| 1.
Bij de kapper
Sinds Ajax in 1967 zowel de landstitel
als de KNVB-beker had gewonnen hoefde Marcus Bruins van zijn ouders niet
meer persé naar de kapper. Al die geweldige voetballers hadden immers
ook lang haar, dus kennelijk was het geaccepteerd. Maar toen Marcus aankondigde
dat hij bij de politie ging solliciteren, zei zijn moeder: “Lieverd, dan
zou ik eerst maar eens een fris koppie gaan halen bij de kapper.”
“Maar mama, dat kan ik altijd toch
nog doen, als ik hoor dat ik ben aangenomen? Stel je voor dat ze me niet
willen hebben, dan heb ik voor niks m’n haar laten knippen!”
“Marcus, je moeder heeft gelijk,” zei
zijn stiefvader. “Als je zo gaat heb je kans dat ze je niet serieus nemen.”
Dus nu zat hij in Amsterdam-West bij
de kapper, tegenover de keurslagerij van zijn ouders. Er waren nog twee
heren vóór hem en om de tijd te doden bladerde hij door de
tijdschriften in de leesportefeuille. De Lach. Een beetje oubollig als
je de Panorama kende, om van de Chick en de Candy maar te zwijgen. Zwart-wit
foto’s van vrouwen in bikini en schuine moppen. Nu begreep hij waarom z’n
stiefvader zo graag naar de kapper ging. Hij glimlachte bij die gedachte,
maar trok zijn gezicht snel weer in de plooi toen hij zag dat de man die
werd geknipt teruglachte in de spiegel. Het zou maar een flikker zijn…
“Als je lekker door de stad wil scheuren
zonder te worden gepakt, moet je politieman worden,” had Erik Vrolijk,
een vriendje van de Mulo die in de buurt woonde, tegen hem gezegd. Erik
zat nu bij de motorbrigade van de Amsterdamse politie en had het daar prima
naar z’n zin, maar Marcus voelde meer voor de recherche, het “echte werk”.
Hij vond zichzelf geen type voor de uniformdienst, hoewel hij begreep dat
hij daar zou moeten beginnen.
“Neem maar plaats, jongeman,” zei de
kapper toen hij aan de beurt was. Terwijl hij een cape om hem drapeerde
en zijn nek volpropte met ruw papier, waardoor Marcus bijna geen lucht
meer kreeg, zei de kapper: “Zo vriend, da’s alweer een paar jaar geleden
zeker hè, sinds jij voor het laatst bij de kapper was?”
“Bijna vijf jaar,” antwoordde Marcus.
Hij kon het niet aanschouwen. Zijn lange
manen werden rücksichtslos gekortwiekt. Dit was erger dan castratie.
Hij dacht aan morgen, wanneer hij zich
moest melden bij het bureau personeelsvoorziening van de gemeentepolitie
aan de Hoofdstraat in Driebergen. Daar moest hij een geneeskundig onderzoek
ondergaan bij de keuringsarts en vervolgens een schriftelijk onderzoek
op algemene ontwikkeling en kennis van de Nederlandse taal bij het bureau
werving. Dit alles zou zo’n drie uur in beslag kunnen nemen. Als hij door
de eerste selectieronde heen kwam zou hij over veertien dagen terug moeten
komen voor mondeling onderzoek, ook weer in Driebergen, te weten een onderhoud
met de wervingscommissie, bestaande uit enkele officieren van de gemeentepolitie,
gevolgd door een sportproef. Daarna zou hij binnen nog eens veertien dagen
horen of hij was aangenomen als aspirant bij de gemeentepolitie Amsterdam.
Of niet…
Marcus had de zekerheid dat hij aan
de toelatingseisen voldeed. Hij had geen strafblad, hij had zonder enige
moeite de Mulo doorlopen en zijn diploma gehaald, en hij was in prima conditie,
omdat hij als amateur bij Ajax voetbalde.
“Kort genoeg?” vroeg de kapper toen
hij Marcus met een spiegel de achterkant van zijn hoofd liet bekijken.
“Ja, dank u wel,” antwoordde Marcus.
Hij zag er niet uit.
“Hé Marcus, wat een lekker rechts
koppie heb jij!” riep een kennis toen hij de straat overstak om naar de
slagerij te gaan. “Moest dat van je vader?”
“Nee joh!” zei Marcus, terwijl hij
zijn weg vervolgde. Niemand wist dat slager Hendriks niet zijn echte vader
was, en Marcus praatte er liever niet over. Hij kon zich zijn echte vader
niet herinneren en zijn moeder had hem verteld dat de man dood was en tijdens
zijn leven niet wilde deugen. Op de lagere school en op de Mulo noemden
de leerlingen en de docenten hem Marcus Hendriks in plaats van Bruins,
een naam die alleen voorkwam op zijn rapporten en op zijn paspoort. Uiteraard
had hij voor de sollicitatie bij de politie zijn officiële naam Bruins
gebruikt.
“Rechts koppie?” Het zou Marcus om het
even zijn. Hij gaf niets om politiek. Hij was geïnteresseerd in voetbal
en gangsterfilms. Zowel in voetbal als in criminaliteit had je twee teams
die elkaar bestreden, en dat was spannend. Marcus was een van de vele mensen
die zich graag aansluiten bij – en identificeren met – het sterkste team,
en als het om voetbal ging was dat Ajax. Voor zover Marcus het kon beoordelen
was de politie de sterkste partij in de wereld van de criminaliteit, dus
daar wilde hij ook graag bij horen, desnoods met een “rechts koppie”.
.
Marcus gromde wat toen zijn moeder
en zijn stiefvader zijn nieuwe kapsel bewonderden. Vervolgens begaf hij
zich naar zijn kamer, op de tweede verdieping van het huis. Hij keek om
zich heen en aanschouwde de smalle, langwerpige ruimte die zijn kamer was
sinds hij het zich kon heugen. Twee meter bij drieënhalf, met een
klein raam op twee meter hoogte, vlak onder het plafond. Als hij naar buiten
wilde kijken moest hij op zijn bureautje gaan staan. Mocht hij worden aangenomen
bij de politie dan zou hij zich een eigen woninkje kunnen veroorloven,
met echte ramen, waardoor je de wereld kon zien.
