Jaap van der Wijk
Dit was in 1996, toen het boek werd gepubliceerd
.
En dit is de auteur in 2011, vijftien jaar later
.
DE TAAL VAN HET WATER
interactieve encyclopedie van de watersport, visserij, koopvaardij, marine en bruine vloot
.
Een die sijn zeyl te hooge stelt,
Wert lichtlick van den wint gevelt.
Vader Cats
Meer lexicografisch en informatief werk van Jaap van der Wijk?
Click hier!
.
 
Het interactief blog van de Taal van het Water
Voor vragen, aanvullingen, opmerkingen, etc.
.
.

A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z
 
X  

X 79. Snel polyester toer- en wedstrijdzeiljacht. L.O.A. 7,96 m., zeiloppervlak 39 m².  

X 95. Solide, mooi gelijnd polyester toer- en wedstrijdzeiljacht. L.O.A. 9,25 m., zeiloppervlak 55,20 m².  

X 99. Zeer snel en ruim polyester wedstrijdzeiljacht. L.O.A. 10 m., zeiloppervlak 63 m².  

X 102. Zeer snel en ruim polyester toer- en wedstrijdzeiljacht, met veel comfort. L.O.A. 10,02 m., zeiloppervlak 66 m².  

X 3/4 ton. Zeer snel en degelijk polyester wedstrijdzeiljacht, met veel comfort. L.O.A. 10,06 m., zeiloppervlak 70 m².  

X 302. Polyester rondspant toerwedstrijdzeiljacht met zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 9,35 m., breedte 3 m., zeiloppervlak 52,70 m².  

X 332. Comfortabel polyester rondspant toerwedstrijdzeiljacht met zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 10,31 m., breedte 3,30 m., zeiloppervlak 62,50 m².  

X 362. Uitstekend polyester toer- en wedstrijdzeiljacht, sloepgetuigd, met slaapaccommodatie voor 5 of 7 personen. L.O.A. 11 m., zeiloppervlak 72,75 m².  

X 372. Mooi gelijnd en breed polyester wedstrijdzeiljacht. L.O.A. 11,48 m., zeiloppervlak 76 m².  

X 402. Prachtig, met kevlar versterkt polyester wedstrijdzeiljacht, mooi interieur. L.O.A. 12,10 m., zeiloppervlak 90 m².  

X 1 ton. Zeer snel wedstrijdzeiljacht, gemaakt van kevlar en carbon fibres. L.O.A. 12,13 m., zeiloppervlak 112 m².  

XTE (n). Elektronische-navigatieterm. Cross Track Error. De afwijking van de ideale koerslijn tussen twee » waypoints. De navigatieontvanger bepaalt of en in hoeverre het schip zich naast de lijn bevindt die op de kaart is vastgesteld.  
  
  

A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z
Y  

Yacht club (e). Jachtclub; zeilvereniging; watersportvereniging. Zie ook Marina 

Yachtie (e). Zeilfanaat.  

Yachting (e). Woord afkomstig van het Nederlandse `jacht', dat oorspronkelijk `klein, snelzeilend schip' betekende. Karel II liet halverwege de zeventiende eeuw een hele flottielje van gaffelgetuigde » statenjachten bouwen en organiseerde er wedstrijden mee. En zo zijn het Engelse yachting en alle daarvan afgeleide woorden ontstaan.  

Yacht legs (e). Telescopische staanders die aan de zijboorden van een kielboot kunnen worden bevestigd en ervoor zorgen dat de boot zonder problemen kan droogvallen. Zie ook Kimkielen 

Yachtsmanship (e). Zeilkunst.  

Yankee (e). Grote » kluiver 

Yardsticksysteem (w). Systeem van maatgetallen, dat het wedstrijdzeilen van zeilboten van verschillende klassen mogelijk maakt. Zie ook Handicap en Voorgiftregel 

Yaw (e). Gieren, uit de koers lopen, slingeren.  

Yawl (e). Afkomstig van het Nederlandse `jol'. (1) Type zeilboot met langsscheepse zeilen aan twee masten waarvan de achterste - in tegenstelling tot de » kits - achter de roerkoning staat, en waardoor de roerganger tussen de twee masten in zit. (2) Bijboot, reddingssloep.  

Yawltuig. Tuig met twee masten. De voorste mast is het hoogst. Aan de achterste mast (druilmast) wordt een » druil gevoerd, die steeds klein is in verhouding tot het » grootzeil. De druil dient meer als trim- en steunzeil, dan dat hij meehelpt bij de voortstuwing van het schip. Soms loopt de schootvoering van de druil via een » papegaaistok 

YBDSA. Yacht Brokers, Designers and Surveyors Association. Vereniging waarvan alle vooraanstaande Europese deskundigen op het gebied van de expertise van kleine vaartuigen lid zijn.  

Yle (v). Haring die kuit of hom geschoten heeft en doorgaans alleen in het najaar gevangen wordt.  
  
  

A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z
Z  

Zaaien (m). Het verspreiden van roddel en achterklap. Zie K.I.D 

Zaanse gondel. Open platbodem met » gaffeltuig, waarmee in de jaren twintig nog regelmatig wedstrijden werden gezeild aan de Zaan. Verwant aan de » grundel en de » punter 

Zaanse scheepsbouwers. Zij waren in heel Europa beroemd. Halverwege de zeventiende eeuw was er een bloeiende handel met de Russische stad Archangelsk, waar Hollandse kooplui tot eind augustus met hun kramen op de jaarmarkt stonden. In de `Duitse wijk' (vreemdelingenwijk) van Moskou wemelde het van de Hollanders en Zaanse scheepsbouwers hadden aan de Moskva hun werfjes opgericht. Tsarevitsj Peter (Pjotr) liep daar als kind rond en leerde er een mondjevol Nederlands op z'n Zaans. De scheepsbouwers vonden Pjotr maar een belachelijke naam en noemden hem Pieter. Sindsdien heeft hij zijn naam altijd met `Piter' getekend, ook toen hij later tsaar Peter de Grote was. Zie ook Russische marine 

Zaathout. Langsverbanddeel in de bodem, boven de kiel. Doorgaans zijn er ter weerszijden van dit zaathout nog enkele evenwijdige balken aangebracht.  

Zaïre. Op deze rivier kan je van Mbandaka naar Kisangani de meest vreemde vaartuigen tegenkomen. Neem de Lokele. Dit is de naam van het moederschip, dat wil zeggen het enige schip waarvan de motor functioneert. Voor, achter en naast de Lokele zijn allerlei grote en kleine vaartuigen vastgekoppeld, en zo vaart dit enorme samenstelsel de rivier af. Er zijn duizenden mensen aan boord; voor hen is dit de enige mogelijkheid van transport. Politiemensen en soldaten zijn vast gestationeerd op deze varende stad. Verstekelingen worden hardhandig verwijderd na eerst te zijn kaalgeschoren. Honderden kleine handelaartjes verkopen hun waren aan de passagiers en aan de vissers die onderweg illegaal aan boord komen en hun kano's achter het gevaarte aan laten drijven. Als u dit jaar eens geen zin hebt in Benidorm...  

