wanneer de » wakerdijk mocht bezwijken. Slapping. Oud touwwerk, gebruikt voor het kleden van kabels. Slavenvervoer. Het vervoer van slaven van hun woonplaats naar de plaats waar zij werden verhandeld. De gevangen slaven werden keel aan keel gebonden naar de kust gedreven. Daar werden ze in kelders opgesloten totdat er voldoende voorraad was voor een schip. Na te zijn gemerkt werden ze met driehonderd à vierhonderd tegelijk het schip in gedreven. Ze werden geboeid in het ruim. De hete stank was om te snijden en het vuile kielwater spoelde om hen heen. De overtocht duurde zes weken en slechts een kwart van de slaven overleefde de reis. Van 1500 tot 1862 zijn er ongeveer 15 miljoen levende slaven aan de Amerikaanse wal gebracht. Dit betekent dat er onderweg 45 miljoen zijn gestorven en dat er zo'n 60 miljoen uit Afrika zijn weggevoerd. In hun vaderland waren de slavenhandelaars en slavenvervoerders doodfatsoenlijke mensen, die 's zondags tweemaal daags naar de kerk gingen. Zie ook Vrouwen. Slecht water. Glad, effen water. Sleep. (1) (v) Trek met een sleepnet. (2) (v) Lengteverschil tussen twee lijnstukken, speciaal dat wat de » onderreep langer is dan de » bovenreep. (3) Schip of schepen die door een sleepboot worden voortgetrokken. (4) Volgens de wet: een samenstel van één of meer motorschepen en één of meer op tros daaraan verbonden andersoortige schepen, waarbij de motorschepen dienen voor het voortbewegen. (5) Ook: sleepie. Het slepen van een boot die pech heeft. `Wil je een sleepie?' Sleepbeug (v). » Beug
sleepnetten.
![]() Sleepboot. Zeer sterk vaartuig met krachtige motor, bestemd voor het slepen van drijvende objecten. We onderscheiden zeesleepboten, havensleepboten en binnen-sleepboten. Zie ook Noordzee (2). Sleepbotter (v). » Botter die de sleepnetvisserij beoefent. Sleeper (e). Niet of nauwelijks waarneembare, net onder het water liggende steen of rots. Sleepgenerator. Achter het schip aan gesleepte dynamo. Sleephelling. Een schuine helling om een boot uit het water te halen of te water te laten. Sleephopperzuiger. » Baggerwerktuig met een sleepkop, waarmee zand en slib van de bodem wordt opgezogen. Sleepie. » Sleep (5). Sleeplijn. (1) Kabel waardoor een schip met de sleepboot verbonden is. (2) Lijn van 23 meter waaraan waterskiërs door een » speedboat worden voortgetrokken. (3) (v) Vistuig dat voornamelijk bestaat uit een lijn die door het water wordt gesleep. Sleeplog. Verzwaard driehoekig houten plankje, verbonden aan een lijn met om de 7,71 een knoop erin. De log wordt aan de achtersteven overboord gegooid, en uit het aantal knopen dat er in 15 seconden overboord gaat kan men de snelheid opmaken. Sleepnet (v). » Kor. Sleepschip. Het schip dat door de » sleepboot wordt gesleept. Sleepsim (v). » Sim van de sleepnetten. Sleepvaart. Tak van de scheepvaart die zich bezighoudt met het slepen van vaartuigen en andere drijvende objecten, door middel van speciaal daartoe gebouwde sleepboten. Sleepvlag. Kleine rode attentievlag met een groot wit blok, op de boeg van een » sleepboot of » sleepschip. Sleepzuiger. Zie Baggerwerktuig. Sleetje. Een vlak plaatje met een oog erop, vervaardigd van metaal of kunststof. Met het oog wordt het aan het » voorlijk of het » onderlijk van het » grootzeil bevestigd; het vlakke plaatje past in de mastrail of in de giekrail. Slegel. Ook: sleg of slegge. Houten hamer. Slekken. Van het Engelse slacken. Het laten vieren van een touw of ketting. `Ietsje slekken, Jan!' Slemphout. (1) Opvulstuk tussen de voorsteven en de kielgang in het schip. (2) Opvulstuk tussen berghout en voorsteven van een schip. Sleng. Een strop zonder begin of eind, gemaakt van touw, staaldraad of ketting. Slengen worden meestal gebruikt om grote en gladde voorwerpen aan de haak van de hijsreep van de kraan te hangen. Slepen (v). Vissen met sleepnetten (bijv. haring-, ansjovis-, bot-, spiering- of snoekbaarsslepen). Sleper. Sleepboot. Sliedrechtse aak. Soort » zandaak, maar dan met een spiegel in het achterschip. Klein, open scheepje met voor de bemanning een verblijf in het voorschip. Sliding (e). Een op rails heen en weer glijdende doft in een wedstrijdroeiboot, die dient om de slag van de roeier langer te maken. Slijter. (1) Schip dat rijp is om gesloopt te worden. (2) Scheepssloper. Slikken. Buitendijks gelegen slikgronden, die niet of nauwelijks begaanbaar zijn. Slingeren. De schommelende, dwarsscheepse slingerbeweging van een vaartuig in zeegang. Zie ook Dompen en Stampen. Slingerfout. Een veranderlijke fout in de aanwijzing van het » gyrokompas als gevolg van het slingeren of stampen van het schip. Slingerlat. Elk van de latten waarmee het kommaliewant zeevast wordt gezet, in kasten en ook op het fornuis. Slingerruit. Snel ronddraaiende ronde ruit op de navigatiebrug. Wanneer het regent vliegen de waterdruppels er door de snelheid af en blijft het zicht goed. Slingerschot. Schot in het ruim dat voorkomt dat de lading gaat schuiven, hetgeen extra slingeren van het schip tot gevolg zou hebben. Slingertafel. Kajuittafel met blad, dat om een langsscheepse as draaibaar is en door een onder aan het blad hangend gewicht steeds horizontaal wordt gehouden. Werkt niet bij het » stampen. Slingertank. Elk van de door buizen met elkaar verbonden tanks aan weerszijden van het schip die dienen om het slingeren tegen te gaan. Slingerwending (s). Wending waarbij het zeil tegenwinds draait. Slip. Zie Spoed. Sliphaak. » Pelikaanhaak. Slippercentage. Zie Spoed. Slipsteek. Knoop die met een kleine ruk weer los kan worden gemaakt. ![]() Sloependek. Dek van een groot zeeschip waar de sloepen zich bevinden. Sloepenrol. Oefening aan boord waarbij ieder bemanningslid bij zijn eigen sloep moet aantreden en zijn specifieke taken in noodsituaties moet opnoemen. Sloepgast. Schepeling met het diploma sloepgast, doorgaans een volmatroos. Sloeplood. Dieplood van 3 kilo, voor kleine vaartuigen in ondiep water. Sloep naar de wal! (m). Signaal voor aanvang passagieren. Sloeptuig. Tuig met grootzeil en fok. Slof. (1) Steun voor de poot van een bok. (2) Borg op een sloepdavit. Sloffe. » Loefbijter. Slofkousen (v). Over de klompen heenvallende beenkappen van oliegoed. Slooien. Zijdelings afwijken. Slooiknie. Verbanddeel om het zijdelings afwijken van andere verbanddelen te voorkomen. Slooischoor. Schoor tegen de steven van een op stapel staand schip, om het slooien tegen te gaan. Sloot. De Atlantische Oceaan. Slothout. (1) Grendel voor de steng. (2) Borg voor de braadspil in de uitholling van de schildboorden. Slowaak (v). Een tot » vleugelkuil vermaakte Engelse » kuil. Sludge (e). Afval van afgewerkte olie en oliehoudende waterresten, bij normaal bedrijf ontstaan in de machinekamer. Slufter. Een voor de kust gevormde
stroomgeul in een zandbank. Wanneer de zandbank tot strand wordt en er
duinen ontstaan, blijft de zee toegang houden tot het gebied daarachter.
