Jaap van der Wijk
Dit was in 1996, toen het boek werd gepubliceerd
.
En dit is de auteur in 2011, vijftien jaar later
.
DE TAAL VAN HET WATER
interactieve encyclopedie van de watersport, visserij, koopvaardij, marine en bruine vloot
.
Een die sijn zeyl te hooge stelt,
Wert lichtlick van den wint gevelt.
Vader Cats
Meer lexicografisch en informatief werk van Jaap van der Wijk?
Click hier!
.
Het interactief blog van de Taal van het Water
Voor vragen, aanvullingen, opmerkingen, etc.
.
.
Nu ook op Facebook!
.

A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z
 
W  

W. » Uitwateringslijn voor zout water in de winter. Zie ook afb. 50.  

Waadbroek. Ook: waadpak. Waterdichte broek met rubberlaarzen en een borststuk, gebruikt bij het waden door betrekkelijk diep water. Totaal uitverkocht vlak voor, tijdens en direct na de watersnood van 1995.  

Waaierlog. » Impellerlog 

Waakboot. » Waker (4).  

Waal. (1) Diepe waterkolk, door een dijkbreuk ontstaan. (2) Met palen omgeven ruimte waarbinnen schepen in een zeehaven veilig kunnen liggen. (3) Platbodemd binnenvaartuig met rechte wanden, dat op de Belgische bovenrivieren en kanalen wordt gebruikt.  

Waarnemen. Een tros of » landvast aanpakken, bijvoorbeeld door iemand aan de wal of op een ander schip. `Wil je even waarnemen?'  

Waarloos. Al wat als reservemateriaal is ingescheept en niet in gebruik is.  

Waarloosboeganker. Reserveanker.  

Waarloos touwwerk. Nieuw reservetouwwerk.  

Waarschip. Type kieljacht. L.O.A. 5,80 m.  

Waarschip 28'LD. Zeiljacht van Bruynzeel watervast hechthout, met goede zeileigenschappen en slaapaccommodatie voor 4 personen. L.O.A. 8.90 m., zeiloppervlak 63,70 m² (zonder spinnaker).  

Waarschip 660. Elegant maar oerdegelijk hechthouten zeiljachtje. L.O.A. 6,60 m., zeiloppervlak 12,30 m².  

Waarschip 740. Stabiel hechthouten zeiljacht, ideaal voor de zelfbouwer. L.O.A. 7,40 m., zeiloppervlak 12,70 m².  

Waarschip 900 plus. Ruim en stabiel hechthouten zeiljacht, ideaal voor de zelfbouwer. Zeewaardig, hetgeen blijkt uit de vele Waarschepen die men buitengaats aantreft. L.O.A. 10,13 m.  

Waarschip 1220. Ruim en stabiel hechthouten zeiljacht, zeer geschikt langere zeereizen. L.O.A. 12,65 m.  

Waarschip kwarttonner. Type kieljacht. L.O.A. 7,25 m., zeiloppervlak 25,70 m².  

Waarschuwingssein (w). Het eerste van de drie seinen die bij de start van een wedstrijd worden gegeven. Het bestaat uit het hijsen of breken van de klassevlag, of het tonen van een wit voorwerp of een ander duidelijk teken.  

Wacht. De tijdsindeling aan boord van een schip. Ook: de indeling van bemanning in groepjes die achtereenvolgens het werk aan boord verrichten. Er zijn zes wachten van elk vier uur (acht glazen), te beginnen met twaalf uur 's nachts: » hondewacht, » dagwacht, » voormiddag, » achtermiddag, » platvoet en » eerste wacht. Zie ook Aflossing van de wacht, Ankerwacht, Chef van de wacht, Zes op, zes af, Zicht en Zweedse wacht 

Wachtglas. Zandloper van een half uur.  

Wachtschip. (1) Doorgaans een afgekeurd oorlogsschip dat bij een haven, riviermonding of zeegang de wacht houdt. (2) Moeder. `Het oude wachtschip zat nog op toen ik thuiskwam.'  

Wacht te kooi. (1) Vrij zijn; geen » wacht hebben. (2) Naam van een blad voor zeevarenden.  

Wad, waddengebied. » Getijvlakte 

Waddenzee. Ondiepe, bij eb deels droogvallende binnenzee tussen Den Helder en Esbjerg, van de Noordzee afgescheiden door de Nederlandse, Duitse en Deense Waddeneilanden. Het kan er behoorlijk spoken.  

Wadder. Type kieljacht. L.O.A. 8,05 m., zeiloppervlak 30 m².  

Wad- en Sontvaarder. Ook: Beltvaarder. Kustvaarder bedoeld voor de vaart in niet al te diep water, zo dicht mogelijk onder de kust.  

WAD GPS. Wide Area Differential Global Positioning System. Zie ook DGPS en GPS 

Waft (e). » Vlag in sjouw 

Wagenbrugger. » Hagenaar die de Wagenbrug in Den Haag kon passeren. Meestal 22 meter lang en 4,18 m. breed, met een laadvermogen van 80 tot 100 ton.  

Wahine (e) (s). Surfster. Het woord komt uit het Polynesisch en de oorspronkelijke betekenis is `vrouw' of `strandpoppetje'.  

Wah Yeung. Britse stoomboot die op 15 november 1887 op volle zee in de brand vloog. 400 opvarenden kwamen daarbij om.  

Wake (e). Zog, kielzog.  

't Wakend Oog. Bevindt zich te West-Terschelling, bij de haven. Daar zitten de echte oude Terschellingers, op het wachthuisbankje. Boven hen, op de steen van het wakend oog, staat de volgende inscriptie:  

Ik ben het wakend oog,
mijn blik blijft rustig staren,
gericht steeds over zee
let ik op de gevaren.
En al wordt onder mij
van ouds af veel gelogen,
aan hulp of redding ook
vindt men zich niet bedrogen.
  
  
  
  

Waker. (1) Ook: Spaanse waker. Windwijzer op een masttop. (2) Klos die moet verhinderen dat een sluisdeur te ver opengaat. (3) » Wakerdijk. (4) Naam van de bergingssleepboot die vanaf half juli 1995 permanent paraat ligt in Den Helder voor eventuele calamiteiten voor de Nederlandse kust. De stationering vindt plaats in opdracht van het ministerie van Verkeer en Waterstaat en het schip is ter beschikking gesteld door een samenwerkingsverband van de bergingsbedrijven Wijsmuller, Smit Tak en ITC.  