Zak (v). » Aatje 

Zaling. Elk der dwarsscheeps (en soms langsscheeps) aan de mast bevestigde spreiders die de hoek tussen het topwant en de mast groter maken, om het want meer naar buiten te brengen, meer spatting te geven. Zie ook Dwarszaling en Langszaling 

Zalinglicht. Lampen onder aan de zaling, die gebruikt worden om het werken in het donker te vergemakkelijken.  

Zalmschouw. Niet erg fraaie » schouw van de benedenrivieren, die bovendien in het geheel niet op een schouw lijkt, want het schip heeft geen vlakke bodem en platte voor- en achterspiegel. Heeft een opgebogen vlak in het voorschip, rechtstandige achterstevenbalk, uitwaaiende onderboorden en naar binnen hellende bovenboorden. Is 6 à 7 meter lang, heeft oorspronkelijk een spriettuig en werd gebruikt voor de zegen-, fuik- en drijfnetvisserij op de Beneden-Merwede, het Hollands Diep en de monden van de grote rivieren. Uit de naam mag men opmaken dat het destijds met de Nederlandse rivieren heel wat beter gesteld was dan nu.  

Zandaak. » Aak die zeer veel op de » IJsselaak lijkt. Voert een grootzeil met rechte of gebogen gaffel en een fok.  

Zandbank. Uit zand opgebouwde ondiepte in een zee, rivier of meer, die vaak ontstaat op plaatsen waar een stroom zijn loop vertraagt.  

Zandboord. Onderste huidgang.  

Zandloper. (1) IJzeren beslag om het zwaard. (2) Vorm van versiering, bijvoorbeeld op beretanden. (3) » Wachtglas 

Zandstrook. (1) Ook: kloosterhout. Brede plank direct naast of in de sponning van de kiel. (2) Bij een hengst het eerste boord tegen de kim.  

ZAR. Zeeaanvaringsreglement 1972, voorzien van de laatste wijzigingen.  

Zate. Plaats waar in getijwater een schip kan worden drooggezet.  

Zeddelboord. » Zetboord 

Zee. (1) De samenhangende zoute watermassa die de continenten aan alle zijden omgeeft. De grotere bassins worden `oceaan' genoemd. (2) Golf.  

Zeeaanvaringsreglement. » ZAR 

Zeeanker. » Drijfanker. Conische zak van zeildoek die aan een lijn achter de boot gehangen wordt. Men kan ook een plastic emmer gebruiken, of een puts.  
. 
Zeebenen. Die heb je als je aan varen gewend bent en niet zeeziek wordt.  
. 
Zeeberg. Onderzeese berg, meer dan een kilometer hoog, met een scherpe kam, in tegenstelling tot een » guyot 

Zeebeving. Aardbeving waarvan het epicentrum onder het zeeoppervlak ligt.  

Zeebrief. Nationaliteitsbewijs van een zeegaand schip. Een soort paspoort van het schip, verstrekt door de regering van het land waar het schip geregistreerd staat. Op de koopvaardij moet het bij binnenkomst in een haven door de kapitein getoond worden aan de autoriteiten. Ook pleziervaartuigen kunnen als zeeschip worden geregistreerd, hetgeen het o.a. mogelijk maakt een hypotheek op het schip te nemen. Zeebrieven worden uitgegeven door de Scheepsmetingsdienst, die valt onder het Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken (DGSM) van het ministerie van Verkeer en Waterstaat.  

Zeecadet. Ook: adelborst. Iemand die tot zeeofficier wordt opgeleid.  

Zeedag. Elke dag dat men met een schip op zee is. `Ik heb er honderdvijftig zeedagen opzitten; ik neem eerst drie maanden vakantie.'  

Zeedagenregeling (v). Wettelijke regeling van het aantal dagen dat vissersschepen op zee mogen verblijven.  

Zee en deining. Er bestaat een schaal van zee en deining, die 1 à 2 punten lager is dan de » Beaufortschaal 

Schaal    Zee                    Deining  

0            Vlak                    Geen deining  

1            Kabbelend            Lage, korte, matige lange deining  

2            Licht golvend        Lage, lange deining  

3            Golvend                Matig hoge, korte deining  

4            Zee                        Matig hoge, matig lange deining  

5            Aanschietende zee Matig hoge, lange deining  

6            Wilde zee                Hoge, korte deining  

7            Hoge zee                Hoge, matig lange deining  

8            Zeer hoge zee            Hoge, lange deining  

9            Zeer hoge en wilde zee Dooreenlopende verwarde deining  
  

Zeeg. Het verloop van de snijlijn van de huid en het dek van een vaartuig, van opzij gezien. Is de zeeg voor en achter hoger dan in het midden, dan noemt men hem positief of hol; is hij in het midden het hoogst, dan spreekt men van een negatieve zeeg of een `katterug'.  

Zeegaand jacht. Elk jacht dat als zeegaand jacht door de » KNWV is erkend. Kan onder andere van belang zijn bij de aanschaf van marifoon-apparatuur. Erkend zeegaande jachten worden namelijk gelijkgesteld met zeeschepen, mogen dus over extra marifoonkanalen beschikken en mogen op de meeste kanalen met laag en hoog vermogen werken.  

Zeegang. Windgolven, in tegenstelling tot deininggolven.  

Zeegnet (v). » Zegen (1). Zie ook Muur des doods 

Zeehaven. Haven aan of in de directe nabijheid van de zee, die daarmee een directe scheepsverbinding heeft.  

Zeehondenjacht. Zie Robbenjacht 

Zeeijs. Bevroren zeewater. De ijskristallen hebben een zoutgehalte van 5 tot 10‰. Het zeeijs heeft een relatieve dichtheid van 0,92.  
  
  

Zeekaart

Zeekaart. Kaart waarop alle diepten, vaargeulen, betonning, bakens, wrakken, blinde klippen en getijden staan aangegeven, alsmede vaste oriëntatiepunten aan de wal, zoals vuurtorens, kerktorens en andere hoge objecten.  

Zeekap (v). » Zuidwester 

Zeekip. Elke vogel die boven de zee vliegt.  

Zeeklit. Diertje, behorend tot de groep van de zeeëgels, dat voor de Nederlandse kust leeft. Wordt door het waterbeheer ingezet voor het bepalen van de giftigheid van (haven)slib. Als een zeeklit zich prettig voelt, graaft hij zich namelijk in de zeebodem in, zo niet dan blijft hij op de bodem liggen.  

Zeekraan. Kraan in de zijwand om water in of uit de boot te laten.  

Zeeleeuwklasse (m). Type » onderzeeboot, dat als voornaamste taak heeft het aanvallen van vijandelijke onderzeeboten en oppervlakteschepen, alsmede verkenningsoperaties.  