![]() Sluis. Bouwwerk in een waterloop, waarbij het peil aan weerszijden ongelijk is. Men onderscheidt onder andere spuisluizen, die water door moeten laten, keersluizen, die water tegen moeten houden, en schutsluizen, die schepen door moeten laten. Sluisfuik (v). » Fuik zonder vleugels. De voorste hoepel is zeer groot en wordt in de opening van een sluiskanaal geplaatst. Sluisgang. De tijd die verloopt van het binnengaan van een schutsluis tot het vertrek uit die sluis. Sluiskil. Voorkanaal aan de buitenzijde van een zeesluis. Sluismeester. Persoon belast met het toezicht op en gebruik van de sluis. Sluiten (v). Wanneer een vissersschip was vergaan, verzocht men uit eerbied voor de verongelukten drie dagen te `sluiten', waarmee het blinderen van de ramen met witte lakens werd bedoeld. Sluiting. Een metalen beugel die door een schroefboutje of een verende pen kan worden gesloten. Sluitplaat. » Kimgang. Slurf. Ook: spinnaker shute. Wijde buis onder dek met een opening in het voordek, waardoor de spinnaker naar binnen kan worden getrokken. Sluuf (v). Zie Roven. Sluven (v). Zie Roven. Smak. Platbodemd koopvaardijschip met zwaarden en één grote en één kleine mast, beide langsscheeps getuigd. Lijkt op de kleinere kofschepen, maar bij de smak staat de bezaansmast vrijwel op de achtersteven. Werd vooral op de wadden werd gebruikt. Voerde grootzeil, topzeil, bramzeil, stagfok, kluiver en bezaan. Smakkelaars. Schippers die dobbelden om geld. Smakzeil. Middeleeuwse benaming van » sprietzeil. Smaldeel (m). » Eskader. Smaldoek. Zeildoek van linnen, waarvan de banen smaller dan normaal zeildoek zijn. Smarten. Het omwinden van touw of staaldraad met stroken geteerd, geolied of met loodwit bestreken zeildoek. Smeerplank. Plank waarop lijken worden gelegd om ze daarvanaf in zee te laten glijden. Zie ook Zeemansgraf. Smeerreep. Een sterke lijn die van de » giek omhoog loopt, door een sterke » reefkous in het » achterlijk van het grootzeil en dan terug naar de giek. Hij dient om bij het » reven de reefkous tegen de giek te kunnen trekken. Soms is de smeerreep aan een reefleuver aan het achterlijk bevestigd en wordt hij via een pelikaanblok naar een klamp of kikker aan de voorzijde van de giek geleid. Smeetsgewijs. Zie (met) smijt. Smelne 1240. Stalen knikspant motorjacht met vier vaste slaapplaatsen. L.O.A. 12,40 m., breedte 3,80 m., diepgang 1 m. Smeren. Het schip en/of onderdelen bestrijken met » harpuis. SMIEG (m). Sport, Marsen, Infanterie, Exercitie, Geweer. VV SMIEG = Vrij van SMIEG. (met) Smijt. Van dun naar dik geslagen lijn. SMN. Stoomvaart Maatschappij `Nederland'. Smoelschuifje. Mondharmonica. Smokkelwaar. Zie Contrabande. Snag (e). Obstakel in de rivier. Snapblok. Een blok waaraan een zijkant open is of kan worden geopend; daardoor kan de bocht van een lijn erin worden gelegd zonder dat men hem helemaal hoeft in te scheren. Snaphanen. Dwarslatten op de » mars, om de marsgasten steun te geven en te voorkomen dat ze uitglijden. Snapsluiting. Snel te openen sluiting die geopend kan worden door op een knop te drukken. Snars. (1) Verdubbeling van de kop van de voorsteven. (2) Schijfklamp aan de steven. Snatchblok. » Snapblok. Snauw. Lang, laag schip met scherpe boeg, uit het eind van de zeventiende eeuw; werd ook gebruikt als adviesjacht bij de oorlogsvloot. Snauwmast. Dunne spier dicht achter de kruismast, waarlangs de gaffel en de rakbanden van de bezaan worden gehesen. Sneb. Vooruitspringend gedeelte van de voorsteven van een schip, met name bij schepen uit de Romeinse tijd. Snee (v). Holte van het » zwaard. Sneestok (v). (1) Balkje dat het einde van een snoekbaarssleepbeug spreidt. (2) Stok of balkje aan het uiteinde van staande haring- of ansjovisnetten. Zie ook Kneppel. Sneestoktouwen. » Kneppeltouwen. Snelboot. Torpedoboot. Snelle motorboot. Volgens het » BPR: een » klein schip dat bij gebruik van zijn mechanische middelen tot voortstuwing sneller kan varen dan 20 kilometer per uur. Snert met drijfijs (m). Erwtensoep met dobbelsteentjes spek. Snertnimf (m). Vrouw die (of meisje dat) de overgebleven snert komt vragen. Sneu (v). Zijlijntje van de » beug. Zie afb. 22. (de wind) Snijden (v). Zo hoog mogelijk aan de wind vissen. Snijzuiger. » Cutterzuiger.
![]() Snik. De naam is afkomstig van het Romeinse snacca, dat `soort scheepje' betekent. Overdekt vaartuig van ongeveer 15 meter lang. De Friese snik is een langgerekt plat schip met rechte voorsteven, dat vooral in Noord-Friesland werd gebruikt voor aardappelvervoer en als beurtschip. In Zeeland en Brabant had de snik vallende stevens, een breed roer en ronde luiken, en daar namen de snikken vis over uit de grotere » bommen, waarmee ze de provincie invoeren. De snik had veelal een mast met bezaantuig en voerde een bezaanzeil, stagfok en grote kluiver. De Groningse snikken, die vooral als trekschuit werden gebruikt, hadden twee mastkokers. De mast werd geplaatst aan de kant waar het paard en de `snikjong' liepen. Zie ook afb. 42. Snipa. Vissersvaartuig van de Åland eilanden. Snoes. » Snars (1). Snorder (v). Ook: snurrevaadschip. Van oorsprong Deens zegenvissersschip uit de tijd waarin de motorkotter werd ontwikkeld. Was uitgerust als zijtrawler. Snorkel. (1) Deel van de basisuitrusting van een duiker. Een aan de onderzijde gebogen buis van ongeveer 38 centimeter, waaraan een bijtstuk zit. Met de snorkel kan de duiker met het hoofd onder water blijven ademen. (2) » Snuiver. Snorkelen. Activiteit waarbij de zwemmer, in tegenstelling tot bij » skin diving of scubaduiken, aan de oppervlakte blijft. Hij ademt voortdurend door de snorkel en slaat met zijn duikbril het (excusez le mot) onderwatergebeuren gade. Snowgoose 37 Elite. Polyester catamaran met zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 11,30 m., breedte 4,95 m., zeiloppervlak 55 m². Snug down (e). Stormklaar maken van een schip, door alles zeevast te zetten en de zeilen te reven. Snuiver. Snorkel van een duikboot, waarmee men op periscoopdiepte lucht kan innemen en gassen kan afvoeren zonder aan de oppervlakte te komen. Speciaal uitgevonden om de dieselmotoren te kunnen gebruiken. Snurrevaadschip. » Snorder. Sociale want (v). Rond 1890 ontwikkeld nieuw soort » hoekwant. Socket (e). Deel van een » stag. Open verbindingspijp met aan de platte kant twee ogen, waardoor een bout met splitpen wordt gevoerd. Door de ronde opening wordt een staaldraad gevoerd en nadat de einden van de draden zijn teruggebogen wordt de ronde opening van de socket volgegoten met zink of tin. SOLAS (e). Safety Of Lives At Sea. Internationaal verdrag voor de veiligheid op zee. Soldatengat. (1) Klimgat langs de mast. (2) Driehoekige ruimte tussen de steven, de kim en het kimboord van een hoogaars en een hengst. Soling. Driemans kieljacht met aangebouwde ijzeren vinkiel. L.O.A. 8,15 m., zeiloppervlak 21,70 m². Voert torenzeil, fok, genua en spinnaker. Solo. Ook: Yachting World Solo.
Eenpersoons wedstrijdzeilboot. Dubbelknikspantboot met platte voorsteven
en ophaalbaar steekzwaard. Voert een enkel torenzeil met vijf doorlopende
zeillatten. L.O.A. 3,78 m., breedte 1,50 m., zeiloppervlak 8,40 m².
Wanneer men het gevaar voor omslaan even niet meerekent is de Solo een
heerlijk zeilbootje.