Wakerdijk. Dijk die onmiddellijk aan het water grenst, in tegenstelling tot slaperdijk.  

Waladres. Adres van een zeeman aan de wal. Meestal bij familie.  

Walegang. Langsscheepse gang onder het hoofddek.  

Walende naald. Zie Kompasnaald 

Walgage. Gage die een schepeling ontvangt in de tijd van zijn dienstbetrekking dat hij niet aan boord is.  

Walkapitein. Persoon die zicht houdt op het kadebedrijf van een rederij, een werf of een havenonderdeel, vaak een voormalige zeekapitein.  

Walmachinist. Inspecteur van de machines en hoofd van het technisch personeel in dienst van een rederij.  

Walrusklasse (m). Oude benaming van de » Zeeleeuwklasse 

Wals. Een ronddraaiende, aan de stroming tegengestelde beweging van het water.  

Walschijter. Landrot.  

Walschipper. » Walkapitein van de visserij of de binnenvaart.  

Walshuid. Ook wel blauwe laag, hamerslag of plet genoemd. Komt tijdens het walsen van het ijzer als een huid op de plaat te liggen. Wanneer de walshuid niet wordt verwijderd, laat zij na verloop van tijd los, samen met het onderliggende roest en de opgebrachte verflagen.  

Walstations. Steunzenders van Scheveningen Radio. Welk » werkkanaal het best kan worden gebruikt hangt ervan af bij welk walstation men het dichtst in de buurt is.  

Waltzing (e)(k). Techniek om de rivier zijwaarts over te steken.  

Walvisvaarders. (1) Vissers die zich bezighouden met de walvisvaart. (2) Schepen die worden gebruikt voor de walvisvaart. Aanvankelijk, toen de walvissen zich nog dicht bij de kusten waagden, waren de werden er kleine schepen voor de walvisvaart gebruikt en duurden de reizen slechts enkele weken. Op het hoogtepunt van de walvisvangst, van 1835 tot 18»5, duurde de gemiddelde reis 30 maanden. De langste reis, die van de Nile uit New London (V.S.), duurde elf jaar (1858-18»9). Het eiland South Georgia is een waar walvisvaarderskerkhof. Overal vindt men verlaten huizen en werkplaatsen, half gezonken scheepswrakken en graven van omgekomen walvisvaarders, uit alle delen van de wereld.  

Walvisvaart. Bedrijfstak die zich richt op het vangen van walvissen. Tegen het eind van de 1»e eeuw werd deze vaart vrijwel geheel beheerst door de Engelsen en de Nederlanders. Sinds 1945 hebben steeds meer landen zich uit de walvisvaart teruggetrokken, en momenteel vinden vooral de Japanners, de Russen en de Noren dat het geoorloofd moet zijn om deze prachtige zoogdieren te doden. De Noren zijn in 1994 weer begonnen met het vangen van dwergvinvissen.  

Walvissloep (m). Sloep van een oorlogsschip. Werd bemand met vijf roeiers en een stuurman.  

Wang. Elk der twee zijkanten van een » blok 

Wannigan (e). Indiaanse benaming voor kist waarin tijdens een kanotocht voedsel wordt meegenomen.  

Want. (1) Alle kabels en touwen gebruikt voor het steunen en bedienen van mast en zeilen. Zie Staand want. (2) De kabels die de mast in dwarsscheepse richting steunen. (3) (v) Vistuig. Algemeen: daar waarmee gevist wordt, het viswant. Zie Gaand want 

Wantdreggetje (v). Dreggetje voor het opvissen van gebroken » hoekwant 

Wantij. Smal gebied in zee of in een zeearm waar wel sprake is van hoog- en laagwater, maar waar vrijwel geen eb- en vloedstromingen voorkomen, omdat meerdere vloedstromen elkaar daar ontmoeten. Dit verschijnsel komt onder andere op de » Waddenzee voor.  

Wantputting. Ook: putting. Een metalen strip, met bouten of op een andere solide wijze aan de romp bevestigd, waaraan de onderkant van een want of stag kan worden vastgemaakt. Zie ook Staand want 

Wantschroef. » Spanner 

Wantslag. Touw geslagen uit strengen van een groot aantal garens.  

Wantspanner. » Spanner 

Wapens aan boord. Krachtens artikel 1 van de Beschikking van de minister van Justitie van 14 juni 1960 wordt vrijgelaten de in-, uit- en doorvoer van vuurwapens met de daarbij behorende munitie aanwezig aan boord van Nederlandse zee- of binnenschepen: a. behorende tot de uitrusting van het vaartuig; b. ten behoeve van de bewapening van de gezagvoerder/schipper, scheepsofficieren en verdere bemanningsleden. Gedurende het verblijf in Nederland moeten deze vuurwapens en munitie aan boord van het vaartuig onder douaneverzegeling opgeborgen blijven. Zie ook Zegelkast 

Waratah. Britse stoomboot die op 1 augustus 1909, onderweg van Sydney naar Londen, spoorloos verdween. Er bevonden zich 300 personen aan boord.  

Ware koers (WK) (n). De hoek tussen de langsscheepse as (kiellijn) van een varende boot en de ware noord-zuidlijn. Ware koers = » kompaskoers + » deviatie + » variatie 

Ware wind. De windrichting die men waarneemt op een stil liggend vaartuig of op een vast punt aan de wal. Zie ook Schijnbare wind 

Waring. » Langswaring 

Wartel. Draaibare schalm.  

Wash (e). Golfslag veroorzaakt door schip.  

Washington. De eerste stoompostboot die in 184» van Amerika naar Europa voer, en tot verrassing van de Amerikaanse bevolking terugkeerde met een stroom immigranten.  

Wassen. Stijgen van het water. `Het wassende water.'  

Water. Vloeibare fase van de verbinding diwaterstofoxide (H²O).  

Waterbalk. » Waterlijst (1).  

Waterboot. Boot die drinkwater levert aan schepen die in de haven of op de ree liggen.  