Zeeliedenstaking. Staking van werknemers in de zeevaart. Op 14 juni 1911 brak er in Amsterdam en Rotterdam een zeeliedenstaking uit. De stakers in Amsterdam waren grotendeels lid van de `Algemene Nederlandse Zeeliedenbond', terwijl die van de Maasstad voornamelijk waren aangesloten bij de NVV-bond `De Volharding'. In de nacht van 5 op 6 juli kwam het in Amsterdam op Kattenburg tot een treffen met de politie. Hoewel de werkgevers op geen enkel punt aan hun eisen tegemoet waren gekomen, besloten de stakers op 9 augustus om weer naar zee te gaan. Zie ook Visserijstaking 

Zeemacht. Oorlogsvloot.  

Zeeman. Iemand die voor zijn beroep op zee vaart, of als zodanig heeft gevaren. Iemand die dus al dan niet regelmatig het ruime sop kiest met zijn zeiljacht, kan een uitstekend en zeer ervaren zeezeiler zijn, maar dat maakt hem nog geen zeeman. Mocht ik echter op zee ooit afhankelijk zijn van iemand, en ik mag voor mijn overlevingskansen kiezen tussen een ervaren zeeman en een ervaren zeezeiler, dan kies ik voor de laatste. Zie ook Zeemanschap 

Zeemanschap. (1) Kundigheid en vaardigheid met betrekking tot de zeevaart, toegespitst op het beroep dat men ter zee uitoefent. (2) De veelzijdige kundigheid en vaardigheid met betrekking tot de navigatie, de omgang met het schip waarop men vaart en alle andere factoren die nodig zijn om schip en bemanning zo veilig mogelijk op de plaats van bestemming te kunnen brengen. Zie ook Goed zeemanschap 

Zeemansgebed. Voor de grote oversteek (van de oceaan) werd vaak een zeemansgebed uitgesproken. Dat kon als volgt luiden:  
  

Bij vertrek was het schip hecht, dicht en sterk, van alle waterkeringen voorzien, de machines in orde bevonden, bemanning voltallig en gezond, levensmiddelen en drinkwater, zowel als bunkers voldoende aangevuld, alle brandblus-, reddings- en navigatiemiddelen en uitrusting op deugdelijkheid en volledigheid gecontroleerd, beproefd en in orde bevonden, kaarten volledig en geheel bijgewerkt, alle luiken van de laadruimen van driedubbele presennings voorzien en afgekegd, alsmede ook de lading in de ruimen en aan dek volgens goed zeemansgebruik gestuwd, afgedekt en gesjord, aldus het schip in alleszins vereiste en verantwoorde staat bevonden om de reis te aanvaarden en te volbrengen.
Vaak zorgde dit voor een `aha-erlebnis' bij opvarenden, waardoor onvolkomenheden op het laatste nippertje nog recht konden worden gezet.  

Zeemansgids. Uitgave van de afdeling Hydrografie van het ministerie van Defensie, waarin een schat aan gegevens staat vermeld die de aandacht van de lezer behoeven of die niet goed uit de zeekaarten kunnen worden opgemaakt.  
  

 
Zeemansgraf voor de officieren en manschappen van de USS Intrepid, die hun leven lieten toen 
hun schip werd getorpedeerd door de Japanse Marine in de Filippijnen, 26-11-1944
.
Zeemansgraf. "En met een 1, 2, 3 in godsnaam..."
(Foto's van Gerrit Hofmeijer)

Zeemansgraf. Hierbij wordt het lijk aan boord van een schip in een » kombaars genaaid en zodanig verzwaard met een gewicht dat het zinken en onder water blijven van het lijk gewaarborgd is. Daarna wordt het lijk op een » smeerplank gelegd en laat men het in zee glijden, vaak vergezeld van de spreuk `Een, twee, drie, in Godsnaam.' Dit dient niet eerder dan 36 uur na het overlijden doch uiterlijk op de vijfde dag te geschieden. Na overleg met twee mede-officieren kan de kapitein zelfs besluiten het lijk binnen de genoemde periode van 36 uur overboord te zetten. Wanneer het schip naar alle waarschijnlijkheid de wal binnen vijf dagen bereikt, kan het lijk aan boord blijven ter begraving of crematie op de wal, mits het in een waterdicht gesloten kist, beschut tegen zon en regen, op het bovendek of in een buiten boord hangende sloep wordt geplaatst. Zie ook Dodemanssteek en Ketelbinkie 

Zeemanshuis. Tehuis voor zeelieden aan de wal, vaak door de kerk opgezet. Je kunt er een kaartje leggen, biljarten of een pilsje drinken. Meestal zijn er ook overnachtingsmogelijkheden, wanneer het schip waar je op moet aanmonsteren bijvoorbeeld nog niet is gearriveerd. In mijn varenstijd gebruikten wij het zeemanshuis vooral als uitgangspositie voor verdere ontdekkingsreizen. `En dominee, waar vind je hier de mooiste meisjes?'  

Zeemanskist. » Hutkoffer 

Zeemanspsalm. Psalm 107 (God redt uit allen nood.)  

Zeemansverdriet (m). Periode die soms voorafgaat aan » Kanaalkoorts. Om het verdriet te verdrijven neme men een glas met ijsblokjes, waarop men een half borrelglas Cointreau en een half borrelglas Drambuie stort. Het geheel wordt aangelengd met spuitwater.  

Zeemeermin. » Sirene. Mythisch wezen uit de zee, dat boven haar middel vrouw was, en daaronder vis. (Andersom lijkt me minder aantrekkelijk.) Een grapje van Herr Schröder, mijn oude leraar Duits: `Uit het feit dat `zee' in het Duits `Meer' is en `meer' in het Duits `See' betekent, mogen jullie niet concluderen dat `zeemeermin' in het Duits `Meerseemin' is. (In feite is het `Meerweib' of `Seejungfer'.)  

Zeemijl. De lengte van een meridiaanminuut, namelijk 1851,85 meter. De Britse Admiralty mijl is 1853,18 meter. De internationale zeemijl is 1852 meter.  

Zeepa (m). Oudstejaar adelborst die een soort mentor van een jongstejaar (zeun) is. Zie ook Zeevader 

Zeepok. Rankpootkreeft (Cirripedia), uit de onderorde der Balanomorpha, familie der Balanidae. Hecht zich aan alles wat stevig is, dus ook aan schepen. In de getijdenzone zijn er gemiddeld 400-2500 zeepokken per vierkante meter harde ondergrond. Zie ook Aangroeiing en Eendemossel 

Zeerecht. De internationale regels die betrekking hebben op het gebruik van de zee. De belangrijkste regel van het publiekrechtelijk zeerecht is de vrijheid van de volle zee, waarmee bedoeld wordt dat alle staten het recht hebben vrijelijk gebruik te maken van de zee en haar natuurlijke rijkdommen. In het privaatrechtelijk zeerecht wordt het gebruik van de zee door particulieren geregeld. Het spitst zich toe op het vervoer van personen en goederen overzee. Zie ook Territoriale wateren 

Zeereling. Een open reling, bestaande uit op enige afstand van elkaar geplaatste metalen » scepters, waar doorheen meestal twee staaldraden lopen, vanaf de » preekstoel tot het » hek 

Zeerook. Soort mist die ontstaat wanneer zeer koude lucht over aanmerkelijk minder koud water stroomt.  