![]() Solo. Zeesleper van de organisatie Greenpeace. Heette tot en met 1990 Smit Houston. Sinds dat jaar werd de Solo gebruikt bij het uitoefenen van Greenpeace's waakhondfunctie op de Noordzee. In 1991 kwam het schip in actie tegen de proefboringen boven de Waddenzee, in 1992 volgde de Solo het Japanse plutoniumschip Akatsuki Maru van Cherbourg tot Kaap de Goede Hoop, in het najaar van 1992 toonde het schip het Russische nucleaire kerkhof op Nova Zembla aan de wereld, in 1994 kwam het in actie tegen de lancering van een trident-raket voor de kust van Florida en blokkeerde het de haven van Faslane (vanwege het uitvaren van een onderzeeër die kernwapens ging ophalen), en in het voorjaar van 1995 werd de Pacific Pintail, met hoog radioactief afval aan boord, van Cherbourg naar Japan gevolgd. In 1995 werd de Solo voor een proefperiode van twee jaar verhuurd aan een samenwerkingsverband van de bergers Smit Tak, Wijsmuller en ITC Management en viel het schip volledig onder verantwoordelijkheid van het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Solozeilen. In je eentje met een zeilboot varen. Zie ook Single-handed zeilen. SOMER-lift. Samen Over Maas En Rijn. Duwcombinatie die in het ruim drijvende recreatievaartuigen vervoert tussen Katwijk aan de Maas en Doornenburg (aan het Pannerdensch Kanaal). Sonar (e). Sound Navigation And Ranging. Apparatuur waarmee objecten onder water (bijvoorbeeld onderzeeboten, blinde klippen of scholen vis) kunnen worden opgespoord. Het apparaat zendt ultrasone trillingen uit, die worden teruggekaatst. De afstand wordt bepaald door het tijdsverschil tussen de uitzending en de ontvangst van de echo. Sond. Diepe zeestraat. Sont. Smalle doorgang van het Kattegat naar de Oostzee. Sonttol. In 1429 liet de Scandinavische Uniekoning Erik XIII aan de noordzijde van de » Sont een kasteel bouwen, om tol te kunnen heffen. In de negentiende eeuw werd de internationale druk op Denemarken om de tol op te heffen steeds zwaarder, en op 1 april 1857 schaften de Denen de tol af. Sopek. » Prauw. SORC. Southern Ocean Racing Conference. Serie wedstrijden op zee, vergelijkbaar met de » America's Cup. Wordt sinds 1941 jaarlijks georganiseerd. S.O.S.-signaal. Noodsignaal, gevormd door driemaal kort, driemaal lang en driemaal kort. Vroeger was dit C.Q.D. - Come Quick, Danger. Zie ook Stakellicht. Southerly 100. Ruim en comfortabel polyester familiezeiljacht. L.O.A. 9,75 m., zeiloppervlak 1»,40 en 28 m². Southerly 115. Ruim, speels ingedeeld polyester familiezeiljacht. L.O.A. 11,25 m., zeiloppervlak 21,50 en 33,50 m². Southerly 115 Series Two. Polyester rondspant zeiljacht met zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 11,25 m., breedte 3,62 m., zeiloppervlak 56 m². Southerly 145. Heerlijk, apart, comfortabel polyester zeiljacht. L.O.A. 15,44 m., zeiloppervlak 32,50 en 44,10 m². Spaanse ruiter. Ook: stampstok. Spreider onder aan de voorsteven om het waterstag uit te houden. Zie ook afb. 5. Spaanse takeling. Ook: hondsend. Bindsel op touwwerk om het uiteendraaien van de strengen te beletten. Spaarbekken. Nee, geen zuinige mondjes. Bassin waarin water wordt verzameld om op zekere tijd te worden gebruikt, onder andere voor de drinkwatervoorziening. Spaarkom. Bassin dienend om het waterverbruik van een schutsluis te verminderen. Span (v). Twee vaartuigen die samen vissen (met » wonderkuil of andere sleepnetten). In span ankeren: zie Ankeren in span. Spanker. (1) » Bezaan. (2) Snel knikspant midzwaard-toerbootje. L.O.A. 5,75 m., breedte 1,90 m., zeiloppervlak 13,90 m² (met genua 15,80 m²). Spankerboom. (1) Balk waarop de sloepen gesjord zijn als ze buitenboords in draaidavits hangen. (2) Bezaansboom. Spankuiler (v). Vissersschip met kuilnet. Spanner. Ook: spanschroef of wantspanner. Apparaat met een linkse en een rechtse schroefdraad om de stagen of de zeerelingen te kunnen spannen. Zie ook Staand want. Spant. (1) Elk van de gebogen balken of inhouten die de dwarsverbindingen van een scheepsromp vormen. (2) Stalen profielbalk. Spantdoorsnede. Denkbeeldige lijn op het scheepsoppervlak, gevormd door de snijding met een vlak loodrecht op de kiellijn. Spanschroef. » Spanner. Spanten. Gebogen en soms geknikte delen die de dwarsverbindingen van een romp vormen en de beplanking steunen. Spantje (v). Een paar fuiken. Spantlijn. » Spantdoorsnede. Spantoplanger. De verlenging van de buikstukken die de ribben van een schip vormen. Spantoppervlaktekromme. Een kromme
die op iedere rompdoorsnede het oppervlak van de betreffende spantdoorsnede
weergeeft.
![]() Spantvormen. Zie afb. 43. Spanvisserij. Vorm van visserij waarbij twee schepen een zakvormig net tussen zich in voortslepen. Spar (e). » Rondhout. Sparboei. Drijfbaken. Lange cilinder met in verhouding tot de lengte een kleine middellijn. Indien ze in plaats van spitse tonnen liggen, lopen ze spits toe. Liggen ze in plaats van stompe tonnen, dan zijn ze cilindervormig. Spardek. Licht dek boven het bovendek. Spardekschip. Scheepstype waarvan de opbouw op het bovendek van lichter materiaal is gemaakt, waardoor de toegelaten diepgang minder is dan bij een » voldekschip. Wordt niet meer gemaakt. Spatkleden. Kunststof of zeildoekse kleden die aan de reling van de kuip kunnen worden bevestigd. Bieden bescherming tegen wind en stuifwater. Vaak wordt de scheepsnaam op de spatkleden aangebracht, soms ook op de huik. Spatoes (m). Schoenen. Spatketting. Op de hiel van een spier bevestigde ketting die dient om het uitspatten van die spier van zijn plaats te voorkomen. Spatting. Zijdelingse uiteenwijking. Spatzeiltje. Zeiltje bevestigd op de boorden van een open boot, om te voorkomen dat er buis- of ander water in de boot loopt. Spectra. Touw zonder rek. » High Modulus Polyethyleenlijn. Speedboat. Snelle, open motorboot met buitenboordmotor. Speedtrials (e) (s). Surfwedstrijden over 500 meter. Speerreep (v). Touw met kurken dat boven aan de netten is bevestigd. Na de laatste reis wordt het van de netten verwijderd. Speet (v). Houten of ijzeren staaf om vis aan te roken. Speijkklasse, Van - (m). Type » fregat dat als hoofdtaak het bestrijden van onderzeeboten had. Spekbak (v). » Lemsterschouw. Spekken. Korte kabelgarens dicht bij elkaar door een stuk zeildoek en dergelijke steken. Spencer (e). Gaffelzeil. Speronara. Maltees kustvaartuig. Spiboom. » Spinnakerboom. Spie. (1) Driehoekig oppervlak van de huid tussen de waterlijn en de » berghouten in » kop en » kont. Spiegel. Min of meer vlakke, achterste afsluiting van de romp, die negatief wordt genoemd wanneer de spiegel van boven naar binnen wijkt. Veel zeiljachten hebben tegenwoordig een uitermate positieve spiegel. Spiegel der zeilvaart. Blad van de Stichting Spiegel der Zeilvaart, waarin opgenomen de officiële mededelingen van de » BBZ, de » VSRP en de » STAN. Verschijnt tienmaal per jaar. Spiegelflap. Spuigat aangebracht in de » spiegel en uitgerust met een rubber flap die slechts naar één kant water doorlaat. Spiegelkotter. Stalen rondspant motorjacht met polyester opbouw en vier tot acht vaste slaapplaatsen. L.O.A. 15 m., breedte 4,55 m., diepgang 1,30 m. Spiegelmazen (v). Wijdmazig net aan weerskanten van een nauwmaziger en dieper net. Zie ook Ladders. Spiegelschip. » Pinas. Spier. Algemene benaming voor rondhouten. Meestal een lange dunne mast, maar de zogenaamde `zware spier', die voor het laden en lossen wordt gebruikt, is vrij fors. Spieringbroek. De wijde broek die onder andere door Urkers en Volendammers wordt gedragen. Spieringdrijfnet (v). » Drijfnet met een maaswijdte van minimaal 25 millimeter. Spieringen (v). (1) Op spiering vissen. (2) Met spieringnetten onder het ijs vissen. Spijker. Het » anker. Spil. Ook: windas. Werktuig om ankers te lichten, het schip te verhalen en zware lasten te verplaatsen. Spilkoning. As van een kaapstander. Spill (e). Het verminderen van druk op de zeilen, door ze te trimmen of door de koers te wijzigen. Spilloper. Schepeling die in het spil loopt. Spilspaak. Elk der spaken waarmee het spil wordt rondgedraaid. (Hoe langer de spilspaak, hoe minder kracht je hoeft te zetten.) ![]() Spinnakerboom. Rondhout waarmee de » spinnaker wordt uitgehouden. Het ene uiteinde steunt tegen de mast; het andere is aan de » halshoek van de spinnaker bevestigd. Spin-out (e) (s). Het wegschieten van de spiegel in zijwaartse richting, bij hoge snelheid. Spintje (v). Kastje. Spirit 41. Polyester rondspant zeilboot met acht vaste slaapplaatsen. L.O.A. 12,25 m., breedte 3,88 m., zeiloppervlak 98,32 m². Spi squeeze (e). Slurf waarin de » spinnaker kan worden opgeborgen zonder hem eerst naar beneden te halen. Spit. Ook: braadspil. Liggende windas vóór op het schip, waarmee het anker wordt gehieuwd of het schip wordt verhaald. Spitfire-fok. Stormfok. Kleine » fok van zwaar materiaal, gebruikt voor sterke wind. Spits. Ook: spitsbak. Belgisch motorschip met stompe voorsteven. De huidige standaardafmetingen zijn: L.O.A. 39 meter en breedte 5,05 m. Spitsgat. (1) Gematigde achtersteven, die in het bovenste gedeelte naar binnen gebogen is. Zo niet, dan spreken we van kano-achtersteven. De roerkoning loopt dan door de romp. (2) Type zeilkruiser, dat zowel met gaffeltuig als met torentuig wordt gevoerd. L.O.A. 7,30 m., zeiloppervlak 31,10 m². Spleet (v). Ook: spleethoutje. Gespleten houtje in gebruik bij de » hoekwantvisserij, waar de haken op worden gehangen om te voorkomen dat het want in de war raakt. Spleit (v). Volendams voor » spleet. Spleite (v). Volendams voor » spleten. Spleten (v). Ontwarren van het verviste » hoekwant en het op spleten zetten van de haken. Spliethoff. Toonaangevende Nederlandse rederij. Zie ook A-serie, B-serie, Donata, E-serie, H-serie, IJsversterking, K-serie, L-serie en P-serie. Splinter. Type driepersoons kieljacht. L.O.A. 6,45 m., zeiloppervlak 18,90 m² tot 20,45 m². Splitsen. Twee lijnen duurzaam aan elkaar verbinden door hun strengen in elkaar te weven. Splitsijzer. » Marlspijker.