Waterbouwkunde. Kennis van en leer omtrent het ontwerpen en aanleggen van werken die dienen om waterstromen of de zee binnen vooraf aangewezen grenzen te beperken of te leiden, met name van dijken, zeeweringen, sluizen en dergelijke.  

Watercamper. Soort varende camper, met zeer stevige stootrand, voor de binnenwateren. Vooral gebruikt door de verhuurbranche.  

Water- en windgang. Het grensvlak van water en lucht op de huid van een schip. Dit gedeelte is het meest aan corrosie onderhevig.  

Watergenerator. Apparaat dat tijdens het zeilen stroom opwekt, waardoor de accu kan worden opgeladen. Sommige watergeneratoren kunnen tijdens het stilliggen ook als » windgenerator worden gebruikt.  

Watergeuzen. Vrijbuiters die zich tijdens de Tachtigjarige Oorlog in leven hielden door kaapvaart op de Noordzee.  

Waterkampioen, De - . Tegenwoordig een tweewekelijks blad van de ANWB, vroeger: `Wekelijksch orgaan van de afdeeling watertoerisme van den A.N.W.B., toeristenbond voor Nederland, de Koninklijke verbonden Nederlandsche watersport-vereenigingen en den Nederlandsche Bond van kano-vereenigingen.' Zie ook Hollandsche jongens 

Waterlijn. Grens tussen het gedeelte onder water en dat erboven als de boot rechtop ligt.  

Waterlijst. (1) Ook: waterbalk. Dwarsscheepse balk op het voordek van open vissersschepen, die dient om te voorkomen dat overkomend water in de kuip vloeit. (2) Uitholling voor de afvoer van water.  

Waterloop. Openingen in of onder » spanten en » wrangen, waardoor ruimwater naar het diepste punt van de romp kan lopen.  

Waterloopkundig Laboratorium (WL). Gevestigd te Delft. In de vestiging te De Voorst in de Noordoostpolder werden jarenlang waterbouwkundige hoogstandjes verricht, door op schaal delen van waterlopen na te bouwen. De ontwikkeling van de computertechnologie heeft er echter voor gezorgd dat de behoefte aan klassieke schaalmodellen is afgenomen.  

Waterloosventiel. Drukknop aan de voorzijde van de » tweede trap, die in verbinding staat met het membraam, waardoor de duiker extra lucht kan toevoeren en overtollig water uit het mondstuk kan verwijderen.  

Water maken. Een schip `maakt' water als het lek is en er water naar binnen loopt.  

Waterschap. Publiekrechtelijk lichaam ter behartiging van de waterstaatsbelangen in een bepaald gebied.  

Waterscheidingsfilter. Filter om water uit de brandstof te verwijderen.  

Waterschip. (1) Vissersschip uit de 17e eeuw dat ook wel dienst deed als sleepboot. (2) Vissersschip voor de  

binnenwateren.  

Waterschout. Rijksambtenaar die onder andere de » monsterrol controleert.  

Waterski. Elk van de twee ski's die worden gebruikt voor het waterskiën. Doorgaans gemaakt van versterkt fiberglas, plastic of hout. De maten variëren nogal, maar bedragen gemiddeld 1,75 m. bij 15 cm.  

Waterskiën. Het zich met behulp van speciale ski's achter een snelle motorboot laten voortglijden op het water. Daarbij worden vaak spectaculaire toeren uitgehaald, al dan niet met behulp van springschansen. Zie ook Crack-the-whip 

Watersnoodramp. De meeste bekende watersnoodramp vond plaats op 1 februari 1953, waarbij Zeeland, Zuid-Holland, maar ook delen van Engeland, Frankrijk en België werden getroffen. Als gevolg van extreem hoge waterstanden braken in Zeeland de dijken op meer dan vierhonderd plaatsen door. In Nederland kwamen door de ramp in totaal 1835 mensen om. De totale schade bedroeg 895 miljoen gulden. Dientengevolge mogen wij bij mindere rampen slechts van wateroverlast spreken. Een van de grootste watersnoodrampen vond echter plaats in 1421, toen meer dan zeventig Nederlandse steden en dorpen werden verrast door het Zuiderzeewater. Meer dan honderdduizend mensen kwamen daarbij om en duizenden vierkante kilometers land kwamen onder water te staan. Zie ook Stormvloed en Zuiderzeedijk 

Waterspiegel. Het wateroppervlak.  

Watersport. Verzamelnaam van door honderdduizenden Nederlanders beoefende sporten, zoals duiken, waterskiën, roeien, zeilen en surfen. Ook de meer recreatieve bezigheden als motorbootvaren vallen hieronder.  

Waterstaat. De regeringsdienst en de daartoe behorende ambtenaren belast met de zorg over en het beheer van de waterstand, de waterlopen en alle werken die deze leiden en beteugelen, alsook met de zorg over de naleving der wetten en verordeningen die daarop betrekking hebben.  

Waterstag. Stag van de top van de » boegspriet of kluiverboom naar de voorsteven. Zie afb. 52.  

Waterstart (s). Manier van starten waarbij de surfer zich door het zeil uit het water laat trekken. Hiervoor is minimaal windkracht 3 à 4 nodig.  

Waterval. Hoogteverschil in rivierbodem; plaats in een rivier waar het water in plaats van gewoon te stromen in verticale richting neerstort.  

Waterverplaatsing. Het gewicht van de hoeveelheid water die door een drijvend vaartuig wordt verplaatst. Het is gelijk aan het gewicht van het vaartuig en alles wat het bevat.  

Waterzeil. Driehoekig zeil, dat men bij stil weer aan de zijden van het schip onder de benedenste bijzeilen bevestigt en dat vissers bij wedstrijden soms onder de bezaanstutter hingen.  

Wauquiez 41S. Polyester rondspant zeiljacht met zes tot acht vaste slaapplaatsen. L.O.A. 13,06 m., breedte 5,09 m., zeiloppervlak 107 m².  

Wauquiez Centurion 61S. Polyester rondspant zeiljacht met zes tot acht vaste slaapplaatsen. L.O.A. 18,75 m., breedte 5,05 m., zeiloppervlak 196 m².  

Wax (s). Antislipmateriaal dat op een te glad dekoppervlak kan worden gesmeerd.  

Waybill (e). Passagierslijst.  