Zeeroverij. Het vanaf één of meerdere schepen in open zee plegen van geweld tegen de opvarenden van andere schepen, zonder dat daartoe machtiging is verleend door een oorlogvoerende mogendheid. Vindt nog steeds regelmatig plaats, met name in Zuidoost-Azië en Afrika. Op 21 november 1977 enterden gewapende zeerovers een Deens vrachtschip bij Lagos, Nigeria. De kapitein werd gedood, 14 bemanningsleden raakten gewond en een groot deel van de lading werd weggehaald. In het internationaal zeerecht is onder andere bepaald dat zeerovers in elk land terecht kunnen staan.  

Zeeroversvlag

Zeeroversvlag. Ook: piratenvlag, Jolly Roger of Black Jack. Zwarte vlag met een wit doodshoofd, waaronder twee gekruiste doodsbeenderen of twee gekruiste kromzwaarden.  
  
  

Afb. 53. Zeeschouw

Zeeschouw. Ook: » Lemsterschouw. Zeewaardige » schouw met veel ruimte onder dek en een relatief smal vlak, sterk naar buiten vallende boorden en naar binnen vallende boeisels. Voerde een bottertuig. Zie ook afb. 53.  
  
  

De zeesleper Typhoon

Zeesleper. Sleepboot voor de zeescheepvaart. Zie ook Noordzee (2).  

Zeespiegel. De oppervlakte van de zee.  

Zeespiegelstijging. Stijging van de zeespiegel als gevolg van klimaatveranderingen. Als de temperatuur op aarde door het broeikaseffect zal gaan stijgen, zal het zeewater gaan uitzetten en zullen gletsjers en ijskappen gaan smelten. Ten gevolge daarvan zal de zeespiegel gaan stijgen en een bedreiging vormen voor laagliggende landen, zoals Nederland.  

Zeestroming. » Stroming 

Zeeuwse rijsttafel (m). Gerecht van droge rijst met kapucijners of bruine bonen, met kaantjes en garnituur (gehakte uitjes, gesmoorde uitjes, uienringetjes, gesneden augurk en picalilly).  
. 

Zeeuwse- of Zuidhollandse klipper
.
Zeeuwse klipper. Nederland heeft zich onderscheiden door het bouwen van een grote hoeveelheid zeilende platbodems voor de binnenvaart, tussen 1890 en 1925. Deze droegen ook de naam 'klipper', al leken ze alleen boven de waterlijn op de zeegaande voorgangers. Bovendien werden ze zonder uitzondering gebouwd van ijzer en staal, in plaats van hout. Er bestonden twee hoofdtypen: de Zeeuwse of Zuid-Hollandse klipper en de Friese klipper. Ook heden nog wordt met een aantal van deze schepen intensief gevaren in de ruime Nederlandse binnen- en kustwateren, onder de verzamelnaam 'bruine vloot'. 

Zeeuwse schouw. » Schouw zonder plat voorbord, maar met een tot het boord oplopend vlak, de zogenaamde `heve'. Hoorde vooral in de kleine haventjes van de Ooster- en Westerschelde thuis. Heeft een strijkbare mast en naar binnen vallend boeisel. Werd ook als veerschip gebruikt en voer met vracht naar België.  

Zeevaart. Handelsscheepvaart. Het beroepshalve vervoeren overzee van goederen en personen.  

Zeevaartkunde. » Nautiek 

Zeevaartonderwijs. Nautisch onderwijs. Technisch beroepsonderwijs, gegeven aan zeevaartscholen, visserijscholen, scholen voor de kustvaart en scholen voor de Rijn- en binnenvaart. Het hoger nautisch onderwijs leidt onder andere op voor de functies van stuurman op de grote handelsvaart, scheepswerktuigbouwkundige en radio-officier, het middelbaar nautisch onderwijs leidt onder andere op voor de functies van stuurman, kapitein en scheepswerktuigbouwkundige op de kleine handelsvaart, de Rijn- en binnenvaart, de visserij en het baggerbedrijf, en het lager nautisch onderwijs leidt onder andere op voor de functies van scheepsgezel en scheepskok.  

Zeevaartschool. Instituut voor zeevaartonderwijs. De eerste zeevaartschool ter wereld, in 1415 opgericht door » Hendrik de Zeevaarder (1), bevindt zich te Sagres, iets ten zuiden van Kaap St. Vincent, in het uiterste zuidwesten van Portugal.  

Zeevader. (1) Ervaren zeeman die jonge, onervaren zeelieden aan boord onder zijn hoede neemt en ze de kneepjes van het vak leert. `Rolf was mijn zeevader.' Zie ook Zeepa. (2) (m) Baksmeester.  

Zeevast zetten. Ook: zeevasten. Voor men het zeegat uit gaat alles wat kan vallen of verschuiven vastzetten of vastsjorren.  

Zeevlam. Snel vanuit zee opkomende koude mist.  

Zeevogels. De belangrijkste zeevogels zijn de albatros (fam. der Diomedeidae), de stormvogel (fam. der Procellariidae), de meeuwstormvogel (genus Fulmarinae) en de pijlstormvogel (genus Puffinus).  

Zeewaardigheid. (1) Het in alle opzichten geschikt zijn van een schip om een voorgenomen reis te volbrengen, passagiers, bemanning en lading zonder aanmerkelijke schade te vervoeren en de te verwachten gevaren te doorstaan. (2) Het in alle opzichten geschikt zijn van kapitein (of schipper) en bemanning om een voorgenomen reis te volbrengen, passagiers, bemanning en lading zonder aanmerkelijke schade te vervoeren en de te verwachten gevaren te doorstaan. Zie ook Microwegas 

Zeewater. Normaal zeewater, met een zoutgehalte van 33,34 g/kg, bestaat hoofdzakelijk uit de volgende elementen: 18,98 g/kg chloor, 10,561 g/kg natrium, 1,272 g/kg magnesium, 884 mg/kg zwavel, 400 mg/kg kalk en 380 mg/kg kalium.  

Zeewedstrijdjacht. Jacht ontworpen voor wedstrijden op zee (offshore races).  

Zeewering. Waterkering tegen de zee.  

Zeewezen. Al wat betrekking heeft op de zeevaart en de vloot.  

Zeewier. Zie Alg 

Zeewind. Koele wind die in de zomer in de loop van de dag opsteekt van zee naar het land, doordat de lucht boven het land wordt opgewarmd en opstijgt en aldus plaats maakt voor de zeewind.  