Op zijn boekenplank zag hij “Ik, Jan
Cremer” staan. Eerste druk. Als elfjarig jochie had hij het boek gekregen
van een neef van hem, en hij had het in één ruk uitgelezen.
En nog eens, en nog eens. Alles wat Jan Cremer had gedaan wilde Marcus
ook doen. Sinds hij Jan Cremer had gelezen verlangde hij naar een avontuurlijk
bestaan en naar lekkere wijven. Zijn eerste masturbaties waren het gevolg
van een enorme geilheid die over hem kwam tijdens het lezen van Cremer.
Daar was dat hoge raam dan wel weer goed voor, want niemand kon hem zien.
Hij had het boek jarenlang verstopt in een doos met lego, want zijn moeder
mocht niet weten dat hij Jan Cremer las. Dergelijke literatuur werd in
huize Hendriks niet geduld.
Soms ging hij ’s avonds na het eten
met een paar vriendjes van de Mulo naar de Wallen, om de hoeren te bekijken
en een glimp op te vangen van pooiers en andere boeven, die in de cafés
zaten te drinken en te gokken. Soms maakten ze ruzie en vochten ze op straat,
maar de politie liet zich nooit zien. Dit was een wereld met eigen waarden
en normen, een gevaarlijke maar fascinerende wereld, op één
vierkante kilometer, te midden van de grote stad Amsterdam. Een wereld
die zich evenzogoed in Hongkong kon bevinden, of in Singapore, Casablanca
of Chicago.
Marcus las de strips van Dick Bos, een
detective met een voorliefde voor Oosterse gevechtsporten, en zo’n detective
wilde Marcus ook worden. Dick Bos was een vijand van de onderwereld en
Jan Cremer leefde op het randje van de illegaliteit, dus dat beet elkaar
een beetje. De waarheid lag waarschijnlijk in het midden.
Wanneer je tussen de middag op de Wallen
kwam zag je een heel andere wereld. De pooiers en gangsters lagen dan nog
in hun bed hun roes uit te slapen, en de vrouwen voelden zich meer op hun
gemak. Hoeren, winkeliers, glazenwassers en orgeldraaiers gingen vriendschappelijk
met elkaar om, met humor, en het was een gezellige buurt. Marcus zou er
best willen werken.
2.
Heidi is de grootste crimineel van Nederland
Toen Marcus was toegelaten tot de politieopleidingschool
moest hij zich als eerste een uniform laten aanmeten bij een speciale kleermaker
in de stad.
De opleiding tot agent bij de gemeentepolitie
duurde een jaar. De nadruk lag op de echte politievakken (wetskennis, strafrecht
en strafvordering, opsporingsleer en het schrijven van processen-verbaal)
en sport. De opleiding viel op te splitsen in vaktechnische opleiding,
lichamelijke vorming en mentale vorming, terwijl er weinig aandacht was
voor sociale vaardigheden en de bestudering van maatschappelijke ontwikkelingen.
Het lesmateriaal bestond voornamelijk uit het 7-delige Leerboek voor de
Politie van Stapel & De Koning, waarvan Marcus niet geïnteresseerd
was in burgerrecht, wegenverkeerswet en staatsrecht, maar des te meer in
opsporingsmethoden, strafrecht en strafvordering.
“Heidi is de grootste crimineel van
Nederland,” placht de docent strafrecht te zeggen. Hij zei dat al twintig
jaar tegen elke nieuwe lichting aspiranten, en al twintig jaar moesten
zijn leerlingen er om lachen. Het grapje had betrekking op het Wetboek
van Strafrecht, waarvan de leerlingen van de politieschool de belangrijkste
artikelen uit het hoofd moesten kunnen opdreunen. Wanneer de docent “diefstal”
zei, moest de aspirant daarop moeiteloos kunnen antwoorden: “Artikel 310
Wetboek van Strafrecht. Hij die enig goed dat geheel of ten dele aan een
ander toebehoort wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen, wordt, als schuldig aan diefstal, gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.”
De meeste artikelen van dit wetboek
begonnen met “Hij die…”.
Marcus behaalde zijn rijbewijs op de
politieschool, zodat hij op zijn 18e verjaardag legaal een auto mocht besturen.
Het internaat was gelegen op het terrein
van de politieschool Noord-Holland aan de Sloterweg in Amsterdam-West,
tien minuten fietsen van Marcus’ huis. Aspirant-agenten van buiten de regio
Amsterdam waren verplicht om in het internaat te wonen en mochten zelfs
in hun vrije tijd in het openbaar alleen in uniform verschijnen. Van overheidswege
kregen alle aspiranten een dienstfiets verstrekt, en zij moesten zich te
allen tijde laten vergezellen door ten minste één collega.
Het publiek was doorgaans niet in staat om het verschil te zien tussen
“echte” agenten en aspiranten, en op deze wijze leerden de aspiranten omgaan
met de reacties van het publiek.
Marcus vond het maar niets, maar hield
zich aan de regels. Met regelmaat nam hij een aantal collega’s mee naar
huis die in het internaat verbleven, omdat het eten van zijn moeder (en
het vlees van zijn stiefvader) aanzienlijk smakelijker was dan het internaatsmenu.
In de loop van het schooljaar kregen
de aspiranten een wapenstok, handboeien, knevelketting en een vuurwapen.
Met name met het vuurwapen moest uitvoerig worden geoefend, niet alleen
schietvaardigheid, maar ook assemblage en onderhoud van het wapen. De meest
vervelende onderdelen van de opleiding vond Marcus het exerceren en het
wachtlopen. Hij wilde rechercheur worden, geen beroepssoldaat.
Discipline, of liever het gebrek daaraan,
bleek Marcus in toenemende mate parten te spelen. Het was niet zo dat hij
altijd ongedisciplineerd was geweest. Als kind kon hij goed omgaan met
de regels die hem werden gesteld, omdat die regels zinvol waren en niet
afwijkend van de regels die andere kinderen kregen opgelegd. Maar op de
politieschool was dat anders. Daar ging men ervan uit dat de domste aspirant
van de klas de maatstaf was van de wijze waarop de klas diende te worden
benaderd, en dat ervoer Marcus als een belediging van zijn intelligentie.