Waypoint (e) (n). Koerswendingspunt. Ook: routemarkeringspunt. Deel van een elektronisch navigatiesysteem (» GPS, Decca, Loran) dat samenwerkt met » XTE, waarbij het eindpunt van een te bevaren lijn moet worden opgegeven in lengte- en breedtegraden. De knikpunten, dat wil zeggen de punten waar de rechte lijn eindigt en een nieuwe rechte lijn begint, zijn de waypoints.  

Weatherly (e). » Loefgierig 

Weco 685 Classic. Trailerbare polyester rondspant motorsloep. L.O.A. 7,20 m., breedte 2,40 m., diepgang 0,60 m.  

Wed (v). Naad tussen » boven- en » onderzijd van een » kuil 

Wedden (v). » Boven- en » onderzijd van een » kuilnet aan elkaar steken.  

Weddraden (v). Versterkingsdraden in de » wed van een » kuil 

Wedmask (v). Maas langs de zijkant van boven- of onderzijde van een kuilnet, waaraan de kuil gewed wordt.  

Wedstrijdvlaggen (w). Bij zeilwedstrijden worden instructies verstrekt door middel van de gewone signaalvlaggen (zie ook Vlaggenalfabet). De letter L betekent bijvoorbeeld dat men binnen praaiafstand moet komen en de letter N betekent dat de wedstrijd is afgebroken.  

Wedstrijdzeil (s). Regattazeil. Heeft een bol » achterlijk en meet 5,» tot »,8 vierkante meter.  

Weeflijnen. Geteerde touwen die tussen de hoofdtouwen worden geweven en de sporten vormen voor de ladders waarlangs de mast wordt geënterd. Zie ook Enteren 

Weegboom. Vaarboom waarmee een boerenschouw vanaf de wal wordt voortgeduwd. Zie ook Kloeten en Wegen 

Weerbericht. Zie Walstations 

Weerfax. Faxapparaat voor het ontvangen van weerkaarten.  

Weergebieden. Gebieden zoals zij zijn ingedeeld door meteorologische instituten. Scheveningen Radio hanteert de volgende weergebieden: Vlissingen, Hoek van Holland, IJmuiden, Texel, Rottum en IJsselmeer. Luistert men naar de BBC dan zijn voor het Nederlands gedeelte van de Noordzee vooral de Britse weergebieden German Bight, Humber en Thames van belang.  

Wegbrengen. Als een schip wordt `weggebracht' is het de bedoeling dat het tot zinken wordt gebracht, meestal om het geld van de verzekering te kunnen opstrijken.  

Wegen. Voortduwen van een boerenschouw door middel van een » weegboom, waarbij de duwende man naast de schouw op de wal loopt.  

Weger. Lat of balk in de langsrichting aan de binnenzijde tegen de huid bevestigd.  

Wegering. (1) Al de overlangse planken waarmee een schip van binnen is bekleed. (2) (v) Plank in een grote Volendammer » botter boven langs de » poten van de deken 

Wegeringetje (v). In een grote Volendammer » botter een plank onderlangs de » inhouten van het achterschip.  

Wegerij. Contragewicht op de mastvoet als tegenwicht voor de strijkende mast.  

Wegwerpwant (v). » Hoekwant voor eenmalig gebruik.  

Wegzetten. Van de koers raken door de werking van stroom en/of wind. `We zijn een mijltje of wat weggezet.'  

Weight belt (e). » Loodgordel. Gordel verzwaard met broodjes (pockets) lood, die door duikers wordt gebruikt om de opwaartse druk van het lichaam te verminderen.  

Weik (v). Weke, zachte grond.  

Weik op 't hard (v). Dun laagje slib op de harde zandgrond.  

Weir (e). Waterkering, stuw.  

Welling. (1) » Berghout. (2) Vlot krijgen. `We moeten eerst maar zien dat schip uit de welling te krijgen.'  

Welving. (1) De kromming van het dek van het ene boord naar het andere. (2) De kromming van het oppervlak van een zeil.  

Wenden. » Overstag gaan.  

Wenden met (verlies van) anker. » Overstag gaan in noodsituatie, waarbij het anker wordt gebruikt.  

Wenden op kort bestek. Manoeuvre waarbij men het schip op een zo beperkt mogelijke ruimte laat ronddraaien, door de schroef afwisselend voor- en achteruit te laten slaan.  

Wereldzee. Benaming van alle zeeën en oceanen, die samen driekwart van het aardoppervlak bedekken.  
  
  

De werf van Royal Huisman Shipyard bv te Vollenhove

Werf. Scheepswerf of jachtwerf. Ruimte en werkplaats waar schepen en jachten kunnen worden gebouwd of hersteld.  
. 
Werfrat. Persoon op zoek naar verlaten schepen op een werf, om waardevol materiaal te kunnen stelen. 
. 
Werk. Geplozen touwwerk, dienende om te » breeuwen. `Bruin werk' is geteerd, `wit werk' is ongeteerd touwwerk.  

Werkkanaal (Radiotelefonieterm). In principe elk kanaal dat bestemd is voor normaal openbaar schip-walverkeer, dus niet voor noodverkeer of » schip-schipverkeer. Zie ook Walstations 

Werpanker. Klein anker dat met de hand bediend kan worden.  

Werpankersteek. » Visserssteek 

Werplijn. Lange, dunne lijn met aan het uiteinde een » apevuistje. Dient om grotere afstanden te overbruggen. Het andere eind wordt aan het oog van een zware tros geknoopt, die naar de wal of een sleepboot kan worden gehaald zodra iemand daar de werplijn heeft gevangen.  

Werplijnknoop. » Apevuistje 

Werrie. Niet te verwarren met » wherry. Vijfenhalf meter lange roeiboot met tweepersoons bank met rugleuning, die zo rond 1880 werd gebruikt voor romantische tochtjes, bijvoorbeeld op de Amstel of de Vecht.  

Wervel. Draaibaar staafje met twee ogen, aan het eind van de » giek, dat ter bevestiging dient van » schoot en kraanlijn.  

Westaustralische stroom. Dit deel van de » Westenwinddrift buigt zich ten zuidwesten van Australië om de noord en stroomt langs de westkust van Australië naar het noorden.  