Zeeziekte. Bewegingsziekte. Toestand van onwel bevinden door het » dompen, » slingeren of » stampen van het schip. Wordt veroorzaakt door een storing van het evenwichtsorgaan, omdat - vooral wanneer men zich in een afgesloten ruimte van het schip bevindt - de prikkels niet overeenstemmen met andere zintuiglijke gewaarwordingen. De ogen registreren dan namelijk niet dat men beweegt, terwijl dat wel het geval is. Middelen: Cinnarizine, Motilium, Scopolaminepleisters (tot '97 niet verkrijgbaar), Cyclizine, Stugeron enzovoort. Bij ernstige zeeziekte is men tot niets meer in staat en wordt men volkomen apathisch. Blijf vooral aan dek en kijk naar de horizon. Frisse lucht wil ook nog wel eens helpen, evenals braken. (Aan lijzijde a.u.b.!) Zie ook Placebo en Landziekte. 

Zegelkast, zegelkamer. Ruimte aan boord met alle artikelen die ten lande vallen onder de bepalingen inzake de douane en de accijnzen, de wapenwet en de narcoticawet. De ruimte wordt verzegeld door de douane en het zegel mag pas buiten de territoriale wateren worden geopend. In de praktijk bevat de ruimte shag, sigaretten en sterke drank voor de bemanning, alsmede eventuele vuurwapens en geneesmiddelen.  

Zegen (v). (1) Lap netwerk van zeer grote lengte en naar verhouding geringe hoogte, waarmee men de vis achtervolgt. Dit gaand viswant bestaat uit twee vleugels, die soms uitlopen in een » kuil, een diepe `zak'. Aan beide vleugels is met sprenkels een lijn bevestigd, en door die in te halen wordt de zegen over de zeebodem gesleept. (2) `Op de zegen monsteren' = Uitsluitend op een percentage van de besomming varen.  

Zegenboer (v). Iemand uit Scharwoude die met de » zegen vist.  

Zeil. Doek van sterk linnen of kunststof, doorgaans uit verscheidene kleden bestaande en aan de rand met touwen (lijken) benaaid, dienend voor het vangen van wind, ter voortstuwing van een vaartuig.  

Zeilbewijs. Ook: schippersdiploma zeilvaart. Per 1 mei 1995 verplicht voor de zeilende passagiersvaart. Dit kan het groot vaarbewijs of het bestaande zeilbewijs zijn. Personen die het zeilbewijs aanvragen moeten kunnen aantonen dat zij de afgelopen drie seizoenen aaneengesloten als schipper hebben gevaren. Het zeilbewijs is geldig tot het »5e jaar van de houder; daarna moet het elke drie jaar worden verlengd.  

Zeilcanadees (k). Hoewel het zeilen met een Canadees in Nederland al lang niet meer in zwang is, kan bij sommige Canadese kano's (Grunman bijvoorbeeld) een zeiluitrusting worden geleverd, die doorgaans bestaat uit een stuurinrichting, mastje, zijzwaardjes en loggerzeiltuigage. Je kunt er spectaculair mee zeilen. In Amerika en Canada werd de Canadees al in de jaren twintig tot zeilkano gepromoveerd. Een kano van 5,50 m. lengte voerde een torenzeil van 10m² of twee loggerzeilen van 4,2 m², waarbij de stuurman de bezaan hanteerde. In Nederland durfde men destijds niet verder te gaan dan één loggerzeil van 4m². Gek genoeg verschilden de prestaties nauwelijks met die van de Canadezen en de Amerikanen.  

Zeildoft. Mastbank. Doft in een sloep waartegen of waarin men een mast kan zetten wanneer men met de sloep wil zeilen.  

Zeilelger (v). IJzeren kam met scherpe vertandingen, die al zeilend door de modder werd getrokken om paling te vangen.  

Zeilen. (1) Het voortstuwen van een boot door middel van windkracht, uitgeoefend op de zeilen. Sinds 1900 een Olympische tak van sport. Elk schip krijgt daarbij een handicapfactor, waarmee de in werkelijkheid gezeilde tijd moet worden vermenigvuldigd. (2) Maandblad voor zeilers.  

Zeilepatters (v). » Slofkousen 

Zeiler. Persoon die de zeilsport beoefent.  

Zeilers (v). Gaten en scheuren in staande netten, veroorzaakt door zeilvaartuigen.  

Zeilevalsblok. Bovenste » blok van het zeileval.  

Zeilgleuf. (1) Gleuf in de » giek, waardoor het » onderlijk van het zeil kan worden ingeschoren. Ook in de » gaffel en soms in een mast, treffen we wel eens zeilgleuven aan. (2) `Pitspoes' van zeilsporters, die vaker in de » kooi dan in de mast wordt aangetroffen.  

Zeilhand. (1) (s) De verste hand, waarmee men de » giek dicht trekt en laat vieren. (2) Ook: zeilhans of zeilplaat. Leren band met een metalen plaatje erin, dat bij het naaien van de zeilen om een hand wordt genomen, zodat men de naald goed door het doek kan drukken.  

Zeilkamp. Kamp met mensen die (beter) willen leren zeilen.  

Zeilkano. Kano die zeil kan voeren. Zie ook Zeilcanadees 

Zeilkiel. Kiel die kan worden aangebracht onder een roeiboot of kano, wanneer men daarmee wil zeilen.  

Zeilkar. Een systeem om het » grootzeil langs een rail naar boven te trekken.  

Zeilkast. Vrachtschip met een steile, stompe kop, rechte zijden en een klipperkont. Het tuig bestond uit een mast met grootzeil, fok en kluiver.  

Zeilkoers. Koers ten opzichte van de wind (scherp aan de wind, halve wind, achterlijker dan dwars, enz.)  

Zeilkooi. Kooi in het vooronder die wordt gebruikt als bergplaats van touwwerk en zeilen.  

Zeilkous. (1) » Kous. (2) Een » grommer of een ander oog van touwwerk, aangebracht in de schoothoek of » halshoek van een zeil en inwendig voorzien van een metalen of nylon ring.  

Zeillat. Een dunne lat van hout of kunststof; is in een zeillatzakje gestoken dat tegen het » achterlijk van het grootzeil is gestikt en dient om te sterke bolling van het zeil te voorkomen en het zeil een meer vloeiende vorm te geven.  

Zeilmaker. Ambachtsman die scheepszeilen vervaardigt.  
. 
Zeilmakreel. Denigrerende opmerking van mensen op een motorschip ten opzichte van zeilers. 
. 
Zeilnummer (w). Nummer ter onderscheiding en registratie van het zeil.  

Zeiloppervlak. (1) De totale oppervlakte van alle zeilen die een schip voert. (2) De oppervlakte van een bepaald zeil.  

Het zeil overhalen (v). » Voor-de-wind om 

Zeilplaat. Ook: zeilhand. Geribde metalen plaat met leren garnituur, die op de muis van de hand bevestigd wordt en dient om de zeilnaald door zwaar doek of touw te steken. Een soort vingerhoedje dus.  

Zeilplan. Tekening van de zeilen met vermelding van het zeiloppervlak.  

Zeilplank. » Surfplank 

Zeilpunt. Zwaartepunt van het zeiloppervlak. Verandert met de windkracht.  