Hij had er spijt van dat hij naar de
Mulo was gegaan in plaats van naar het Amsterdams Lyceum in Oud-Zuid, want
dan had hij nu op de politieacademie gezeten in plaats van op de politieschool.
Dan had hij een veelbelovende carrière als politieofficier voor
de boeg gehad, terwijl hij nu al wist dat hij het nooit verder zou kunnen
schoppen dan brigadier, om hooguit als adjudant de dienst te verlaten.
Hij had er de intelligentie voor, maar hij was zo stom geweest om liever
te gaan voetballen dan te studeren. Het luie leven begon hem op te breken.
Marcus vond de leerstof en het niveau van
zijn mede-aspiranten ver beneden zijn niveau. Hij verveelde zich rot, miste
de uitdaging en had het gevoel dat hij zijn tijd uitzat. Hij kon niet wachten
totdat hij de opleiding had afgerond en aan de slag kon in de echte politiewereld,
waar hij zich kon bewijzen.
Na zijn opleiding aan de politieschool
vond de korpsleiding dat Marcus nog wel wat discipline kon gebruiken, dus
werd hij bij de Mobiele Eenheid ondergebracht. Hij moest daarvoor eerst
een maand naar de ME-opleiding op de voormalige vliegbasis Woensdrecht.
Het Amsterdamse “Parate Peloton” van
de ME, in politiekringen de “parate hap” genoemd, bestond uit jongens die
net van de politieschool kwamen. Het Parate Peloton had twee teams van
elk twintig man, plus kader. Het dienstverband bij de parate hap duurde
vier maanden. Marcus had het gevoel dat hij in het leger zat. Zelfs het
uniform met de kistjes deden aan het leger denken. Hij was betrokken bij
het ontruimen van kraakpanden, en bij de Nieuwmarktrellen op Blauwe Maandag.
Marcus zag met ontzetting hoe traangasschutters van de ME schoten op burgers
die niet wilden dat er een metrolijn onder hun huizen werd aangelegd. Dit
had niets met criminaliteitsbestrijding te maken, hier was hij niet voor
bij de politie gegaan.
Na zijn diensttijd bij de ME mocht hij
stage lopen bij het meest ongeliefde bureau van Amsterdam: bureau Mosplein
in Amsterdam-Noord, dat door de meeste politiemensen “het boerendistrict”
werd genoemd. De jonge agenten die daar waren geplaatst dienden eens per
week een dienst te draaien in bureau Warmoesstraat, in de Rosse Buurt van
Amsterdam, en dit beviel Marcus zo goed dat hij regelmatig diensten ruilde
met collega’s om maar deel te kunnen uitmaken van het deel van de stad
waar het zich allemaal afspeelde: drugshandel, prostitutie, wapenhandel,
straatroof, etc.
Marcus was klaar voor de wereld.
3.
Bureau Warmoesstraat
In 1976 vroeg Marcus Bruins overplaatsing
aan naar district 2, Bureau Warmoesstraat. De aanvraag werd gehonoreerd.
Marcus zag dit als een opstap, want bij het Bureau Warmoesstraat had hij
meer kans om bij de recherche te komen, en de recherche was de enige afdeling
waarin hij op redelijke termijn brigadier zou kunnen worden. Over drie
jaar zou hij hoofdagent zijn, en na vijf jaar als hoofdagent bij de recherche
te hebben gediend zou hij het brigadiersexamen kunnen afleggen. Met een
beetje mazzel zou hij zich in 1984 brigadier kunnen noemen.
In 1976 werd op de Amsterdamse Wallen
de dienst uitgemaakt door de Italiaans-Amerikaanse Genovese familie, onder
de plaatselijke leiding van Federico Cinciarini, die beschermheer was van
Willem Hofman (Zwarte Wimpie, de “Koning van de Amsterdamse Onderwereld”),
door de Chinese triades onder leiding van Eddie Wong, en in die sfeer gedijden
gangs als die van Karel Lauffer, Nelis Willemsen, Roy Lommers en Freddie
Olivier, jonge knapen die zich lieten inspireren door Amerikaanse gangsterfilms.
Aan de andere kant van de wet bewogen zich politiemensen als commissaris
Edwin Bloem, chef Ernstige Delicten en hoofd Narcotica, en John Jacobs,
de “Godfather van de Recherche”. In totaal had de Amsterdamse politie zo’n
2800 mensen in dienst, en was er sprake van ernstige corruptie binnen het
korps.
Marcus Bruins begon te betwijfelen
of hij zich nog wel bij het winnende team bevond.
.
Nederland kende al jaren het zogenaamde
“gedoogbeleid” ten aanzien van drugs, als gevolg waarvan er in het Amsterdamse
Wallengebied openlijk drugs werden verhandeld, met name op de Zeedijk.
1976 was het jaar waarin de Opiumwet werd veranderd en ontstond er voor
de wet een onderscheid tussen soft en harddrugs. Dit leidde tot een verharding
van het politieoptreden ten opzichte van dealers en gebruikers van harddrugs,
en tot verwarring bij veel politieagenten. Veel politiemensen hebben hun
twijfels bij het nut van nieuwe wetten en het duurt altijd een paar jaar
voordat de politieorganisatie adequaat met de wetswijziging kan omgaan.
Marcus en zijn team van Bureau Warmoesstraat vormden daarop geen uitzondering.
Omdat ze de ene drugsgebruiker moesten oppakken en de andere moesten laten
lopen, deden ze maar liever geen moeite.
Bureau Warmoesstraat was een krot, de
naam “politiebureau” niet waardig, en dat in meerdere opzichten. De cellen
stonken en hadden geen toilet. Wanneer arrestanten belden om de arrestantenwacht
te vragen naar het toilet te gaan, kwam die niet opdagen, dus moesten ze
hun behoeften wel in de cel doen. In de smalle gangen en trappen naar de
cellen struikelde menig arrestant die onder invloed was van alcohol en/of
drugs, met alle gevolgen van dien. Daarnaast waren de dienstdoende politiemensen
tamelijk selectief in het vrijlaten van arrestanten. Zo stond een vermogende
Chinese drugsdealer snel weer op straat, terwijl een platzakke junk de
nacht in de cel mocht doorbrengen.