Westenwinddrift. Deel van de » Zuidequatoriaalstroom, die samen met de » Braziliëstroom de Zuidatlantische Oceaan oversteekt. De Westenwinddrift is een driftstroom en veroorzaakt overheersende westenwinden. Voordat de stroom de lengte van Kaap de Goede Hoop bereikt, splitst zij zich. Zie ook Benguelastroom 

Westergang (m). Vroeger was dit de omloop van de achtersteven van een oorlogsschip, die ter beschikking stond van de commandant.  

Westerly Regatta 370. Modern zeiljacht met vier vaste slaapplaatsen. L.O.A. 11,38 m., breedte 3,76 m., zeiloppervlak 80 m².  

Westerschelde. Belangrijke doorvaartroute naar Antwerpen.  

Westerschelde Oeververbinding. » WOV 

West-Groenlandstroom. Komt voort uit de Irminger stroom, een zijtak van de Noordatlantische stroom, die zich verenigt met de Oost-Groenlandstroom. Deze volgt de oostkust van Groenland en buigt bij Cap Farvel om de noord, om als West-Groenlandstroom Straat Davis in te stromen en bij de Baffinbaai linksom te buigen. Zie ook Labradorstroom 
. 

Westhinder 48 Loodskotter. Gebouwd door Mekon Shipyard Lemmer. L.O.A. 14,90 m., breedte 4,00 m., stahoogte 1,90 m. Acht slaapplaatsen, motor 95 pk. Grootzeil 60m², fok 30m², topzeil 13,5m², kluiver 24m².  
. 
Westlander. Smalle » praam met strijkbare mast en ronde kimmen. Heeft voor en achter een klapmuts, geen gangboorden en achter het ruim een fraai roefje. Het tuig bestaat uit een grootzeil en een fok.  

Westwal. De Noordhollandse Zuiderzeekust tussen Hoorn en de Gouwzee.  

Wet (v). » Wed 

Wetboek van Koophandel. Zie Hulpverlening 

Wetgeving. Nederland zou Nederland niet zijn wanneer niet ook de wetgeving met betrekking tot de zeevaart en de watersport tot in alle details zou zijn geregeld. Zo kennen wij bijvoorbeeld de Stuwadoorswet, de Schepenwetgeving, het Schepenbesluit, de Marine-Scheepsongevallenwet, de Binnenvaartrampenwet, de Rijkswet Noodvoorzieningen Scheepvaart, de Vaarplichtwet, de Havennoodwet, de Waterstaatswet, de Rivierenwet, de Verenwet, de Wrakkenwet, de Deltawet, de Wet op Woonwagens en Woonschepen, de Visserijwet, het Koninklijk Besluit Overlijden op Zee, de Aanvaringswetten, de Caissonwet, de Wet Goederenvervoer Binnenscheepvaart, de In- en Uitvoerwet, de Loodswet, de Wet op de Zeevaartdiploma's, de Wet op de Zeevisvaartdiploma's, en ga zo maar door. Wat wil je in een land waar sinds 1937 zelfs een Bloembollenziektenwet is.  

Wetsuit (e). Een soort rubberpak met een thermo-isolerende werking. Tussen het rubber en de huid blijft een dunne laag water zitten, waardoor de huid op temperatuur blijft. In feite dient een wetsuit niet om de watersporter te beschermen tegen kou van buitenaf, maar tegen warmteverlies van het eigen lichaam. Bij schipbreuk wordt de overlevingstijd in het water met meer dan 300% verlengd. Zie ook Drysuit en Onderkoeling 

Wet Vaartijden en Bemanningssterkte. Voor de charter-passagiersvaart betekent deze wet van 1 januari 1995 het volgende: zeilende passagiersschepen met meewerkende passagiers moeten een bemanning hebben van een gediplomeerde schipper en één » maat van ten minste 18 jaar. Op de Rijn, de Lek en de Waal moeten naast de schipper twee maten aan boord zijn. Een schip mag niet langer varen dan 14 uur per dag, noch tussen 22.00 uur en 06.00 uur, tenzij voldoende rusttijd voor en na het varen mogelijk is. De werkelijk gevaren tijden en routes moeten worden geregistreerd in het vaartijdenboek of het logboek van de » BBZ. Met twee gediplomeerde schippers aan boord mag men 20 uur doorvaren, met drie gediplomeerde schippers continu.  

Wet van Archimedes. Zie Archimedes 

Wet van Calimero. `Ik is klein en hij is groot.' Van toepassing bij het » uitwijken. Als schipper op een jacht kun je beter het zekere voor het onzekere nemen en uitwijken voor een groot beroepsvaartuig, zelfs wanneer je formeel » voorrang hebt. Minder oplettende zeelieden op de brug zijn zeker geen zeldzaamheid. Zie ook Tegen elkaar insturen 

Wet van Deal. (1) De windsterkte is omgekeerd evenredig aan de ervaring van en het aantal mensen dat je mee aan boord neemt. (2) Wat voor bries er ook staat bij het uitvaren, als je op het verste punt van de tocht bent, valt de wind weg.  

Wet van de meteorologie. De windsnelheid neemt recht evenredig toe met de kostbaarheid van het kapsel.  

Wet van Murphy. Anything that can go wrong, will go wrong, at the worst possible moment. (Alles wat fout kan gaan, zál ook fout gaan, op het moment dat het jou het slechtst uitkomt.) Nota bene: Murphy was een optimist. Zie ook Voorzorgsmaatregelen 

Wet van Van der Wijk. Als het kalfje dronken is, flikkert het in de put. Zie ook Alcoholgebruik 

Wever 40. Aluminium rondspant zeiljacht met zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 12 m., breedte 4,04 m., zeiloppervlak 93,10 m².  

WF. N.V. Dok en Werf Maatschappij Wilton-Feyenoord.  

Whaleback (e). Schip met walvisdek.  

Whaleboot. Lange, smalle roei- en zeilsloep met voor en achter een spitse steven.  

Wherry. (1) Lichte roeiboot waarin ieder van de twee roeiers met elke hand een riem hanteert. Zie ook Scheehouten wherry. (2) Engels zeilend vrachtschip met grote, zwarte gaffelzeilen (± 130 m²). Het schip is doorgaans prachtig geschilderd, in diverse kleuren, net als de » narrowboats. De kiel, die een halve meter diep steekt en tien meter lang is, is afneembaar, zodat ook zeer ondiepe plaatsen bereikt kunnen worden. De kiel wordt dan in het water achtergelaten, en op de terugweg weer opgepikt.  