Zeilree. Gereed om uit te zeilen. `De vloot lag zeilree.' Zie ook Reden 

Zeilschip. Volgens de wet een schip, al dan niet voorzien van middelen tot werktuiglijke voortstuwing, voldoende zeilen voerend om alleen daarmee veilig te kunnen varen, te beoordelen naar normen die in verband met de vorm en de afmetingen van het schip door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden vastgesteld. Een schip dat onder zeil vaart en tegelijkertijd zijn mechanische middelen tot voortbewegen gebruikt is voor de wet een » motorschip. Zie ook Motor/zeilkegel 

Zeilschool. School waar men kan leren zeilen.  

Zeilstreep (n). Een streepje op de binnenzijde van de voorkant van een kompasketel; het kompas moet zodanig zijn geplaatst dat een lijn door kompaspen en zeilstreep evenwijdig loopt aan het langsscheepse symmetrievlak.  

Zeilval. Touw waarmee het grootzeil wordt gestreken en gehesen.  

Zeilvangers. » Lazyjacks 

Zeilvenster. Eén of meer vensters in een zeil om naar alle kanten vrij zicht te hebben. Dit is bij surfers vooral nodig bij voordewindse koersen.  

Zeilwerk. (1) Scheepsverband waar de mast in steunt. (2) Takelage.  

Zeilwherry. » Scheehouten wherry 

Zelflozende kuip. Een kuip waarvan de vloer boven het niveau van het water ligt en waarin zich buizen bevinden die het binnenkomende water weer naar buiten afvoeren.  

Zelflozer. Een klep in de bodem of de spiegel van een boot die zodanig is gevormd dat, in een geopende toestand, het water uit de boot kan weglopen, of er bij het bereik van een bepaalde snelheid uit gezogen wordt.  

Zendbereik. Ook: zendcapaciteit. De capaciteit van een zender om ontvangers op afstand te kunnen bereiken. E.e.a. is afhankelijk van het zendvermogen (het aantal Watts van de zender), de lengte en de hoogte van de antenne en de positie van het vaartuig.  

Zeng. Plotseling kortstondige versterking van de wind, vaak voorkomend bij het passeren van een koufront.  

Zenitafstand (n). 90° minus » Hoogte waar 

Zes op, zes af. Systeem waarbij iemand afwisselend zes uur » wacht loopt en zes uur rust heeft. Dit moet niet al te lang duren, want dat kan vervelend zijn voor degene die voortdurend de wacht van twaalf uur 's nachts tot zes uur 's ochtends heeft.  

16 m². Veelgebruikte open toer-wedstrijdzeilboot. L.O.A. 6 m., zeiloppervlak 16 m², 380 kg. Nationale wedstrijdklasse.  

Zestig-eller (v). Grote bezaan.  

Zetboord. Ook: Zeddelboord. (1) Verhoging van het » boegsel. (2) De (doorgaans twee) schuifpanelen waaruit de kajuits`deur' bestaat.  

Zetten. Het hijsen van de zeilen.  

Zeuntje (m). Ook: bakszeuntje. Hulpje van de baksmeester.  

Zeven gerechten (m). Gerecht van stokvis, gekookte aardappelen, augurken, rauwe eieren, mosterdsaus en meelsaus, geserveerd op een warm bord. In de » longroom werd dit gerecht uitgebreid met garnituur. Zie Zeeuwse rijsttafel 

Zeven Provinciën. (1) Het vlaggeschip van Michiel de Ruyter, dat de ketting in de Theems bij Chatham stukvoer. (2) Pantserschip waar op 4 februari 1933 een muiterij plaatsvond. Na een protestvergadering van 700 marinemensen in de achterzaal van de sociëteit `Concordia' te Soerabaja, tegen een derde salariskorting van 4%, ontstond een muiterij op het schip. De muiters werden in de Straat Soenda opgewacht door de kruiser Java en de torpedobootjagers Evertsen en Piet Hein. Nadat een Dornier-Wal-vliegboot een bom van 50 kilo op de Zeven Provinciën had afgeworpen, gaven de muiters zich over. Na hun vonnis gingen veel schepelingen in hoger beroep bij het Hoog Militair Gerechtshof te Batavia. (3) Reconstructie van (1), die zal worden gebouwd op de werf van de » Batavia (2), aan de Oostvaardersdijk in Lelystad. (4) Kruiser van de Koninklijke Marine. In 1939 werd de kiel gelegd en pas op 17 december 1953 werd het schip opgeleverd.  

Zever. Waterdoorlatend obstakel in snelstromende rivier, bijvoorbeeld een boom. Levensgevaarlijk, omdat het water wel wordt doorgelaten, maar een kano of drenkeling niet.  

ZHMRS. Zuidhollandse Maatschappij tot Redding van Schipbreukelingen.  

Zicht. Afstand waarop overdag voorwerpen zichtbaar zijn. Hier volgt de internationale schaal voor het zicht op zee:  

Zicht minder dan 50 meter: Zeer dikke mist  
Zicht tussen 50-200 meter: Dikke mist  
Zicht tussen 200-500 meter: Mist  
Zicht tussen 500-1000 meter: Mistig  
Zicht tussen 1-2 kilometer: Nevelig  
Zicht tussen 2-4 kilometer: Slecht zicht  
Zicht tussen 4-10 kilometer: Matig zicht  
Zicht tussen 10-20 kilometer: Vrij goed zicht  
Zicht tussen 20-50 kilometer: Helder zicht  
Zicht meer dan 50 kilometer: Buitengewoon helder zicht  

Bij verminderd zicht is de » chef van de wacht verplicht om maatregelen te nemen ter voorkoming van een aanvaring op zee. Bovendien moet hij de kapitein waarschuwen, een uitkijk plaatsen, een roerganger op de brug laten komen (in drukke vaarwaters onmiddellijk overgaan op handbesturing), de navigatielichten ontsteken en de radar in gebruik stellen.  

Ziekenkooi, ziekenboeg. Ruimte aan boord ter verpleging van zieken. Aan boord van elk passagiersschip dient ten minste één ziekenkooi te zijn. Een passagiersschip ingericht voor het vervoer van 50 passagiers of meer dient over een ziekenboeg te beschikken.  

Ziekenpa (m). Verpleger.  

Ziel. » Kern 

Zielescheepje. Model van een scheepje dat door sommige volksstammen aan hun doden werd meegegeven voor de tocht naar het zieleneiland, het rijk der gestorvenen.  

Zijden varen (k). Wanneer kanovaarders allebei aan één kant peddelen om een bocht door te komen.  

Zijdse bom. Ook: visserspink. Voerde grootzeil, stagfok, kluiffok, kleine kluiffok, jaagfok en stormfok. Had een mast, soms ook een klein achtermastje, en een kluifhout. Sommige zijdse bommen werden ook gebruikt voor de koopvaardij.  

Zijlmans Eagle 43. Stalen knikspant motorjacht met zes vaste slaapplaatsen. L.O.A. 13,50 m., breedte 4,25 m., diepgang 1,10 m.  