Ook was er geen keuken in Bureau Warmoesstraat.
Om de arrestanten te eten te kunnen geven moest de arrestantenwacht naar
de Chinees. Wanneer het budget per maaltijd werd overschreden, diende de
arrestant zelf bij te betalen. Dus wanneer de arrestant onvermogend was,
moest hij het doen met een kale portie nasi, terwijl de arrestant met een
dikke buidel zoveel kon bestellen als hij wilde. Het resultaat was dat
de dienstdoende politiemensen zich met regelmaat tegoed deden aan de overvloedige
“resten”, waarvoor zij hun weldoeners dankbaar waren. En dat was uiteraard
de bedoeling.
Toen Marcus Bruins op een vrije avond
eens een biertje dronk met Wil Bakker, een oudere collega, en zich terloops
beklaagde over de gang van zaken bij het Bureau Warmoesstraat, vroeg Wil
hem of hij wellicht familie was van Koos Bruins.
“Ja, dat was mijn vader,” antwoordde
Marcus.
“Was?” zei Wil verbaasd. “Heet jouw
moeder Greet?”
“Klopt,” zei Marcus.
“Nou, dan is jouw vader niet dood,
vriend. Ik ken hem al jaren en hij heeft een kroeg bij mij om de hoek,
in de Kinkerbuurt.”
Marcus was verbluft en kon het aanvankelijk
niet geloven. Die avond nog liep hij naar de Kinkerbuurt om zijn vader
te zien. Hij had een paar pilsjes op, maar nog niet genoeg lef om
zichzelf voor te durven stellen. Zijn vader was in het café en Marcus
observeerde hem om een beeld van hem te krijgen. Hij scheen tamelijk populair
te zijn.
De volgende avond keerde hij terug,
vroeg in de avond, toen het vrij rustig was. Zijn vader stond achter de
bar.
“Ik ben Marcus Bruins, zegt je dat
wat?” zei Marcus.
Koos Bruins zweeg enige tijd met zijn
blik op de spoelbak gericht.
“Als je om geld komt, ik heb niks,”
zei Koos.
“Ik wil geen geld,” antwoordde Marcus.
“Ik heb een goede baan, ik heb jouw geld niet nodig.”
“Wat doe je voor de kost?” vroeg Koos.
“Ik ben politieman,” zei Marcus.
Vervolgens ontwikkelde zich gedurende
vier dagen, waarin Marcus zijn vader elke dag bezocht, een band tussen
hen. Maar die werd al gauw verstoord toen Koos hem toevertrouwde dat hij
voor 1200 gulden bekeuringen had uitstaan, en er voetstoots – met een vette
knipoog – van uitging dat Marcus dat wel even kon regelen. Hij maakte het
nog erger door Marcus aan zijn stamgasten voor te stellen als “mijn zoon
de politieman”.
Politiemensen gaan niet graag naar
verjaarspartijtjes of buurtfeestjes, want er is altijd wel iemand die denkt
dat jij iets voor ze kunt regelen, en als je dat weigert ben jij de gebeten
hond. En zodra mensen weten dat jij een politieman bent, dan gaan ze jou
vertellen over al het onrecht dat hen ooit is aangedaan door de politie,
en na een paar drankjes ben jij de verpersoonlijking van dat onrecht. Terwijl
je alleen maar kwam om je te ontspannen. Eigenlijk is een politieman in
zijn vrije tijd altijd in zekere zin “undercover”, om zichzelf te beschermen.
Marcus deed een achtergrondcheck naar
zijn vader en keek of hij ooit gesignaleerd was geweest. Tot zijn ontsteltenis
kwam hij erachter dat Koos een gewelddadige man was, en bovendien vuurwapengevaarlijk.
Dat deed hem besluiten, ook in verband met zijn loopbaan, om onmiddellijk
alle banden met Koos te verbreken.
Marcus realiseerde zich wat voor een
fijne kerel zijn stiefvader was, en op zijn vrije dag nam hij de tijd om
zijn moeder en stiefvader te vertellen dat hij zijn vader had ontmoet.
Marcus’ moeder was tamelijk overstuur, maar zijn stiefvader was blij dat
het gebeurd was. Aan het eind van die middag opperde Marcus’ moeder de
mogelijkheid dat zijn stiefvader Marcus zou wettigen, waardoor hij officieel
de naam Hendriks kreeg en ook de wettige erfgenaam van zijn stiefvader
werd.
Marcus ging er graag mee akkoord. De
week daarop bezochten ze gedrieën een advocaat, die de wettiging regelde,
en nog een week later droeg Marcus Bruins officieel de naam Marcus Hendriks,
de naam van zijn kindertijd. Maar hij besloot zich in het vervolg Marco
te noemen. Nu zijn achternaam was veranderd, kon hij in één
moeite door zijn voornaam aanpassen.
De naamswijziging leverde nogal wat
complicaties op binnen het politieapparaat. De eerste maanden bleef iedereen
hem Bruins noemen. Zijn collega’s en meerderen vonden het maar raar dat
hij zijn naam had gewijzigd, alsof hij een geslachtsverandering had ondergaan
en van Marcus in Marcella was veranderd.
Wanneer hij werd ingeroosterd stond
er na weken nog steeds “M. Bruins” in plaats van “M. Hendriks” op het bord,
en de bank liet weten dat wijziging van de tenaamstelling van zijn bankrekening
een “groot probleem” was. Hij kreeg het advies om met zijn nieuwe identiteitspapieren
een nieuwe bankrekening aan te vragen en de oude op te heffen.
Toen hij het kenteken van zijn auto
wilde wijzigen ontstond er een Kafkaanse toestand op het postkantoor. Met
zijn oude paspoort diende hij het kentekenbewijs over te schrijven van
Marcus Bruins naar Marcus Hendriks, en met zijn nieuwe paspoort kon hij
het vrijwaringsbewijs in ontvangst nemen. De postbeambte verbloosde niet.