Spoedsein. PAN PAN. Zie ook Spoedverkeer. Spoedverkeer. Niet te verwarren met nood- of veiligheidsverkeer. Radiotelefonieverkeer dat betrekking heeft op de veiligheid van een schip, vliegtuig of ander voertuig of de veiligheid van een persoon. Minder dringend dan noodverkeer. Het spoedsein is `PAN PAN'. Spoel (v). Breinaald. Spoeler (v). Schepeling belast met het reinigen en afspoelen van opengesneden vis. Spok(kie) (v). School vis. Sponning. Inkeping in de kielconstructie waarin de huid past. Sponninglegger. Legger onder de achterdoft van een botter. Sponsor. Bedrijf dat geheel of gedeeltelijk
een bijzondere onderneming financiert, met het oogmerk reclame te maken.
Zonder sponsors is het heel moeilijk om langere zeereizen te maken, al
dan niet in wedstrijdverband.
![]() Sponsor Wanted. Naam van het 16 meter lange aluminium zeiljacht van de Australiër Don McIntyre, waarmee hij deelnam aan de derde » BOC-Challenge. Vanaf de derde etappe, naar de Punta del Este in Uruguay, had McIntyre eindelijk een sponsor en werd het jacht omgedoopt in Buttercup. Na negen maanden eindigde hij in Newport op de tweede plaats, na de Servant Four. De Spirit of Ipswich van Josh Hall werd derde en Jack Boyd met de City Kids viel terug naar de vierde plaats. McIntyre's motto: `Keep your heart young, and your expectations high, and never allow your dreams to die.' (Hou je hart jong en je verwachtingen hoog, en geef je dromen nooit op.) Spoon (e). Roeispaan met een hol blad. Spoorstok. Dwarssteun voor de voeten bij het roeien in een vlet. Spor (v). Draadlus waarmee steeds een vast aantal mazen van het » gaal aan » reep of » sim verbonden wordt. Sportduiken. Onderwatersport, te onderscheiden in » snorkelen, waarbij de duiker gebruik maakt van een snorkel, » skin diving, en » scubaduiken, waarbij ademhalingsapparatuur wordt gebruikt. Bepaalde vormen van duiken worden als competitiesport beoefend. De wedstrijden scubaduiken beperken zich veelal tot behendigheids- en navigatieoefeningen, maar er bestaat bijvoorbeeld ook zoiets mafs als het `wereldrecord haar knippen onder water', dat in april 1995 werd behaald door Bert Dries van duikteam Marlijn uit Appingedam. Spouter. Bijnaam voor walvisvaarder. Spouw en kloofgang (v). Dubbele gang in het » aatje van een » kuil. Spray. Sloepjacht van 37 voet waarmee de Canadees-Amerikaanse Joshua Slocum na drie jaar op 27 juni 1898 in Newport, Rhode Island terugkeerde. Hij was daarmee de eerste die solo de wereld omzeilde. Zie ook Circumnavigatie. Sprayhood (e). » Buiskap. Spreekbuis. Soort intercom. Buis tussen de brug en de machinekamer (soms ook tussen de brug en het kapiteinsverblijf), waardoor kan worden gesproken. De komvormige uiteinden van de buis dienen als spreek- en luisterapparaat. Spreeuwen. Overbodige, loshangende eindjes touw. Spreeuwen schieten. » Spreeuwen wegwerken. Spreider. Ook: spreihout of spreiijzer. Soort » zaling om spreiding aan het hoofdwant te geven. Als twee zalingen aanwezig zijn noemt men de bovenste meestal spreider. Zie ook Staand want. Spreng (v). Dubbele lijn waarmee tijdens de sleepnetvisserij de ligging van het vaartuig t.o.v. de wind wordt geregeld. Sprenkel. Enkel rondhout dat wordt geplaatst tussen de voet van de mast en het » voorstag, en dient om bij het strijken het stag boven de mast te houden. Minder stabiel dan » bokkepoten, maar heeft als voordeel dat minder ruimte in beslag wordt genomen. Een sprenkel bestaat vaak uit twee delen, die in elkaar worden geschoven, eveneens om ruimte te besparen. Ik gebruik mijn sprenkel tevens als jagerboom. Spriet. Rondhout van de mast diagonaal naar de nokhoek van een sprietzeil, om die uit te houden. Zie afb. 45. Spriettuig. Bij dit tuig wordt het zeil bediend door de schoot en twee gaarden, die aan de nok van de spriet zijn bevestigd. Het zeil is permanent aan het uiteinde van de spriet bevestigd en kan niet worden afgenomen zonder de spriet weg te nemen. Sprietzeil. Rechthoekig zeil dat met rakbanden aan de mast is verbonden. Deze zeilvorm kent geen » gaffel of » giek. De tophoek van het zeil wordt hier door een lang rondhout (de spriet) uitgehouden. Hierdoor staat het zeil slechts over één boeg goed. Zie afb. 45. Spring. Ook: scheertouw. Een » landvast die vanaf het voorschip schuin naar achteren loopt naar een bolder op de wal (voorspring), of vanaf het achterschip schuin naar voren naar een bolder op de wal (achterspring). Springen (v). Gedeeltelijk laten zakken van het zeil. Springpaard. Verticaal verbindingsstuk van touw tussen ra en » paard of tussen » jackstay en paard. Zie ook afb. 15. Springschans. Hellende, plotseling afbrekende baan, die wordt gebruikt bij het waterskiën en bij zeilplanksprongen. Springstrop. » Springpaard. Springtij. Ook: springvloed. Vindt plaats wanneer de getijbewegingen het grootst zijn, ruim twee dagen na volle en nieuwe maan, wanneer zon en maan zo staan dat ze elkaars effect versterken. Springwending (s). Wending waarbij men met één sprong de mast rondt. Vaak noodzakelijk in de branding. Sprinta Sport. Met kevlar versterkte polyester wedstrijdzeilboot. L.O.A. 7 m. Sprot (v). (1) Benaming voor jonge haring. Ook halve haring; (2) Vissoort die in de Zuiderzee niet voorkwam (Clupea sprattus), maar tegen de herfst op onze kusten verschijnt en dan in grote hoeveelheden gevangen en gerookt wordt. Spruit, hanepoot. Een stuk touw of staaldraad, waarvan beide uiteinden zijn bevestigd aan een op te hijsen voorwerp. De hijsende kracht grijpt doorgaans aan in het midden van de spruit. Spruitloper. Loper langs de » spruit (meestal een harpsluiting) aan het eind van het » piekeval. Spui. (1) Afsluitbare waterlozing die door een waterkering loopt. (2) Boezem waarlangs wordt gespuid. Spuidok. Kom die bij hoog tij vol loopt en bij laag tij met kracht het voor de haven liggende zand meevoert. Spuien. Het door een spui lozen van water. `In de zomermaanden moet er regelmatig worden gespuid.' Spuigat. Ook: spijgat. Gat in de reling dat dient om het water van dek weg te laten lopen. `Het loopt de spuigaten uit.' Zie ook Kluisgat. Spuisluis. Uitwateringssluis. Squaretail (e) (s). Rechte spiegel. SRW. Scheepvaartreglement Westerschelde.
SSB. Single Side Band. Enkelzijbandmodulatie (Laag is LSB, hoog is USB). Squadron (m). Verband van lichte oorlogsschepen. Squall (e). Donkere, equatoriale onweerswolk, die plotseling windstoten van meer dan 45 knopen kan veroorzaken. Deze windstoten kunnen wel 20 minuten lang duren. Zodra je een squall waarneemt (te herkennen aan een laag boven de zee hangende, inktzwarte lucht) moet je onmiddellijk reven.. SSCC. Serial Shipping Container
Code. Internationaal geaccepteerde verzendcode, die toeleveranciers in
de vorm van een barcode kunnen aanbrengen op hun pallets en containers.
Het unieke 18-cijferige getal wordt vaak vergeleken met een kentekenplaat.
In het verzendbericht via Electronic Data Interchange (EDI) staat hoeveel
en welke artikelen de pallet bevat, en tevens staat er informatie in zoals
de houdbaarheidsdata en de batchnummers.