Whiff (e) (r). Lichte roeiboot.  

Whitbread Round the World Race (w). Ook: Whitbread. De langste zeilwedstrijd om de wereld, waarbij etappeplaatsen worden aangedaan. Wordt eens per vier jaar gehouden.  

White water (e). Wildwater; turbulent water met veel lucht erin, dat daardoor minder opwaarts vermogen heeft.  
. 
Wibo. Een klasse van stalen zeiljachten, variërend in lengte van 6 tot 13 meter. Het zijn ruime jachten, meestal met een multi-knikspant romp uit 3-4 mm staal, soms verzinkt ter voorkoming van roest. Tussen 1968 en 1987 werden verschillende type's gebouwd. Het oorspronkelijke lijnenplan van de Wibo werd getekend door Bouw van Wijk; latere versies zijn van de hand van scheepsontwerper E.G. van de Stadt.  
De Wibo-serie werd gebouwd door de Woubrugse Jachtwerf G. van Wijk en Zoon en was een van de eerste seriematig gebouwde stalen kajuitzeiljachten. Totaal zijn er circa 2200 Wibo-zeiljachten gebouwd. 
. 

Wibo 990. Stabiel en sierlijk stalen zeiljacht. L.O.A. 10,10 m., zeiloppervlak 47 m².  

WIC. Westindische Compagnie, in 1621 opgericht door de Staten-Generaal. De eerste WIC werd in 1674 ontbonden in verband met financiële problemen. De tweede WIC stortte in 1795 in, ten gevolge van de Franse invasie van de Nederlanden. Een volgende WIC, die in 1828 werd opgericht, was eveneens een complete mislukking.  

Wichie (v). Ook: wicht. Honderd pond (aal of bot).  

Wier. (1) Zeegras. (2) » Alg 

Wierbaas (v). Losgeslagen wier dat in het viswant komt.  

Wieringer aak. Breed, zwaar schip, voor de visserij in ondiepe wateren, zoals het wad. Op Wieringen is nog nooit een Wieringer aak gebouwd; dat gebeurde in Makkum, Workum en Hindelopen.  

Wieringer bol. Ook: aalbootje. Door Enkhuizer vissers gebruikt voor de haring- en ansjovisvangst. Zeer zeewaardig, klein rondspantschip, waarmee vooral bij Wieringen, Hindelopen en Harlingen werd gevist.  

Wiermaaien. » Wier (1) werd vroeger gebruikt als matrasvulling, en door het wier aan boord te halen en het te laten drogen, hadden de vissers van Wieringen een extra bron van inkomsten.  

Wijde beug (v). » Beug (1) waarbij de sneuen 3,20 m. uit elkaar staan. Wordt gebruikt voor de kabeljauwvangst.  

Wil. » Stootwil 

Wilco (m). Ik heb uw bericht ontvangen, begrepen en zal het uitvoeren.  

Wilde vaart. (1) Ook: trampvaart. Ongeregelde vaart, waarbij allerlei vracht voor iedere opdrachtgever naar elke willekeurige haven wordt vervoerd. De schepelingen van de wilde vaart leiden daardoor een zeer wisselvallig bestaan. De wilde vaart is nog steeds springlevend. In juli 2011 vestigde de Russische scheepvaartgigant Fesco zich in Breda, tussen Rotterdam en Antwerpen, om deze tak van scheppvaart van daaruit beter te kunnen aansturen.(2) De prostitutie.  

Wildschieter. Ook: schietboot. Klein vaartuig met geringe diepgang, dat werd gebruikt voor de jacht op waterwild en daarom zo laag en onopvallend mogelijk moest zijn. Had een mast met torentuig.  

Winch. » Sjorlier 

Wind. Bewegende lucht. Doorgaans wordt er een natuurlijke, verticale luchtstroom mee bedoeld. Wind wordt veroorzaakt door verschillen in de atmosferische druk, die op hun beurt voornamelijk het gevolg zijn van temperatuurverschillen. Zie ook Beaufortschaal 

Windas. Lier; ankerlier.  

Windgenerator. Door de wind aangedreven dynamo, doorgaans voorzien van vijf of zes bladen. Wekt stroom op, waardoor de accu kan worden opgeladen. Zie ook Watergenerator 

Windhapper. » Broek van Bertha 

Windhoos. Zeer krachtige, in een soort slurf ronddraaiende wind, die veel schade kan aanrichten. De doorsnee van de slurf beperkt zich doorgaans tot enkele honderden meters. Gaat meestal gepaard met zware neerslag en onweer.  

De grootste overlevende windjammer: de viermaster bark Moshulu. 
Eric Newby, de auteur van Mijn Jaren Voor De Mast, voer op dit schip. 
De Moshulu is thans een restaurant schip in Philadelphia, Verenigde Staten.
.
Windjammer. Geuzennaam van grote, witgevleugelde, » vierkantgetuigde en deels » langsscheepsgetuigde stalen » barken uit het eind van de vorige eeuw. Hooguit zijn de dekken, de versieringen en de kapiteinshut van hout. Een windjammer is soms wel twee keer zo lang als een clipper en werd gebruikt voor het vervoer van duizenden tonnen nitraat, guano, kolen, graan of hout.  
Eenvoudige windroos

Windroos. Schijf waarop de horizon is verdeeld over 32 windstreken, te weten de vier kwadranten (noord, oost, zuid en west), die elk in acht gelijke streken van 11°15' zijn onderverdeeld.  

Windscherm. Zeildoek bevestigd aan de zeereling om te beschermen tegen » buiswater en wind.  

Wind Song. Prachtige, zeer moderne viermaster, langsscheepsgetuigd, die met passagiers op Tahiti vaart.  

Windstilte. Toestand waarin er geen wind is.  

Windsurfen. » Plankzeilen 
. 