Marco Hendriks zag een wereld voor zich
opengaan. In plaats van zijn oude identiteitsbewijzen in te leveren zei
hij dat hij die verloren was. Hij had er de boete graag voor over. Nu had
hij twee geldige paspoorten en twee geldige identiteiten. Dat schiep mogelijkheden,
maar wat hij ook in het buitenland met zijn oude identiteit wilde doen,
diende hij te doen ruimschoots voordat zijn oude paspoort was verlopen.
Hij herinnerde zich dat hij ooit eens was uitgenodigd was door oom Jan
die in Sitges woonde, om bij hem te komen wonen en in Spanje een nieuw
bestaan op te bouwen.
Binnen twee weken verhuisde Marco van
de woning van zijn ouders in West naar een ruime bovenwoning op de Gelderse
Kade, aan de rand van de Rosse Buurt. Nu was hij vrij man.
Als politieman verbonden aan het Bureau
Warmoesstraat leidde hij een eenzaam bestaan. Door de vele corruptieschandalen
had de korpsleiding veel Amsterdamse jongens naar andere districten in
de stad overgeplaatst, zodat de meeste van zijn collega’s “boeren” waren,
gereformeerde jongens uit het noorden des lands, zonder enig gevoel voor
humor en zo star als het maar kon. Amsterdamse politiemensen wisten hoe
ze met Amsterdammers moesten omgaan, maar die boeren hadden geen flauw
benul van het leven in de grote stad en konden een geintje niet waarderen.
Marco’s enige verzetje was de “burgerpot”, een verzameling Amsterdamse
politiemensen van de uniformdienst die regelmatig – bij gebrek aan rechercheurs
– werden ingezet bij bepaalde acties, en dan in burger optraden. Het was
dan bijna alsof hij een echte rechercheur was.
Op een late avond wandelde hij na diensttijd
van het Bureau Warmoesstraat naar huis, en zoals altijd liep hij over het
Oude Kerksplein. Plotseling schrok hij op door een prostituée die
op haar raam klopte. Hij keek haar aan en herkende haar. Zij had die middag
haar auto fout geparkeerd bij de Bijenkorf, en Marco had haar een waarschuwing
gegeven in plaats van haar te bekeuren.
“Hé, politieman, kom je even
een bakje doen?”
Marco’s eerste reactie was om de koffie
af te slaan en zijn weg te vervolgen, maar thuis wachtte hem niets dan
een leeg appartement en zij leek een aardige vrouw, dus hij zei “vooruit”.
Haar naam was Marcia. Zij kwam uit een
gegoede maar verpauperde familie uit het Gooi, en was na haar studie psychologie
in Amsterdam blijven hangen, waar zij uiteindelijk in de prostitutie was
beland. Zij verdiende haar brood, sommige dagen waren beter dan andere,
maar zij werd niet geaccepteerd door de andere prostituées, vanwege
haar afkomst en haar hooghartige houding.
Zij waren beiden, op hun eigen manier,
eenzame mensen inde Rosse Buurt en ondanks het feit dat zij een aantrekkelijke
jonge vrouw was, haalde hij het niet in zijn hoofd om avances van seksuele
aard te maken. Hij was vooral gefascineerd door haar afkomst en intelligentie,
eigenschappen die hij in zijn eigen omgeving niet echt kende. Hij was een
volksjongen, een amateur voetballer die de Mulo had gedaan, een man die
qua levenservaring niet veel te vertellen had en moest rondkomen van een
mager loontje. Zij verdiende soms in één dag net zoveel als
hij in een maand, had de hele wereld gezien, kende een hoop belangrijke
mensen persoonlijk, hetzij vanuit haar familie, hetzij beroepshalve, en
ze was lief en beschaafd.
Al gauw ontwikkelde zich een vriendschappelijke
relatie tussen Marco en Marcia. Hij bezocht haar niet langer in haar hoerenkast
op het Oude Kerksplein, maar ze ontmoetten elkaar regelmatig in een café
op de Nieuwmarkt. Vervolgens, nadat zij een keer bij hem was blijven slapen,
veranderde de vriendschappelijke relatie in een echte relatie, en trok
zij bij hem in zonder de huur van haar eigen flat in de Bijlmer op te zeggen.
Die verhuurde zij onder aan een Ghanees echtpaar.
Marco en Marcia gingen elk weekend uit
op het Rembrandtplein en het Thorbeckeplein, waarbij Marco “vrienden” kreeg
die zich – zonder dat hij zich dat bewust was – bezighielden met illegale
zaken als drugsmokkel en wapenhandel. Op een zaterdagnacht, toen Marcia
en hij allebei te veel hadden gedronken, antwoordde Marcia op de vraag
wat Marco voor de kost deed “hij is rechercheur”. En zo kwam Marco
in de onderwereld aan zijn bijnaam “de rechercheur”, en vervolgens “de
rus”. “Rus” is een Bargoense afkorting van “rechercheur”.
Enkele weken voordat Marcia jarig was,
wilde Marco haar verrassen met een dure ring, die hij nooit van zijn salaris
zou kunnen betalen. Om aan het geld te komen werkte hij door de week als
portier bij de nachtclub die hij en Marcia in het weekend frequenteerden.
Toen Marco de ring liet zien aan een collega, ging die ervan uit dat de
ring gestolen was en deelde hij zijn vermoedens met andere collega’s.
Echte rechercheurs van het Bureau Warmoesstraat
en Bureau Lijnbaansgracht hadden Marco inmiddels in de smiezen en het gevolg
daarvan was dat Marco in juli 1981 op het matje werd geroepen bij inspecteur
John Jacobs van de recherche.
“Marco, jongen, waar zijn wij in godsnaam
mee bezig? Wat zin wij in godsnaam aan het doen?”
Hè hè, het werd tijd.
Eindelijk een collega die hem Marco noemde.
Hij vertelde John Jacobs alles wat
er gebeurd was en verwachtte op staande voet te worden ontslagen. Maar
dat gebeurde niet. In plaats daarvan kreeg hij een strafoverplaatsing naar
Bureau Mosplein in Noord, het “boerendistrict”.
Aldaar gooide Marco de kont tegen de
krib. Hij deed het werk dat van hem werd verwacht, begeleidde jonge agenten,
maar verbrak de relatie met Marcia niet en bleef uitgaan op het Rembrandtplein.