S-spant. Spantvorm waarbij de overgang tussen romp en kiel zonder scherpe hoek verloopt. STA. Sail Training Association. Internationale organisatie die de beschikking heeft over honderden traditionele zeilschepen, van dwarsgetuigde volschepen tot kitsen, waarop men een opleiding tot matroos op de zeilvaart kan volgen en waarop men tegen kostprijs kan kennismaken met de zee en de zeilvaart. Zie ook STAN. Staalmannetje (m). Klein tarwebrood. Staalvisserij (v). Palingvisserij met aan stalen (stokken) vastgemaakte fuiken. Vindt plaats langs een gedeelte van de IJsselmeerkust. Staande doft. (1) Achterschot. (2) Dwarsscheepse balk in het achterschip van een botter. Staande-mastroute. Kaart met routes waarlangs men kan varen zonder de mast te hoeven strijken. Bij elk obstakel staat de doorvaarthoogte vermeld. Staande schakel(v). » Haringschakels. Staand gaffeltuig. Soort » spriettuig. Tuig zonder giek, waarbij de spriet is vervangen door een lange, zware gaffel, die met een lummel of oog aan de mast is bevestigd. Staand want. (1) Touwwerk - meestal staaltouw of staaldraad - dat permanent is bevestigd ter ondersteuning van een rondhout. Dwarsscheeps steunend worden ze doorgaans `want' genoemd, langsscheeps steunend doorgaans `stag'. (2) (v) De onbeweeglijke vistuigen. Staartblok. Blok met touwstrop die in een touw uitloopt. » Hakblok. Staats. Ook: staatsie. Opbouwsel op het achterschip, eindigend in de hekbalk boven de achtersteven. Staatsietjalk. Tjalk met » staatsie. Ook: hektjalk. Staatsietrap. Toegangstrap (valreep) met een boven- en benedenbordes. Stabilisatoren. » Antislingervinnen. Stabilisers (e). » Antislingervinnen. Stabiliteitsgegevens. Verzameling tabellen en diagrammen die een beeld geven van de stabiliteit van een vrachtschip. Stabilizing jacket (e). » Trimjack. De stad (v). Voor Volendammer en Marker zuiderzeevissers was dit Amsterdam. Stag. Elk van de dikke touwen of staaldraden die de masten en stengen naar voren (voorstag) of naar achteren (bakstag) steunen. Zie ook Staand want. Stagbocht. Bocht in de mast. Stagen. Een mast of steng meer vooroverhalen door het aanzetten van de stagen. Stagfok. Elke » fok waarvan het » voorlijk aan het voorstag wordt bevestigd. Zie ook afb. 45. Stagkous. Ook: doodshoofd. » Blok dat wat lichter is dan het » jufferblok en vooral wordt gebruikt voor stagen en waterstagen. Stagtalieblok. Ook: geitouwblok.
» Blok dat peervormig is, zodat de rakbanden er bij gestreken
fok omheen kunnen glijden. Wordt vooral bij ronde jachten gebruikt.
![]() Stagzeil. Algemeen: elk zeil dat aan een » stag wordt gevoerd. Doorgaans driehoekig. Bij een viermastbark, van voor naar achter en van boven naar beneden: achter de fokkemast: grootbovenbramstagzeil, grootbramstagzeil, grootstengestagzeil of dekzwabber; achter de grootmast: bovengrietjestagzeil, grietjestagzeil, kruisstengestagzeil; achter de kruismast: bovenvlieger, vlieger en bezaansstagzeil of aap. Stakelen. (1) Lichtseinen geven in geval van nood. (2) (v) Met vuur seinen geven, de aandacht trekken. Stakellicht. (1) Lichtsein met » stakelpot. (2) Lichtsein met moderne noodsignalen, vaak afgeschoten met een seinpistool, waarvoor in Nederland (uiteraard) een vergunning is vereist. Daarnaast zijn er onder andere parachutepijlen, handfakkels, drijvende rooksignalen en complete noodsets verkrijgbaar. Zie ook Fakkels, vuurpijlen en rooksignalen. Stakelpot. Pot voor het » stakellicht. Gedeeltelijk gevuld met terpentijn, met een eind lampekatoen door een gat in het deksel. Stampen. De ritmische, langsscheepse slingerbeweging van een vaartuig in zeegang. Elk vaartuig heeft zijn eigen stamptijd of stampfrequentie. Als die samenvalt met de golffrequentie zoals men die al varende ervaart, gaat het vaartuig steeds zwaarder stampen. Verandering van koers en/of snelheid maakt dan dat beide frequenties niet meer gelijk zijn, waardoor het stampen minder hevig wordt. Zie ook Dompen, Paaltjes pikken en Slingeren. Stampstok. » Spaanse ruiter. STAN. Sail Training Association The Netherlands. Nederlandse afdeling van de » STA. Stand (m). `Rang' van matrozen; 1e, 2e of 3e klas. Stand by (e). Radiotelefonieterm.
Blijf tot nader bericht uitluisteren op dit kanaal.
![]() Stand van de zeilen t.o.v. de wind. Zie afb. 44. Stapel. Stelling op een werf waarop een schip in aanbouw rust. `Niet te hard van stapel lopen.' Stapper 800. Mooi kajuitzeiljacht van 12 mm occumé hechthout. L.O.A. 8,15 m., zeiloppervlak 34 m². Stapper 900. Zie Stapper 800. L.O.A. 9 m., zeiloppervlak 40 m². Stapwending (s). Wending waarbij met één stap om de mast wordt heengegaan. Star. Tweepersoons kielboot met bulbkiel en diepstekend roer. Voert torenzeil met fok en spinnaker. L.O.A. »,93 m., zeiloppervlak 25,73 m², 750 kg. Olympische wedstrijdklasse. Staretje (v). Restje. Starlight 35. Polyester rondspant zeiljacht met zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 11 m., breedte 3,52 m., zeiloppervlak 53,40 m². Stars and Stripes. Catamaran die in 1988 de » America's Cup won na de monohull New-Zealand met 2-0 te hebben verslagen. Nieuw- Zeeland diende een protest in, en in maart 1989 oordeelde een rechtbank in de staat New York dat het gebruik van een catamaran onrechtmatig was. Deze uitspraak werd een half jaar later in hoger beroep nietig verklaard. Startknoop (s). De bovenste knoop in het » ophaalkoord. Startsein (w). Volgens het wedstrijdreglement van de » IYRU worden er bij de start van een zeilwedstrijd drie startseinen gegeven: het eerste is het » waarschuwingssein, het tweede het » voorbereidingssein en het derde is het eigenlijke startsein, welk aangeeft dat men de startlijn mag kruisen. Het eigenlijke startsein bestaat uit het gelijktijdig strijken van zowel het waarschuwings- als het voorbereidingssein, of uit het tonen van een rood voorwerp. Statendam. (1) Een van de
varende mastodonten van de » HAL die decennia lang vooral
emigranten vervoerde. (2) Modern cruiseschip van de » HAL,
dat per reis ongeveer 1200 (hoofdzakelijk Amerikaanse) passagiers en 600
bemanningsleden vervoert. Een gemiddelde hut voor veertien dagen kost 10.000
dollar, de duurste hut kost 30.000 dollar.
![]() Statenjacht. Snelzeilend, klein zeilschip, aanvankelijk met spriettuig, later gaffelgetuigd, dat in de zeventiende eeuw werd gebruikt als verkenner, » adviesjacht en voor het snel vervoeren van belangrijke personen. Zie afb. 45. Statief (v). » Treeft.