Zijstagen. Stagen lopend van de mast naar de zijkant van de boot. Ze worden meestal `het want' genoemd. Zie ook Staand want 

Zijzwaard. Elk der twee beweeglijk schilden aan de zijkanten van de boot, die dienen om het » verlijeren tegen te gaan.  

Zilveren vink (m). Officier van de administratie (OVA).  

Zilvervloot. De » konvooien die in de 16e en 17e eeuw het goud, zilver en diamanten uit de mijnen van Zuid-Amerika naar Spanje vervoerden. Op 9 september 1628 slaagde Piet Heyn er bij Cuba als eerste in om deze schepen te bemachtigen. De buit was bijna 12 miljoen gulden en de Westindische Compagnie keerde maar liefst 50% dividend uit.  

Zinken. Toestand waarbij een deel van een vaartuig of het hele vaartuig vol water loopt, niet meer blijft drijven en naar de bodem zinkt. In die volgorde. Dat laatste is doorgaans slechts de bedoeling bij onderzeeërs. Mocht zich zoiets bij een oppervlakteschip voordoen, dan doet men er goed aan het vaartuig tijdig te verlaten en zich van het vaartuig te verwijderen. Een snel zinkend schip kan namelijk een behoorlijke maalstroom veroorzaken, waardoor men mee naar de diepte kan worden gesleurd.  

Zitter. (1) Vulstuk dat legger en inhout verbindt. (2) Oplanger van een hengst of hoogaars, die niet verlengd is door een klos.  

Zn (n). » Azimut 

Z.o. Zeiloppervlak.  

Z.o./w. Zeiloppervlak-waterverplaatsingsratio.  

Zodiakaallicht. Een zeldzame, op het noorderlicht lijkende zwakke, kegelvormige lichtschemering, ter weerszijden van de zon. Komt in het begin van de lente en van de herfst voor zonsopgang en na zonsondergang voor. Zie ook Groene straal 

Zoetwatermatroos (m). Middel tegen zeeziekte. Men neme een forse borrel en drinkt deze in één teug, met dichtgeknepen neus op. Mocht de eerste zoetwatermatroos niet het vereiste effect hebben, probeer dan een tweede, een derde of een vierde om het ongemak te verdrijven. De aanhouder `wint'.  

Zog. » Kielwater 

Zolderschuit. Breed, lang vaartuig met plat, laag dek. Soort dieplader.  

Zollpapier (d). Bewijs van inklaring door de douane.  

Zomerbed. De oppervlakte die bij gewoon hoog zomerwater of gewone vloed door de rivier wordt ingenomen. Zie ook Winterbed 

Zomerdijk. Dijk die alleen het lage water tijdens de zomer kan keren.  

Zomerroef. Houten uitneembare » roef 
. 

De vier Achterhoekse Berkelzompen zijn op dit moment op jaarbasis goed voor 12.500 passagiers. 
Daarvan stappen er zo'n 4000 in Borculo in. 
Foto: George Nusmeijer. Bron: Tubantia.
.
Zomp. Lange bak, als vaartuig vroeger vooral op de Berkel in gebruik. De Overijsselse zomp deed vroeger dienst als vrachtschip. Een aantal vrijwilligers richtten in 1987 de Stichting De Berkelzomp op. Doel van de stichting: herbouw en exploitatie van een Berkelzomp. Ook wordt het vergroten van de mogelijkheden voor de Berkelzomp op de rivier de Berkel 
nagestreefd.  
. 
Zondagsvaarder. Ongeoefende watersporter.  

Zonnetje schieten (n). Het bepalen van de positie van het schip door middel van een » sextant 

Zonshoogte (n). De hoek waaronder de zon wordt gemeten.  

Zonshoogtecorrecties (n). Hieronder vallen: certificaatfout, indexfout, ooghoogte, refractie, parallax en semidiameter.  

Zoöplankton. Kleine diertjes die passief met de stromen meedrijven (niets dierlijks is de mens vreemd...). Zij leven van » fytoplankton en er zijn vele soorten. De Calanus, een roze, transparant diertje dat tot de familie der copepoden behoort, is belangrijk als hoofdvoedsel van de haring en andere vissen, maar ook het grootste zoogdier, de blauwe vinvis, voedt zich met fytoplankton. Zoöplankton is dus een wezenlijke schakel in de voedselketen, waar we enorm zuinig op moeten zijn.  

Zootje (v). (1) Volendammer visgerecht. (2) Verkoopeenheid voor spiering (»0 à 70 stuks). (3) Drie kantjes haring die de bemanning als extraatje krijgt.  

Zorglijn. (1) Lijn van het roerblad naar het dek. (2) Lijntje waarmee de » dol tegen overboord gaan wordt gezekerd, zodat hij ook als hij uitgenomen is aan de boot bevestigd blijft.  

Zoutboek (v). Notitieboek voor zoutverbruik.  

Zoutwaterhoek (m). De hoek in de cafetaria waar de zeer oude matrozen zaten en waar het nogal luidruchtig was.  

Zoutweger (v). » Areometer 

Zugioi. Zie Trireme 

Zuidchinese Zee. Randzee van de Grote Oceaan, omsloten door China, Taiwan, Vietnam, Thailand, Malakka, Kalimantan en de Filippijnen. Er komen regelmatig taifoens (cyclonen) voor.  

Zuidelijke IJszee. Zeegebied rond het Antarctisch continent.  

Zuidequatoriaalstroom. Gaat om de west en wordt opgewekt door de Zuidoostpassaat. Een deel van de stroom buigt ten oosten van Cap Roque om de noord en vormt met de » Noordequatoriaalstroom de » Guyanastroom. De rest stroomt zuidwaarts langs de kust van Brazilië als » Braziliëstroom 

Zuiderlicht. Ook: aurora australis. Spectaculair natuurverschijnsel dat ontstaat als van de zon afkomstige sub-atomaire deeltjes in het magnetisch veld van de aarde terechtkomen. Zie ook Poollicht 

Zuidersoppie. » Zuiderzee 
  
  

Afb. 54. Ontstaan van de Zuiderzee

Zuiderzee. Vroegere binnenzee, inham van de Noordzee. In 1932 afgesloten door de Afsluitdijk. Heet sindsdien IJsselmeer. Grotendeels ingepolderd. Zie ook afb. 54 en » Afsluiting van de Zuiderzee 

Zuiderzeedijk. Brak in de nacht van 13 op 14 januari 1916 bij Zuiderwolde, Uitham en Katwoude door, bij een zware storm. Vrijwel geheel Waterland tot aan de Zaan stond onder water, en verscheidene mensen kwamen daarbij om het leven. Zie ook Watersnoodramp 

Zuiderzeesteunwet. Wet op de steun aan slachtoffers van de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee.  

Zuiderzon. Twaalf uur 's middags.  

Zuidoosterzon. Negen uur 's morgens.  

Zuidtij. Zie Noordtij 

Zuidwal. Met de `Zuidwal' werden vóór de » afsluiting van de Zuiderzee Elburg, Harderwijk en Nijkerk bedoeld.  