Hij ontwikkelde een voorkeur voor dure cognac en onversneden cocaïne,
maar alleen in zijn vrije tijd. Hij raakte bevriend met Peter van Woerden,
Derek Brand en Kenny Jones, bekende drugdealers in de Amsterdamse onderwereld.
Marco had geen inzicht in Marcia’s financiën
en wilde daar ook niets van weten, maar op een dag vertelde Marcia hem
dat zij elke week dertig procent van haar netto inkomen moest afdragen
aan de Bosniër Asmir Stilic. Marco gebruikte zijn contacten bij de
recherche om erachter te komen wie Asmir Stilic was, en kreeg te horen
dat Stilic werkte voor de grote Joegoslavische gangster Adnan Anovic. Marco
was er niet door geïmponeerd. Hij wist inmiddels dat Adnan Anovic
aan de Hoofdweg in Amsterdam-West woonde en verraste hem met een bezoek,
nadat hij moed had verzameld met een dubbele Hennessy en een snuif coke.
“Hé Freund, wie geht’s?” begroette
Anovic hem nadat twee lijfwachten hem hadden gefouilleerd en zijn dienstwapen
hadden afgenomen. “Machtst du noch wass?”
Het gore lef. Anovic verbleef al jaren
illegaal in Nederland en hield zich grootschalig bezig met de handel in
drugs. Hij werd beschouwd als de leider van de Joegoslavische maffia in
Nederland. En nu benaderde hij een Nederlandse politiefunctionaris alsof
hij een maatje van hem was.
“Ik kom met je praten over jouw mannetje
Asmir Stilic,” zei Marco. “Hij moet mijn vriendin met rust laten.”
“Leg ihn um,” antwoordde Anovic nonchalant,
met een lach op zijn gezicht. “Er ist sowieso nutzlos zu mir.”
“Danke,” zei Marco. Hij kreeg zijn
dienstwapen terug en mocht het appartement verlaten.
“Du sollst Jugoslawisch lernen,” riep
Anovic hem na, om vervolgens in lachen uit te barsten.
Marco stapte in zijn auto en reed naar
het huis van Asmir Stilic in Osdorp. Stilic was in zijn garage en stond
op het punt om in zijn auto te stappen. Marco trok hem aan zijn haar en
klemde zijn hoofd tussen het portier en de deurstijl.
“Groetjes van Marcia,” zei hij. “En
laat haar met rust.”
Stilic maakte zich los uit zijn benarde
positie en werkte Marco met een aantal harde karatetrappen tegen de grond.
“Dat koetje is van mij, loel! Dat lekkere
koetje is altijd van mij! En noe ga ik jouw kop eraf trappen!”
Marco bedacht zich niet en trok zijn
dienstwapen. Hij schoot Stilic door het hoofd en om er zeker van te zijn
dat hij echt dood was schoot hij hem drie maal door het hart. Stilic bloedde
als een rund en stortte neer op de vloer van de garage. Vervolgens liep
Marco zo kalm mogelijk naar zijn auto en reed naar zijn huis aan de Gelderse
Kade, waar Marcia nietsvermoedend op hem wachtte.
Het zag er niet goed voor hem uit.
4.
De Cavalerie
Edwin Bloem kwam uit Bloemendaal, een
deftig dorp bij Haarlem, waar hij bij zijn ouders woonde, die beiden hoogleraar
aan de universiteit waren. Hij had een onbezorgde en gelukkige jeugd en
realiseerde zich al vroeg dat hij een geboren leider was. Edwin studeerde
strafrecht en sociologie voordat hij op leeftijd van 25 jaar werd uitgenodigd
om te komen studeren aan het Instituut voor Hogere Politieofficieren in
Hilversum. Twee jaar later werd hij als inspecteur toegevoegd aan het Bureau
Singel, nabij de Munt in Amsterdam. Nadat hij tot hoofdinspecteur was bevorderd
werd Edwin Bloem overgeplaatst naar het Bureau Warmoesstraat in de Rosse
Buurt. Daar kruiste hij het pad van de Chinese triaden, die de heroïnehandel
controleerden. In die dagen begon de corruptie binnen het Amsterdamse politiekorps
te floreren. Eddie Wong, de Godfather van de Chinese gangsters in Amsterdam,
bood Edwin Bloem eens een half miljoen aan om een oogje dicht te doen.
Welbeschouwd was dit een serieuze omkooppoging en Bloem had dit incident
moeten melden, maar hij koos ervoor om dit niet te doen omdat hij zijn
werkrelatie met Eddie Wong niet wilde verstoren. Die had uiteraard zijn
eigen belangen wanneer het om drugs ging. Het was Eddie die Bloem aan zijn
eerste succes in de drugscene hielp. Dankzij Eddie was Bloem in staat om
6000 kilo heroïne in beslag te nemen en de smokkelaars, een groep
gangsters uit de Rosse Buurt, te arresteren.
Edwin Bloem was een geliefd persoon,
niet alleen bij zijn manschappen, die hij thuis bezocht en bij hen at,
of hen in zijn stamkroeg uitnodigde, maar ook bij de Amsterdamse penoze.
Hoofdinspecteur Bloem was hard maar rechtvaardig, dat wist iedereen.
Toen hij 32 was trouwde hij met Mary,
die hij kende sinds zijn kindertijd, en nodigde hij een aantal gasten uit
de Amsterdamse penoze, met wie hij een goede relatie had, uit om dit heuglijke
feit met hem te vieren. Zijn meerderen, die eveneens waren uitgenodigd,
vonden het geen geslaagde actie van Bloem.
Edwin en Mary hadden een “vrij huwelijk”
en zij lieten elkaar vrij om relaties met anderen te hebben, op voorwaarde
dat zij uiterste discretie betrachtten. Een dergelijke relatie zou nimmer
in de openbaarheid mogen komen. Twee jaar na hun trouwdag werd Mary ernstig
ziek. Zij had multiple sclerose. Binnen drie jaar was ze aan een rolstoel
gekluisterd. In die periode ontmoette Edwin Bloem Anne Derksen, die destijds
burgemeester van Arnhem was. Terwijl Mary van alles op de hoogte was begonnen
Edwin en Anne een relatie, die zij altijd geheim wisten te houden.