![]() Staverse jol. Open boot, met een vast dek voor de mast en een lange kiel in plaats van zwaarden. Werd gebruikt voor de ansjovis-visserij. Voerde een spriettuig, later ook bezaantuig. Uitstekende delen zoals bolders, pennen, berghouten en zwaarden, waren weggelaten om beschadiging van de fijne netten te voorkomen. Weinig diepgang. Staverse kotter 1040. Luxueuze, zeer zeewaardige stalen motorsailer. L.O.A. 10,40 m., zeiloppervlak 45 m². Ook leverbaar in 12 meter uitvoering en als hektrawler, met het stuurhuis voorop. Staverse kotter Sturiër 1200. Stalen multiknikspant motorsailer met vier vaste slaapplaatsen. L.O.A. 13,60 m., breedte 4,15 m., diepgang 1,15 m., zeiloppervlak 65 m². Staverse kotter Sturiër 1200 B. Stalen multiknikspant motorjacht met vier vaste slaapplaatsen. L.O.A. 12 m., breedte 4,15 m., diepgang 1,15 m. Steekbakens. In de grond gestoken takken, die aan de linkerzijde van het vaarwater spits bij elkaar zijn gebonden en aan de rechterzijde van het vaarwater uit elkaar staan. Steekbout. Ook: smeerreep. Lijn waarmee bij het » reven het » achterlijk op de » giek getrokken wordt; oorspronkelijk de bout waarmee de » schoothoorn (schoothoek) op de giek was bevestigd. Steekzwaard. Een soort » midzwaard dat verticaal omhoog en naar beneden bewogen wordt i.p.v. om een punt te draaien. Steiger. Houten constructie langs of dwars op een oever, als aanlegplaats voor schepen. Steigerring. Demontabel apparaat dat tussen twee steigerplanken wordt aangebracht. Door het een kwart slag te draaien ontstaat een stevig bevestigingspunt voor een jacht. Steilsteven. Ook: paardekontkastje. IJzeren schip met een steile, rechte voorsteven, een spitse kop en de kont van een » Hasselteraak. De mast met grootzeil, rechte gaffel en fok staat op het voordek, of op een mastdek op de den. Werd vooral gezien in de noordelijke provincies. Stekelgaren (v). Garen waarmee de hoepels van een fuik aaneengeregen worden. Stekelnaald (v). Breinaald voor » stekelgaren. Steken. (1) De waterdiepte peilen met een slaggaard of » vaarboom. (2) De diepgang van een schip of kiel. `Hoeveel steekt het schip?' `Hoeveel steekt de kiel?' (3) Zo scherp mogelijk bij de wind varen. `Het schip ligt te steken.' St. Elmus. Beschermheilige van de zeelieden. St. Elmusvuur. Ook: corposant. Zeldzaam voorkomend natuurverschijnsel, veroorzaakt door luchtelektriciteit, waarbij een elektrische ontlading plaatsvindt die als een zwak lichtschijnsel aan puntige voorwerpen (masten, kerktorens) waarneembaar is. Stel (v). (1) Bijeenbehorend geheel van netten. (2) Haak met sneu van het » hoekwant. Stelen (v). Minderen bij het breien van netwerk. Stellina. Polyester rondspant zeiljacht met zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 14,10 m., breedte 3,80 m., zeiloppervlak 103 m². Stelling (v). (1) Verhoogde vloer in een Volendammer » botter. (2) Dek van losse planken achter de mast. Stellingplank. Plank met dwarsbalken die aan vier touwen is bevestigd en waarop men kan zitten tijdens het onderhoud aan de buitenhuid van het schip. De stellingplank wordt bereikt met een touwladder of » stormladder. Stem (e). Voorsteven. Stemetil. Middel tegen » zeeziekte. Wordt voornamelijk verstrekt in tabletten van 10 mg. Voorkomt en bestrijdt misselijkheid en braken. Veel bijwerkingen. Stemfluit voor de scheepshoorn. Zie Postboei. Steng. Verlengstuk van de mast. Bestaat soms uit meerdere delen. Van beneden naar boven: marssteng, bramsteng, bovenbramsteng, scheizeilsteng en klapmutssteng. Wanneer een steng uit drie delen bestaat wordt het bovenste deel de bovenbramsteng en vervallen de scheizeilsteng en de klapmutssteng. Bestaat uit een steng uit vier delen, dan vervalt de klapmutssteng. Zie ook Bipod mast. Stengepardoen. » Pardoen. Stengestag. Bij een kottertuig een stag in voorwaartse richting, dat tot steun van de » steng dient. Stengetuig. Kottertuig met steng. Stengewant. Want dat aan de top van de steng aangrijpt. Stengewantblok. Ook: naaiblok. » Blok met een lang, sterk gerond huis, dat in het want genaaid wordt voor het aanhalen van het voormarszeil. Stengewindreep. Lijn waarmee de steng gehesen en gestreken wordt. Stern. (1) Halfopen rondspant wedstrijdzeilboot die meestal van polyester is gebouwd. L.O.A. 4,25 m., breedte 1,55 m., zeiloppervlak 11,10 m². Heeft een ophaalbaar zwaard en roerblad en voert een torenzeil, fok en spinnaker. (2) (e) Achterschip. Sterretje schieten (n). Met behulp van een sextant en de sterren de positie van het schip bepalen. Steurharing. Gezouten ongekaakte haring. Steven. Gedeelte van het schip waar de huid van beide zijden samenkomt in een betrekkelijk scherpe vorm. We onderscheiden voorsteven en achtersteven. ![]() Stevenaak. Groot tweemast rivierschip met de bezaansmast tegen de voorkant van de roef of een kleinere druilmast op het achterdek, en een boven het roer uitstekende giek. Steward. Hofmeester. Stichting Kotterzeilen. » Behoudsorganisatie die in 1993 is opgericht. Stientouwtje (v). (1) Lijn tussen » stok (2) en gewicht (stenen) van het » hoekwant. (2) Lijn waarmee de kogel, glijdende langs de » kwakboom, opgehaald of gevierd wordt. Stijf. Zegt men van een schip dat stabiel is. Zie ook Rank. Stijfheid. De weerstand die een vaartuig biedt tegen helling. Stijlen, droogstijlen(v). Palen met dwarslatten om netten aan te drogen. Stijverijstkoker (m). Scheldnaam voor kok. Stik in de wind. Recht tegen de wind in. Stiklijn. Touw, bestaande uit drie strengen van twee garens, dat onder andere wordt gebruikt voor bindsels en rijglijntjes. Stilliggend schip. Volgens de wet: een schip dat hetzij ten anker, hetzij gemeerd ligt. Een schip ligt indirect gemeerd als het gemeerd ligt aan een schip dat direct gemeerd ligt. Stiltegordel. Ook: Equatoriale stiltegordel of » doldrums genoemd. Een strook aan weerszijden van de evenaar, tussen de gebieden van de Noordoost- en Zuidoostpassaat, waarin zeer weinig wind heerst. Dit gebied is berucht om zijn zware tropische regenbuien. Stinger (e) (s). Een kleine, binnenwaartse buiging van de zijkant van de zeilplank, vrij dicht voor de » spiegel, die de wendbaarheid vergroot. Stinken. Je ligt te stinken als je schip maar niet gelost wordt. Stinkreizen (v). Vis van bedenkelijke kwaliteit aanvoeren. Stip (m). Adjudant-onderofficier. Stoelen. Niet neerklapbare » bootsklampen. Stofblak (v). Totaal geen wind. Zie ook Blak. Stofzuiger. » Elevator. Stoepje. Senior-zeeloods die schepen gaat halen. Stok (v). (1) Zie Spleet. (2) Merkteken op het » hoekwant. Zie ook Bocht. Stokanker. Goed anker, zeker in wat steviger grond, maar moeilijk op te bergen. Stokdweil. Zwabber. Stoker. (1) Bemanningslid dat aan boord van stoomschepen het vuur brandend en daarmee de ketel onder druk houdt. (2) (m) Ongegradueerde machinist. Stokerskoor. De gezamenlijke » stokers aan boord van een stoomschip. Stoom (v). Motorvermogen, ook wanneer hier in het geheel geen stoom aan te pas komt. Stoomboot. Vaartuig dat door stoom (stoommachine of stoomturbine) wordt voortbewogen. In 1707 rustte de Franse hoogleraar Denis Papin, uitvinder van de » Papiniaanse Pot, een raderboot met een stoommachine uit. Hij voer ermee van Kassel naar München. De eerste stoomboot had daarmee haar proefvaart goed doorstaan. Stoomlicht. » Toplicht. Stoot. Attentiesignaal met de scheepshoorn. Zie ook Korte stoot, Lange stoot en Reeks zeer korte stoten. Stootgaren. (1) Korte touwen waarmee het zeil op de » ra wordt vastgebonden; deze kunnen in een oogwenk worden losgemaakt zodat het schip snel onder zeil kan gaan. (2) `Op stootgaren liggen': alle landvasten zijn losgemaakt, op één na. Stootkeg. Ook: stootwig. Elk van de keggen onder een op stapel staand schip die bij het aflopen worden weggeslagen. Stootkussen. Ook: stootwil of fender. Soms van touw, maar meestal opgeblazen plastic cilinders die over de rand van de boot worden opgehangen om beschadiging te voorkomen. Stootrand. Kleine, uitstekende rand rond de buitenkant van het dek van een jacht. Stoottalies. Dienen om de schokken en stoten die tijdens slecht weer op het roer komen op te vangen en derhalve het gewone stuurgerei te sparen. Stootwil. » Stootkussen. Ook: fender. Op de boeg van een schip » leguaan genoemd. Stopanker. » Hekanker. Stopgang (v). Laatste huidgang (plank) die in de scheepshuid aangebracht wordt. Stopgijp (s). Vorm van gijpen waarbij de zeilplank zo snel mogelijk tot stilstand wordt gebracht. Stoppekistje (v). Kistje of trommel waarin de visserman versnaperingen voor de reis meeneemt. Stoppegeld (v). Geld voor versnaperingen. `Ik krijg wat stoppegeld mee van moeder de vrouw, maar dat is alles.' Stopperknoop. Een knoop in het einde van een lijn of tros om te voorkomen dat de lijn uit een oog, hand of blok schiet. Stoptouw (v). Touw waarmee de gang van een van de helling lopend vaartuig gestopt wordt. Store and forward (e) (n). Het opslaan en doorsturen van ontvangen berichten. Direct ontvangen berichten worden `real time messages' genoemd. Zie ook Verkeerslijst. Storebro 355 Baltic. Polyester knikspant (diep-V) motorjacht met vier vaste slaapplaatsen. L.O.A. 10,76 m., breedte 3,75 m., diepgang 1 m. Storebro Royal 420 Biskay. Snel polyester motorjacht met vier vaste slaapplaatsen. L.O.A. 12,88 m., breedte 4,20 m., diepgang 1,20 m. Storm 33. Comfortabel polyester zeiljacht. L.O.A. 10,11 m., zeiloppervlak 65,50 m². Stormbal. Zwarte bal die door kustwachtstations wordt gehesen als stormwaarschuwingssein. Stormdek. Tegen wind beschermd promenadedek. Stormdeksel. IJzeren patrijspoorten zonder glas die met stormweer voor de gewone patrijspoorten worden gedraaid om te voorkomen dat het schip water maakt wanneer het