Windturbinepark. Groot "park" met vele windturbines, bijvoorbeeld in Nederland op de Maasvlakte en in België in de haven van Brugge-Zeebrugge. Van 1975 tot 2010 is de masthoogte opgelopen van zo'n twintig meter tot bijna tweehonderd meter hoog, hoger dan de Euromast te Rotterdam. 
Bij het bouwen van een windmolenpark in zee is de afstand tot de kust belangrijk: hoe langer de (door de hoge aanlegkosten dure) hoogspanningskabel naar de kust is, des te minder rendabel het park. In het Verenigd Koninkrijk heeft de staat een lange hoogspanningskabel in zee aangelegd, om particuliere windparken op zee langs die kabel te stimuleren. 
In het Belgisch deel van de Noordzee zijn er vijf gebieden met een totaal van 120 vierkante kilometer afgebakend voor de realisatie van windturbineparken. Daarmee wordt een flink deel - ruim zes procent - van de beschikbare visgronden ingepalmd. Dat is niet naar de zin van de visserijsector. In afwachting van een definitief Koninklijk Besluit met veiligheidsvoorschriften, is het nog steeds voor alle reguliere scheepvaart - dus ook voor vissersboten - verboden om binnen een zone van 500 meter rond de windturbineconcessies te varen. 
In een artikel in De Standaard van 4 juli 2011 zegt Hans Polet van het Belgische Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) het volgende: "De kustvissers zijn vragende partij om de zones in windturbineparken te gebruiken en er zijn wel degelijk mogelijkheden voor het vangen en het kweken van vis- en schelpdieren. In onze studie wegen we de kansen en gevaren af van een scenario waarin bepaalde zachte vormen van visserij mogelijk zouden zijn. Recente observaties tonen aan dat windturbineparken dienst doen als een kunstmatig rif, dat druk bevolkt is door een aantal vissoorten. Vooral zeebaars, Noordzeekrab en kreeft gedijen er opvallend goed. Boomkorvisserij moet er uit den boze zijn, maar bepaalde duurzame methodes zoals het vissen met potten, longlines en hengels behoren zeker tot de mogelijkheden. Windturbineparken mogen en moeten geen vijanden zijn van de visserij. Dat is overigens al in andere landen bewezen." 
. 
Windvaan. (1) Het door de wind bestuurde deel van de stuurautomaat. (2) Vlaggetje (in de mast) dat dient als verklikker.  

Windvaanstoel. Constructie ter bevestiging van de » windvaan (1), ook vaak gebruikt om antennes, windgenerator en diverse navigatiemiddelen op te monteren.  

Windvaansturing. Automatische stuurinrichting, verbonden met het » trimroer 

Windveer. Ook: billen. De kont van een schip, het verlengstuk van de achterboorden.  

Wing 7.2. Rondspant kajuitzeiljacht. L.O.A. 7,20 m.  

Wing and wing (e). » Te loevert varen.  

Wings (e) (s). De overgang van de zijkanten van de zeilplank in een rond achterschip.  
  
  

Winkle brig voor anker

Winkle brig (e). Kleine, doorgaans open zeilboot die wordt gebruikt op de rivieren aan de Engelse oostkust, voor het werk op de oesterbedden en het verzamelen van kokkels en alikruiken.  

Winner 9.50. Zeiljacht met slaapaccommodatie voor zes personen. L.O.A. 9,50 m., zeiloppervlak 47,40 m².  

Winner 11.20. Met kevlar versterkt polyester wedstrijdtoerzeiljacht. L.O.A. 11,20 m., breedte 3,60 m., zeiloppervlak »8 m². (Grootzeil 40 m², genua-1 41 m², genua-2 28 m², werkfok 20 m², stormfok 9 m², spinnaker 89 m².)  

Winterbed. De oppervlakte tussen het » zomerbed en de buitenkruinlijn van de dijk, waartoe behorend de platen of eilanden die alleen door hoog water overstroomd worden.  

Winterberging. Doorgaans open terrein, waar boven tijdens het winterseizoen op bokken worden gestald. Soms ook overdekt en zelfs verwarmd.  

Wipperen. Het overhevelen van lichte lasten van het ene schip naar het andere.  

Wipschoot. » Neerhouder. Touw van de onderkant van de mast schuin lopend naar de » giek. Verhindert dat het eind van de giek omhoog slaat en zorgt ervoor dat het grootzeil strak staat. (2) Touw van de nok van de jagerboom naar het voorschip.  

Witbaai. » Kooi 

Witblak (v). Windstil.  

Wit mandje (v). Van wilgeteen gevlochten mandje, waar ongeveer 200 haringen in konden.  
. 
With, Witte de - . Witte Corneliszoon de With (Hoogendijk, 28 maart 1599 - Sont (Denemarken), 8 november 1658) (bijgenaamd Dubbelwit) was een Nederlands vlootvoogd in de zeventiende eeuw. Hij werd geboren in Hoogendijk bij Den Briel, de geboorteplaats van de één jaar oudere » Maarten Tromp. Op 21 januari 1616 ging De With, in dienst van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie, als kajuitsjongen op de Gouden Leeuw, het schip van kapitein Schapenham, bij een vloot van vijf schepen bestemd voor Indië. In september 1616 assisteerde hij bij de scherpe ondervraging van de muiters van de West-Friesland. Er is wel gesuggereerd dat het deelnemen aan de martelingen van invloed geweest is op zijn karakter, evenals het aanschouwen van de terechtstelling, onder andere door vierendelen en radbraken, van de veroordeelden na de aankomst bij Bantam op 13 november.  
Tussen november 1616 en oktober 1617 nam hij deel aan twee handelstochten naar India, aan de kust van Coromandel. Hierna werd hij hofmeester en lijfknecht van » Jan Pieterszoon Coen, de gouverneur-generaal. In 1618 maakte hij als korporaal het beleg van het fort van Jakarta mee; nadat dit ontzet was, nam hij deel aan de verwoesting van de stad. Op 8 oktober 1618 voer hij op de Gouden Leeuw huiswaarts onder kapitein Gijsbrecht van Zuilen. Op 23 mei 1619 keerde hij terug in Brielle. In april 1628 werd hij, in dienst van de WIC, vlaggenkapitein bij » Piet Hein op de Amsterdam. De expeditie vertrok 20 mei voor een aanval op de Spaanse Zilvervloot, die bij Cuba in september 1628 met succes werd uitgevoerd. Op 10 januari 1629 keerde de expeditie weer thuis. Na een lange carrière als "piraat des vaderlands" ging De With in 1656 weer naar zee voor een kruistocht over de Noordzee. Laat in 1658 werd er een expeditievloot tegen Zweden uitgerust om Kopenhagen te ontzetten. Op 29 oktober voegde hij zich bij Van Wassenaer; na veertig man mariniers ter versterking gekregen te hebben, werd hem het bevel over de voorhoede van twaalf schepen opgedragen. In de hierop volgende Slag in de Sont vocht De With met zijn kenmerkende felheid. Na urenlange strijd, terwijl het andere Nederlandse schepen niet lukte de Brederode te hulp te schieten werd het door drie schepen omsingelde vaartuig door de vijand genomen; De With was toen dodelijk gewond door twee musketkogels: de eerste had hem in de linkerdij getroffen, de tweede van achter in de rug. Toen Zweedse musketiers hem mee wilden nemen, weigerde hij zijn degen over te geven. Op zijn knieën bleef hij het wapen vasthouden terwijl twee man het uit zijn handen probeerden te rukken, waarbij hij uitriep: Dewijle ick sovele jaeren mijn deeghen getrouwelijck voor Holland hebbe gevoert, soo en wille ick die aen geene geringe soldaten overgheven! Hij stortte ineen, werd naar zijn kajuit gebracht om bij te komen, liep op eigen kracht over de plank naar de Draak, het vlaggenschip van viceadmiraal Bjelkensterna, sijn hoofd nog geschut, sijn hand om niet te vallen aen een touwe geslagen, noyt overwonnen, en stortte opnieuw in en stierf. 
. 
Witte netjes (v). Ongetaande netten.  