In die tijd bestond er in Nederland
niet zoiets als een Criminele Inlichtingen Dienst. Cocaïne was niet
eens op de lijst van illegale drugs geplaatst. De gangsters konden rustig
rondrijden met kilo’s coke in de kofferbak van hun auto, en wanneer de
politie hen aanhield waren de agenten niet bevoegd om de drugs in beslag
te nemen.
De illegale drugs waren ook niet het
echte probleem. De corruptie in het Amsterdamse politiekorps rees de pan
uit en zolang je betaalde kon je met bijna alles wegkomen.
Met al die corruptie om zich heen gaf
hoofdinspecteur Bloem er de voorkeur aan om uitsluitend te werken met politiemensen
die hij persoonlijk kende.
Pas toen de rechtbanken werden geconfronteerd
met heroïneverslaafden en gewelddadige ripdeals begon het Openbaar
Ministerie deze problemen te bestuderen. Het O.M. gaf de Amsterdamse politie
de opdracht een Narcoticabrigade te vormen en gaf expliciet aan dat Edwin
Bloem deze brigade zou moeten leiden.
Het Bureau Warmoesstraat was veel te
klein om een Narcoticabrigade te huisvesten, dus werd bloem overgeplaatst
naar het Hoofdbureau van Politie aan de Elandsgracht, waar hij zijn manschappen
om zich heen verzamelde. Nog voordat ze echt van start gingen vertrokken
Bloem en zijn mannen naar de Verenigde Staten, om alles te leren van de
werkwijze en organisatie van de DEA. Zij raakten daar uitermate enthousiast
en konden niet wachten om terug te gaan naar Amsterdam en de nieuwe methoden
in praktijk te brengen.
De DEA bood assistentie door een aantal
DEA undercover agenten naar Amsterdam te sturen, waar zij een aantal successen
boekten totdat de Amsterdamse penoze achterdochtig werd omdat er bij elke
mislukte drugsdeal minstens één Amerikaan betrokken was geweest.
Edwin Bloem’s Narcoticabrigade kon niet langer afhankelijk zijn van de
“Cavalerie”, hoezeer zij hun professionaliteit ook waardeerden. Amsterdam
had dringend behoefte aan haar eigen undercover agenten.
5.
Kickboksen
De inspecteurs John Jacobs, John Kratt
en Ruud Boeket behoorden tot de dertien mannen van de Amsterdamse recherche
die hoofdinspecteur Edwin Bloem vergezelden op zijn reis naar de Verenigde
Staten om zich de werkwijze en organisatie van de DEA eigen te maken. Zich
niet realiserend dat de Brits-Engelse vertaling van dit woord “beunhazen”
is noemden zij zichzelf “de Cowboys”, en na hun terugkeer in Nederland
kwamen zij regelmatig samen om zaken te bespreken die beter niet op het
hoofdbureau konden worden besproken.
Eén van de onderwerpen die werden
besproken was regels en protocollen. Er bestonden geen richtlijnen ten
aanzien van het inzetten van undercover agenten en in een politiekorps
met zoveel corruptie was geheimhouding uitermate belangrijk. Niemand wist
wat er zich binnen de Narcoticabrigade afspeelde. De rechters en de officieren
van justitie waren niet geïnteresseerd in de wijze waarop een onderzoek
plaatsvond, zo lang de rechercheurs met resultaten op de proppen kwamen.
De politieorganisatie kende in die
tijd nog geen maatschappelijk werkers en psychologen die het politiepersoneel
konden bijstaan wanneer zij hulp nodig hadden, er waren nog geen personeelsfunctionarissen
die konden ingrijpen wanneer er sprake was van deviant gedrag. Wanneer
het gedrag van een politieman uit de hand liep was het meestal al te laat
om er nog iets aan te doen. Clubjes als “de Cowboys” waren min of meer
zelfhulpgroepen, hoewel moet worden gezegd dat zij ook discussieerden over
de manieren waarop het system kon worden omzeild.
John Jacobs trainde bij een sportschool
op de Oudezijds Voorburgwal in Amsterdam, in het hart van de Rosse Buurt.
Bijna iedereen die daar trainde was een gangster, maar zij wisten allemaal
dat John een hoge piet bij de recherche was en dat leek geen probleem te
zijn. John Jacobs reisde naar Japan, trainde bij een sportschool in Tokio,
en was één van de eersten die het kickboksen in Nederland
introduceerde. De Amsterdamse penoze was gek op kickboksen en John Jacobs
werkte zich op tot internationaal scheidsrechter in deze sport.
In navolging van Edwin Bloem was John
van mening dat je boeven alleen met boeven kunt vangen, en hij maakte daarbij
dankbaar gebruik van zijn connecties in de wereld van het kickboksen.
De meeste Amsterdamse politiemensen,
met name die in de lagere functies als agent, hoofdagent en brigadier,
waren opgegroeid in hetzelfde milieu als de jongens van de penoze, in dezelfde
buurt. Zij gingen naar dezelfde scholen, dezelfde kroegen, dezelfde markt,
en wanneer je wilde weten of het veilig was om naar het buitenland te reizen
zonder op het vliegveld te worden aangehouden omdat je nog bekeuringen
had openstaan, kende je altijd wel een politieman die dat even voor je
kon uitzoeken. Je gaf hem een tientje voor de informatie, en dat was het.
Daarmee stopte het echter nooit en veel arrestaties liepen fout af omdat
de verdachten op de hoogte waren van de plannen van de politie.
Uiteraard was de politieleiding op
de hoogte van deze corruptie, maar de enige oplossing waarmee zij op de
proppen kwamen was het aantrekken van jonge agenten van het platteland.
Men beweerde dat die een sterker ontwikkeld gevoel voor autoriteit en rechtschapenheid
hadden dan de Amsterdamse jongens. Maar de jongens van het platteland bleken
totaal ongeschikt om als undercover agent te worden ingezet.