glas van de patrijspoorten het begeeft. Stormfok. Een klein » voorzeil van sterk doek, dat bij zwaar weer in plaats van de gewone » fok kan worden gevoerd. Stormladder. Loodsladder. Touwladder met houten treden en spreiders om kantelen te voorkomen. Op schepen van 200 ton en meer is de kapitein verplicht zorg te dragen dat wanneer een » loods aan boord komt of van boord gaat de loodsladder wordt gebruikt en de loods van het boveneinde van de ladder veilig het dek of het motorbootje van de loodsboot kan bereiken. Stormrondje. Zeilen van een rondje naar de wind, om niet te hoeven gijpen. Stormvloed. Buitengewoon hoge waterstand als gevolg van opstuwing van het water door storm. Bereikt de grootste hoogte wanneer stormvloed en springvloed toevallig samenvallen. Ontstaat op de Noordzee wanneer een zeer diepe en uitgebreide depressie ten noorden van Schotland naar het oosten en zuidoosten over de Noordzee trekt en via de Duitse Bocht het vasteland bereikt. De windrichting vóór een dergelijke depressie uit is zuidwest, maar wanneer het front passeert draait de wind plotseling naar noordwest of noord. Bij een diepe depressie, zoals die in januari-februari 1953, zijn deze winden zeer sterk. Stormwaarschuwing. Waarschuwing via Scheveningen Radio voor windsnelheden van 6 » Beaufort en meer in één of meerdere van de volgende districten: Vlissingen, Hoek van Holland, IJmuiden, Texel, Rottum en IJsselmeer. Zie ook Weergebieden. Stormzeil. Een driehoekig zeil met losse » broek, van sterk doek vervaardigd, dat bij zwaar weer in plaats van het » grootzeil wordt gevoerd. Zie ook Nonnetjeshemd. Stormzwaard (s). Zwaard met verkleind, meer naar achteren geplaatst vlak. Stortgoed. Lading die gestort wordt, zoals graan, in tegenstelling tot stukgoed. Stouwen, stuwen. (1) Iets aan boord wegbergen. (2) Het oordeelkundig plaatsen van de lading in de ruimen. Dit werk wordt onder leiding van de » stuwadoor gedaan. Stoway. Rolsysteem van het grootzeil, waarbij het zeil vanuit een gleuf achter in de holle mast met een traveller op de rail van de giek naar het uiteinde van de giek wordt getrokken. Straatvaart. Handelsscheepvaart door de Straat van Gibraltar. Strand. Strook langs de oeverlijn. Meestal van zand, soms van kiezelstenen. Een zeestrand wordt regelmatig overspoeld door golven en wordt beïnvloed door de getijdestroom. Stranden. Vastlopen op het strand. Strandhoofd. Stenen dam die meestal op afstanden van 100 à 400 meter dwars op de laagwaterlijn staat, om te verhinderen dat het zand wordt weggespoeld. Strandvonderij. Ambtelijke instelling die uit zee aangespoelde voorwerpen moet beheren. De strandvonder of strandvoogd is meestal de burgemeester. Hij oefent toezicht uit op gestrande schepen, aangespoelde goederen en het verlenen van hulp en » berging. De strandvonder heeft recht op beheerloon, dat wordt betaald uit de opbrengst van goederen. Het zich toeëigenen van op het strand gevonden voorwerpen is officieel verboden. Streek. (1) Nautische hoekmaat ter grootte van 1/32 deel van de » windroos. Eén streek is gelijk aan 11°15'. (2) (v) Trek met de » kuil. Strevers. Latten in de bramzaling, die de bram- en bovenbrampardoens de nodige achterwaartse spreiding geven. Striets. Talie waarmee het voorstag van een wedstrijdzeilboot kan worden gespannen. Wordt algemeen ook gebruikt om een end dat al is doorgezet nog wat strakker te zetten. Strietsen. Een takel of lijn zo strak mogelijk » doorzetten. Strijkbeugel (v). Schepnet met kromme steel. Strijken. (1) (v) Met een » strijkbeugel vis opscheppen uit de » bun. (2) Neerlaten van zeil of rondhout. Zie ook afb. 7. Strijkend tij (v). Ook: neergaand tij. Situatie waarbij stroom en wind uit dezelfde richting komen. Strijkklamp. Houten balk in de langsrichting op de romp aangebracht ter hoogte van het zijzwaard en waarlangs het » zwaard bij het vieren of hijsen schuift. Is bevestigd onder het » berghout. Strijklengte. De afstand waarover de wind de golven voortduwt en omhoogduwt. Hoe verder we van de hogerwal afkomen, des te groter wordt de strijklengte. Strijklier. Lier waarmee de mast kan worden gestreken. Strijktalie. Ook: boktalie of strijktakel. Inrichting met » blokken en » spieren om de mast te » strijken. Strik (v). Platte knoop met een lus in het ene part. Stringer. Langsverbanddeel bij staal- of aluminiumbouw. Stroke oar (e) (r). » Slagroeier. Stroking. De vorm, het voorkomen van een schip. Strontstag. Stag tot steun van botteloeven, papegaaistokken en strevers. Strooker 800. Degelijk en comfortabel houten rondspant kajuitzeiljacht. L.O.A. 8,12 m., zeiloppervlak 36 m². Stroom. De beweging van de watermassa's met alles wat er op drijft ten opzichte van de zeebodem. De stroomrichting wordt genoemd naar de richting waarin het water stroomt. Een zuidelijke stroom is dus een stroom die van noord naar zuid stroomt. Zie ook Corioliskracht en Oppervlaktestromen. Stroomanker. Hoofdanker, ook wel hek-, tui- of stopanker genoemd. Zie ook Waarloosboeganker. Stroomatlas. Atlas met kaarten die van uur tot uur de heersende stromen in de afgebeelde gebieden aangeven. Stroombuiseffect. Vindt plaats door windstroom in de spleet tussen fok en grootzeil. De vernauwing in deze stroombuis veroorzaakt erachter een versnelling, waardoor een verhoogde zuiging ontstaat. Een brede fok is daarom belangrijk, want deze verhoogt de goede spleetwerking tussen beide zeilen. Zie ook Downwash en Upwash. Stroombult. Ondiepte die zich soms zo'n vijftig meter achter de sluis bevindt. Strop. Kort touw (of korte ketting of kabel) met aan beide einden een lus. Het touw (de ketting, de kabel) wordt om een op te hijsen object geslagen, waarna de ene lus door de andere wordt gehaald en aan een hijshaak wordt bevestigd. Stropper (v). In het » hoekwant verstrikte paling die (bijna) gestikt opgehaald wordt. Struiven (v). Stormen. Stugeron. Merknaam van een middel tegen » zeeziekte en duizeligheid. Vrijwel nergens in Nederland meer verkrijgbaar. Het locopreparaat » Cinnarizine is exact hetzelfde en een stuk goedkoper. Stuifwater. Wanneer het behoorlijk stormt verstuift het water op de golven. Er is dan geen sprake meer van gewoon buiswater. Stuik. De korte zijde van een huidplaat of » gang. De lange zijde noemt men » land. Stuis. » Stuit. Stuit. Ook: stuis. Plaats waar de beide berghouten naar de stevens toe naar binnen buigen, en waar deze zwaarder zijn uitgevoerd dan elders. Stuiter (v). Nokje op het zwaardbeslag. Stukgoed. Goederen die bij het stuk, dat wil zeggen per colli ten vervoer worden aangegeven, in tegenstelling tot stortgoederen. Sturen. Volgens het » BPR is dit `het zelfstandig bepalen van koers en snelheid van het schip'. Degene die slechts handelt onder direct toezicht van een ander, die onmiddellijk het sturen van het schip kan overnemen, is niet degene die het schip krachtens het reglement stuurt. Het sturen van een varend schip moet worden verricht door een daartoe bekwaam persoon van tenminste 1» jaar oud. Voor snelle motorboten geldt de minimumleeftijd van 18 jaar. De bepaling omtrent de leeftijd geldt niet voor een klein motorschip met een lengte van minder dan 7 meter, dat niet sneller dan 13 km. per uur kan varen, een klein zeilschip van minder dan 7 meter en een klein door spierkracht voortbewogen schip. Stut, stutter (v). Rondhout om zeilen uit te zetten. Zie ook Bezaan. Stuur. (1) De » helmstok, het » helmhout of het stuurwiel van een boot. (2) Verkorting van `stuurman'. Stuurautomaat. Automatische stuurinrichting. Stuurbalk. Dwarsscheepse balk ter afsluiting van het achterhuisje. Stuurboogje. IJzeren strip met gaten op de stuurbalk, voor de stuurpennen. Stuurboord. De rechterkant van een vaartuig wanneer men van achteren naar voren kijkt. Stuurboordlicht. Groen van kleur. Ezelsbruggetje: stuurboord = rechts = CDA = groen. Zie ook: Bakboordlicht, Boordlichten, Heklicht, Navigatielichten en Toplicht. Stuurdochter. Onderdeel van een » gyrokompas. Stuurkompas. Bevat een dochtermotor, die via tandraderen een roos met vaste zeilstreep aandrijft. Stuurhut. » Navigatiebrug. Stuurkompas. Kompas dat voornamelijk wordt gebruikt om het schip in een bepaalde koers te sturen, dit in tegenstelling tot het » peilkompas. Soms staat het stuurkompas zo opgesteld dat het ook als peilkompas kan worden gebruikt. Stuurkuip. Algemene benaming voor de kuip van waaruit een zeilboot wordt bestuurd. Zodra deze maar enigszins overdekt is spreekt men al van » cockpit. Stuurlast. De mate waarin het schip achter dieper steekt dan voor. Stuurlastig. » Heklastig. Stuurman. (1) Iemand die in een zeilboot de helmstok hanteert, in tegenstelling tot de » fokkenist. (2) Scheepsofficier die met de navigatie is belast. Hij of zij dient met goed gevolg bepaalde examens aan de zeevaartschool te hebben afgelegd. (Nogal verwarrend begrip, want toen ik voor het eerst ging varen en we vanaf de Nieuwe Waterweg de Noordzee opgingen, zei de stuurman tegen mij dat ik moest gaan sturen. Ik dacht dat het een geintje was, vergelijkbaar met de » postboei en de dichte gaatjespan, en antwoordde: `Ammehoela, jij bent toch zeker de stuurman?' Helaas, zo werkt dat niet aan boord.) Stuurpen. Ook: knecht. IJzeren nagel om het roer vast te zetten. Stuurplunger. Hydraulische plunjer van het stuursysteem. Stuursnelheid. Minimum snelheid door het water die men nodig heeft om het roer te kunnen sturen. Stuurstand. » Navigatiebrug. Stuurstok. Joystick, ook helmstokverlenger genoemd. Maakt het mogelijk dat een op het boord overhangende stuurman toch gemakkelijk de » helmstok kan hanteren. Stuurtalie. » Talie op de » helmstok om het sturen lichter te maken. Stuurtelegraaf. » Telegraaf.