Zuidwester. Hoed met brede rand van oliedoek. Valt aan de achterkant over de kraag, zodat het water niet je nek kan inlopen.  

Zuidwesterzon. Drie uur 's middags.  

Zuidwest-moessondrift. Wanneer zich boven Azië een lagedrukgebied bevindt, de Zuidoostpassaat over de evenaar stroomt en op het noordelijk halfrond overgaat in de Zuidwestmoesson, vinden wij benoorden de evenaar de Zuidwest-moessondrift, een stroom om de oost, die tevens met grote bochten de Arabische Zee en de Golf van Bengalen doorloopt. Tussen de Zuidwest-moessondrift en de » Zuidequatoriaalstroom bevindt zich een gebied van variabele stromen.  

Zuidzee-eiland. Willekeurig eiland in de Stille Oceaan.  

Zuidzeevaarder. (1) Schip dat op de Stille Oceaan vaart. (2) Schepeling op zo'n schip.  

Zusterhaken. Dubbele haken die op elkaar passen.  

Zwaaikom. Plaatselijke verbreding van het vaarwater om schepen de gelegenheid te geven om te draaien.  

Zwaanshals. » Lummel 

Zwaard. Driftbeperkingsmiddel, uitgevoerd als midzwaard, als kimzwaard of als zijzwaard. Is draaibaar en intrekbaar door middel van zwaardval en zwaardbout of enkel uittrekbaar steekzwaard. Ook wel uitgevoerd in combinatie met een kleine vin. Zie ook afb. 48 en » Kielmidzwaardconstructie 

Zwaardbeslag. IJzeren beslag om de zijzwaarden.  

Zwaardbolder (v). Zwaar » inhout waar een zijzwaard aan hangt.  

Zwaardbout. Bout door de kop van het zwaard.  

Zwaardbun. Zwaardkast, zwaardkoker.  

Zwaarddop (v). Halfronde klos waar de » zwaardloper door voert.  

Zwaardkast. » Zwaardbun 

Zwaardklamp. » Strijkklamp 

Zwaardknie. » Zwaardbolder 

Zwaardkop. Bovenste, verzwaarde deel van een zijzwaard.  

Zwaardloper. Ook: zwaardval. Voorloper van staaldraad met talie om een zijzwaard te bedienen.  

Zwaardstelbout. Horizontale bout aan dek, waarlangs de zwaardbout verschoven kan worden.  

Zwaardval. » Zwaardloper 

Zwaardvisklasse (m). Type » onderzeeboot, dat wordt ingezet voor verkenning en aanvallende acties.  

Zwaartepunt plank (s). Zie Lateraalpunt 

Zwaartepunt zeil (s). Ook: drukpunt. Alle windkrachten die op het zeil worden uitgeoefend, geconcentreerd in één punt.  

Zwaartouw. Ankertouw.  

Zwaarweerboard (s). Ook: funboard. Surfplank met grote vin, voetbanden en dergelijke, die bedoeld is voor zwaar weer.  

Zwabber. (1) Dweil van kabelgaren of lappen aan een steel gebonden. (2) (m) Ook: zwabbergast. Matroos derde klas.  

Zwampudding (m). Nagerecht, opgediend met schuimsaus.  
  
Zwanehals. » Lummel. Gebogen ijzeren stang aan de giek, ter bevestiging van de giek aan een oog of bus aan de mast. Zie ook afb. 55.  

Zware spier. Laadboom voor zware lasten. Zie Spier 

Zwarte bende. De douane.  

Zwarte koor. De stokers.  

Zwarte vis (v). Vis die buiten de boeken wordt gelaten. Zie ook Visfraude 
  
  

Zwarte Zee (2)

Zwarte Zee. (1) Binnenzee tussen Zuidoost-Europa en Klein-Azië, die door de Bosporus en de Dardanellen met de Middellandse Zee is verbonden. Het getijdenverloop is er praktisch nihil en de enige vis die er veel voorkomt is de steur. (2) Zeesleper.  

Zwartwaalse gaffelaar. Zie Gaffelaar 

Zweedse wacht. Systeem waarbij iemand 's nachts 4 uur en overdag 6 uur » wacht loopt. Is goed te doen met een bemanning van drie personen of meer. Voorbeeld:  

A: 06.00-12.00 22.00-02.00 12.00-18.00 02.00-06.00 18.00-22.00  

B: 12.00-18.00 02.00-06.00 18.00-22.00 06.00-12.00 22.00-02.00  

C: 18.00-22.00 06.00-12.00 22.00-02.00 12.00-18.00 02.00-06.00  

In drie dagen tijd hebben alle drie bemanningsleden 24 uur wacht gelopen, dat is gemiddeld 8 uur per dag. De kortste rustperiode tussen twee wachten is 8 uur, de langste 12 uur. Voor twee personen ziet de Zweedse wacht er als volgt uit: 00.00 - 04.00 uur; 04.00 - 08.00 uur; 08.00 - 13.00 uur; 13.00 - 19.00 uur; 19.00 - 24.00 uur. Met een bemanning van twee personen geef ik echter de voorkeur aan » zes op, zes af, wisselend na een week of na een rustperiode in de haven.  

Zweet. Zie Bakkie zweet 

Zwemmen. Zich door bepaalde geordende bewegingen in het water drijvend houden en voortbewegen. Hoewel ik alle duikbrevetten heb behaald en kan zwemmen als een rat, beschik over geen enkel zwemdiploma. Toen ik vier was viel ik in de gracht en werd ik gered door een kolenboer. Een paar weken later logeerde ik op het Groningse platteland, waar ik een stel knapen van de ambachtsschool vroeg om mij te leren zwemmen. Zij pakten mij bij kop en kont en gooiden me het 1.60 m. diepe water in, terwijl ze riepen: `Aarms en bain'n hinneweer beweeg'n jong!' Nog geen minuut later kon ik zwemmen. Heren, alsnog bedankt.  

Zwemmer. » Drager 

Zwemvest. Persoonlijk reddingsmiddel dat de drager extra drijfvermogen geeft en daardoor het zwemmen gemakkelijker maakt. De drenkeling moet zelf actief bewegen om met het aangezicht boven water te blijven, in tegenstelling tot bij het » Reddingsvest 

Zwemvliezen. Deel van de basisuitrusting van de duiker. Bedoeld om met zo weinig mogelijk kracht zoveel mogelijk stuwing te ontwikkelen.  

Zwichtings. Einden touw die dwarsscheeps in het want zijn aangebracht om bij zware slingering van het schip het rukken van het want of pardoen tegen te gaan.  
  
  

Het waddengebied van het Zwin, bij Cadzand

Zwin. Natuurlijke laagte met geulen of kreken in buitendijkse gronden, die ook bij eb met zeewater is gevuld. Zwinnen zijn door muien met de open zee verbonden. Zie ook Mui

 

A|B|C|D|E|F|G|H|I|J|K|L|M|N|O|P|Q|R|S|T|U|V|W|X|Y|Z
.
.
Email: jackvanderwyk@yahoo.co.uk



























tumblr page counter