Witte vloot (m). De schepen van de Hydrografische Dienst.  

Wit water (v). » Dik water 

Wit werk. Zie Werk 

Witte dieselolie. Autodiesel. Zie Brandstof 

WNA. » Uitwateringslijn voor de Noordelijke Atlantische Oceaan in de winter. Zie ook afb. 50.  

Woeling. (1) Sjorring om de boegspriet aan de scheg neer te houden. (2) Knie die de scheg aan de voorsteven verbindt.  

Wolf pack (e). Aanvalseenheid van onderzeeërs.  

Wonderkuil (v). Zeer groot, door twee botters voortgesleept » kuilnet, met nauwe mazen en een zeer wijde mond. Heet zo omdat het erg veel vis vangt. Leidt echter tot doodvissen van het viswater.  

Woods Hole Oceanographic Institution. Het grootste onafhankelijke oceanografisch instituut van de Verenigde Staten, opgericht in 1930. Het instituut heeft de beschikking over drie grote schepen voor oceanografisch onderzoek, diverse kustvaartuigen en de duikboot Alvin. Sinds 19»7 wordt er nauw samengewerkt met het Massachusetts Institute of Technology (MIT).  

Woonboot. Ook: woonark of woonschip. Vaartuig dat is ingericht of verbouwd voor permanente bewoning. Soms luxe bungalow op een stalen of betonnen ponton. Een woonboot valt onder de bepalingen in de Wet op Woonwagens en Woonschepen en dient over een registratienummer te beschikken.  

Woonschepenwet. Wet van 1918, waarvan de bespreking een aardig beeld geeft van de ideeën die men toen over de bewoners van woonschepen had. Woonschepen zijn in vergelijking met krotten `vaak in nog veel erger mate ongeschikt voor bewoning', hetgeen `in strijd is met de eisen van zedelijkheid en gezondheid'. De bewoners, `geen voldoende middelen van bestaan hebbend, trachten door bedelen in hun onderhoud te voorzien en groeien van geslacht tot geslacht op in een ongebonden, zwervend, bedelend leven, in strijd met de eisen ener welgeordende maatschappij.' (...) `In het belang van de rustige plattelandsbevolking, die niet zelden van de bedelende bewoners der woonschepen hinder en last ondervindt - in het belang vooral van een groot deel van de jeugdige bevolking dezer vaartuigen, moet zo spoedig mogelijk aan deze toestand een einde worden gemaakt.'  

Work (e) (w). Scherp zeilen.  

Working sails (e). Zeilen die » aan de wind gevoerd worden.  

Worp. (1) Elk van de zware balken die de uiterste spanten van het achterschip van binnen kruisen. (2) (v) Vier haringen.  

WOV. Westerschelde Oeververbinding. Toltunnel onder de Westerschelde tussen Terneuzen en Ellewoutsdijk, die de huidige veerdiensten Kruiningen-Perkpolder en Vlissingen-Breskens gaat vervangen. Moet vlak na de eeuwwisseling gereed zijn. Geraamde kosten: 1,7 miljard.  

Wraak. (1) » Drift. (2) Overmatige kielzog. (3) Stuurman.  
  
  

Wrak

Wrak. Elk onbruikbaar, beschadigd schip dat verlaten op zee drijft, gestrand of gezonken is.  

Wrakboei. Boei die boven een wrak wordt aangebracht waarboven minder dan 18 meter water staat.  

Wrakdrift. Het drijven van wrakken op zee of over de zeebodem.  

Wrang. Dwarsscheeps verbanddeel onder in een vaartuig.  

Wreed. (1) Loefgierig. (2) Wordt ook gezegd van een schip dat veel slingert en stampt.  

Wrijfhout. » Stootwil 

Wrijvingsweerstand. De weerstand veroorzaakt door de wrijving van het water langs het ondergedompelde deel van een scheepsromp en de aanhangsels, wanneer een schip varende is.  

Wrikken. Een vaartuig voortbewegen met één riem die aan de spiegel bevestigd is, waarbij met de wrikriem achtjes in het water worden gemaakt.  

WTK. Werktuigkundige. Meestal de tweede of derde machinist.  

Wui. Haspel waarop men schiemansgaren vervaardigt.  

Wulf. Het boven water overhangende deel van de achtersteven van een schip.  

Wurmentoeken (v). Vissen met met wormen geaasd » hoekwant. Zie afb. 22.  

WVO. Wet Verontreiniging Oppervlaktewater.  
. 
WVVS. Wet Voorkoming Verontreiniging door Schepen. Zie MARPOL. 
. 
WW (n). Werkelijke wind.  

WWH (n). Ware windhoek.  

WWS (n). Ware windsnelheid.  
 

 

A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z
.
.
Email: jackvanderwyk@yahoo.co.uk































tumblr page counter