![]() Stuurwiel. Stuurrad. Stuw. Ook: waterkering. Werk tot verhoging van de waterspiegel in een waterloop, waardoor in de vrije loop van het water wordt ingegrepen, ten behoeve van de voeding van kanalen en dergelijke. Stuwadoor. Deze zorgt in de haven voor de overslag en opslag van goederen. Men kent stukgoed-stuwadoors, multi-purpose-stuwadoors, massagoed-stuwadoors, containerstuwadoors en ro/ro-stuwadoors. Zie ook Stouwen. Suatiesluis. Uitwateringssluis. Sub (m). Onderzeeër. Subalterne officieren (m). Alle luitenanten-ter-zee (LTZ1 t/m LTZ3), alsmede majoor, kapitein, eerste luitenant en tweede luitenant der mariniers. Suction eddy (e). Erg gevaarlijke draaikolk, vaak voorkomend voor sluisdeuren. Suezkanaal. Op 17 november 1869 officieel in gebruik genomen waterweg in Egypte, die de Middellandse Zee verbindt met de Rode Zee. Is 161 kilometer lang, gemiddeld 60 meter breed en 13 meter diep. Door de hernieuwde aanleg van het kanaal door Ferdinand de Lesseps (de Egyptische farao's hadden er al eens een kanaal aangelegd), werd de zeeroute van Europa naar Azië duizenden kilometers bekort. Suil (v). Schepnet. Sullen (v). Bij licht weer met de » dwarskuil vissen. Sunbeam 23. Klein, eenvoudig polyester zeiljacht. L.O.A. 6,95 m., zeiloppervlak 25 m². Sunbeam 25. Sportief en comfortabel polyester zeiljacht, met slaapaccommodatie voor vijf personen. L.O.A. 7,40 m., zeiloppervlak 25 m². Sunbeam 27. Degelijk polyester toerzeiljacht, met slaapaccommodatie voor vijf personen. » Trailerbaar. L.O.A. 8,35 m., zeiloppervlak 29 m². Sunbeam 29. Trailerbaar polyester rondspant zeiljacht met vinkiel en vier vaste slaapplaatsen. Voert grootzeil, genua en fok. L.O.A. 8,95 m., breedte 2,50 m., zeiloppervlak 31 m². Sunbeam 30. Degelijk en comfortabel polyester toerzeiljacht. L.O.A. 9,10 m., zeiloppervlak 33 m². Sunbeam 34. Zeer compleet en comfortabel polyester toerzeiljacht. L.O.A. 10,55 m., zeiloppervlak 57 m². Sunbeam 36. Degelijk en luxueus polyester toerzeiljacht. L.O.A. 11,30 m., zeiloppervlak 68 m². Suncoast. Type motorzeiljacht. L.O.A. 12,80 m., zeiloppervlak 68,50 m². Sunda Kelapa-schip. Soort » pinisi. Sun Legende 41. Luxueus, met kevlar versterkt zeiljacht. L.O.A. 12,45 m., zeiloppervlak 88,10 m². Sunseeker Camargue 51. Polyester knikspant motorjacht met zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 14,95 m., breedte 4,40 m., diepgang 1,10 m. Sunseeker Manhattan 4». Polyester knikspant motorjacht met zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 14,02 m., breedte 4,40 m., diepgang 1,10 m. Sunseeker Portofino 400. Polyester knikspant motorjacht met zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 12,20 m., breedte 4,09 m., diepgang 1 m. Sun Shine 38. Snel, met kevlar versterkt wedstrijdzeiljacht. Zeer zeewaardig. L.O.A. 11,65 m., zeiloppervlak 72 m². Sun Way 21. Trailerbaar zeilbootje. L.O.A. 6,30 m., breedte 2,49 m., zeiloppervlak 23 m². Supercarga. (1) Zo werd vroeger de agent van de reder aan boord van een koopvaardijschip genoemd. (2) Iemand die op een gecharterd schip door de huurder wordt belast met de zorg voor de lading. Surf (e). Lange, rollende golf. Surfen. (1) Ook: surfriding. Zich met hoge snelheid op een surfplank op de golven van de branding naar het strand laten glijden. (2) Windsurfen, plankzeilen. Toen kapitein James Cook in 1778 in Oceanië arriveerde, trof hij daar al surfers aan. Hun boards waren gemaakt van hardhout en zo'n 70 kilo zwaar. De eerste officiële surfwedstrijden werden in 1907 georganiseerd in Waikiki, Hawaii. Surfkleding. Neopreenpak dat het lichaam tegen te grote afkoeling beschermt. Surfknobbel (s). Knobbel op de wreef of de knie, vergelijkbaar met de tennisarm, de voetbalknie, het zwemmerseczeem en de wiskundeknobbel. Surfplank (s). Ook: board. (1) Zeilplank, die dank zij de geringe water- en luchtweerstand in principe wendbaarder is dan een » speedboat en » zeewaardiger dan een oceaanjacht. Een surfplank valt volgens het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) onder `kleine open schepen'. (2) Plank zonder zeil. Zie Surfen (1). Surfriding (e) (s). Zie Surfen (1). Survivalpak. Reddingspak. Zie Cold shock. SVBSNW. Radiotelefonieterm. Scheepvaart
Verkeers Begeleiding Systeem Nieuwe Waterweg.
Swabby (e) (m). Zwabbergast; matroos. Swallow. Tweepersoons kielboot. L.O.A. 7,80 m., zeiloppervlak 18,60 m². Swallowtail (e) (s). Zwaluwstaartvormige spiegel. Swamp (e). Volslaan, vollopen
met water.
![]() Swan fan Makkum. Grootste varende traditionele zeilschip van Nederland. Deze prachtige » brigantijn heeft een lengte van 61 meter, een breedte van 9,20 m. en een zeiloppervlak van 1300 m². De diepgang is 3,54 m. en de masthoogte boven de waterlijn is 44,60 m. De maximumsnelheid van de Swan onder zeil is 15 knopen. Werd tijdens SAIL'95 samen met andere traditionele Nederlandse zeilschepen weggestopt in de Coenhaven. Schande! De Swan fan Makkum is in februari 2006 naar Italië verkocht en herdoopt in Nave Italia. Onder die naam zal ze blijven deelnemen aan de Tall Ships Race. Haar eerste optreden als Nave Italia was in 2007, in de Middellandse Zee. Ze wordt thans gezamenlijk beheerd door de Italiaanse marine en Yacht Club Italiano te Genua. Sweden Yacht 36. Snel polyester zeiljacht, met slaapaccommodatie voor tien personen. L.O.A. 11 m., zeiloppervlak 80 m². Sweden Yacht 38. Modern en snel polyester wedstrijdzeiljacht, zeer geschikt voor langer verblijf op zee. L.O.A. 11,80 m., zeiloppervlak 90 m². Sweden Yacht 41. Mooi afgewerkt en ruim polyester zeiljacht, met slaapaccommodatie voor tien personen. L.O.A. 12,50 m., zeiloppervlak 102 m². Sweden Yacht 340. Polyester zeiljacht, versterkt met fiberglas. L.O.A. 10,40 m., zeiloppervlak 72 m². Sweden Yacht 370. Polyester zeiljacht met zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 11,15 m., breedte 3,68 m., zeiloppervlak 75 m². Sweeper (e) (k). Veger; vlak boven stromend water hangende versperring, meestal een boom, die vaarders en/of kano's vast kan houden. SWH (n). Schijnbare windhoek. SWS (n). Schijnbare windsnelheid. SY. (1) Afkorting van Steam Yacht. (2) Afkorting van Sailing Yacht. Synergy Racing Syndicate. Zeilteam van Roy Heiner, waarmee hij de Whitbread Round the World Race wilde winnen en in 1999 wilde deelnemen aan de » America's Cup in Auckland, Nieuw Zeeland. Daartoe werd er in Nederland een hoogwaardig en kostbaar zeiljacht ontwikkeld, onder andere door de TU Delft, in samenwerking met Fokker, DSM en AKZO-Nobel. Synodische getijden. » Getijden
waarin de twee weken durende cyclus van springtij en doodtij overheersen.
Op de Noordzee is sprake van synodische getijden. Zie ook Declinatische
getijden en Anomalistische getijden.
|
A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z . . Email: jackvanderwyk@yahoo.co.uk