Eén ding wat Inspecteur John
Jacobs had geleerd was dat de Verenigde Staten niet kan worden vergeleken
met Amsterdam. Amerika is een ontzettend groot land en een DEA agent zou
daar jarenlang als undercover agent in een bepaalde stad kunnen werken,
om vervolgens te worden overgeplaatst naar een andere stad in een andere
staat, waar hij de rest van zijn leven veilig en ongestoord zou kunnen
doorbrengen. Waar zou een Amsterdamse undercover agent naartoe moeten gaan
in een klein landje als Nederland? De Amsterdamse penoze was net een dorp:
iedereen kende elkaar. Zelfs de Italiaanse, de Joegoslavische en de Chinese
bendes haalden hun mensen uit de dorpen en steden die zij kenden, en screenden
hen zorgvuldig voordat ze naar Amsterdam konden komen. Je kon niet zomaar
even een Chinese kok van achter zijn fornuis in de Binnenbantammerstraat
wegtrekken om hem in een Chinese bende te laten infiltreren.
Het gevolg van deze beperkingen was
dat de buitenlandse bendes doorgaans met rust werden gelaten, terwijl de
Narcoticabrigade zwaar afhankelijk was van de informatie die zij kregen
van rivaliserende Nederlandse bendes, hetgeen erop neerkwam dat de ene
bende met rust werd gelaten in ruil voor doorslaggevende informatie over
een andere bende. Dat is de reden waarom de Amsterdamse Hell’s Angels jarenlang
in de gelegenheid waren om hun ding te blijven doen, zoals drugshandel
en het omleggen van mensen. Eén van de problemen was dat een hoop
informatie onbetrouwbaar was, en Jacobs had betrouwbare mensen binnen de
bendes nodig om het waarheidsgehalte van de informatie te kunnen controleren.
Een ander probleem was: hoe kom je aan betrouwbare mensen binnen criminele
organisaties en vooral: hoe zorg je ervoor dat ze betrouwbaar blijven?
Toen hoofdinspecteur Edwin Bloem werd
bevorderd tot commissaris, werd hij de eerste baas van de onlangs opgerichte
Criminele Inlichtingen Dienst (CID), die ook functioneerde als de plaatselijke
afdeling van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD). John Jacobs werd
bevorderd tot hoofdinspecteur en benoemd tot hoofd van de afdeling Narcotica.
Bloem en Jacobs verschilden nogal van mening over de kwestie “War on Drugs”:
Bloem vond dat je alle drugs moest legaliseren, terwijl Jacobs ervan overtuigd
was dat de “War on Drugs” met de juiste middelen door de politie kon worden
gewonnen. Dat was de voornaamste reden waarom Bloem zich niet zoveel met
John Jacobs bemoeide. Hij wilde de misdaad bestrijden, de echte misdaad,
niet de maatschappelijke verschijnselen die vandaag illegaal zijn en morgen,
vanwege politieke ontwikkelingen, volkomen legaal.
Nu Edwin Bloem zich met belangrijker
zaken ging bezighouden en hij niet langer iemand had die over zijn schouder
mee keek, had John Jacobs alle vrijheid in de wereld om zijn eigen DEA,
een Amsterdamse DEA, van de grond af op te bouwen, en niemand kon hem ervan
weerhouden om er iets goeds van te maken.
En dan was er nog het praktisch probleem
van Marcus Bruins, Marco Hendriks, of hoe de sukkel zich ook mocht noemen.
Asmar Stilic was vermoord aangetroffen in zijn garage in Osdorp en in de
Amsterdamse penoze ging al het gerucht dat Marco een appeltje met Stilic
te schillen had, vanwege het feit dat Stilic zijn vriendin afperste. Daarbij
kwam dat de kogels afkomstig waren uit een dienstwapen van de politie.
John Jacobs had zijn “speciale team”
op de zaak gezet, hetgeen betekende dat alle onderzoeksresultaten bespreekbaar
waren, en konden worden aangepast aan het beleid. Het beleid was dat dit
een “afrekening binnen het criminele milieu” was en dat de dader(s) inmiddels
al lang weer waren teruggekeerd in Belgrado.
Dat er binnen de Amsterdamse penoze
werd gesproken over de rol van Marco Hendriks kwam John Jacobs alleen maar
goed uit. Het paste perfect in het plan.
De “echt belangrijke zaak” waar commissaris
Bloem op hoopte, liet niet lang op zich wachten. Op 9 november 1983 werden
biermagnaat Boris Bentholt en zijn chauffeur ontvoerd. De ontvoerders eisten
en kregen 35 miljoen gulden. De ontvoering bleek te zijn gepleegd door
de bende van Karel Lauffer en Nelis Willemsen. Lauffer en Willemsen konden
ontsnappen, maar de overige daders werden na een anonieme tip gearresteerd.
6.
De vijand slaapt niet
Marcia was in opperbeste stemming. Ze
had op de radio gehoord dat Asmar S. was vermoord en dat het een afrekening
in het criminele milieu betrof.
“Is er wat, lieverd? Je bent zo stil,”
zei ze tegen Marco.
“Nee, niks,” zei Marco. “Ik heb over
een uur een bespreking met hoofdinspecteur Jacobs.”
“Waar gaat het over?” vroeg Marcia.
“Geen idee,” antwoordde Marco. “We
zien wel.”
Toen hij met lood in de schoenen het
hoofdbureau aan de Elandsgracht betrad had hij het gevoel dat iedereen
hem met argusogen bekeek. Hij begaf zich naar het deel van het gebouw waar
Narcotica zich comfortabel had genesteld en klopte op de deur van de baas.
“Binnen!” riep John Jacobs.
“Ik zal beginnen met het slechte nieuws,”
zei Jacobs vrolijk, nadat ze beiden plaats hadden genomen in een leren
fauteuil. “Jij neemt formeel ontslag.”
“Jezus!” verzuchtte Marco.
“We kunnen niet anders, Marco. Ik heb
hemel en aarde bewogen om te voorkomen dat er een strafrechtelijk onderzoek
naar jouw doen en laten wordt gestart. We weten dat je Stilic hebt omgelegd.
Ik wil niet weten wat er gebeurd is, maar je moet formeel ontslag nemen.”
“Nou leuk,” zei Marco teleurgesteld.
“En wat gaat er nu gebeuren? Geef ik jou mijn dienstwapen en mijn politiepasje?”
“Je kijkt te veel films,” antwoordde
John Jacobs. “Daar hebben we bij de politie procedures voor. Je hebt een
opzegtermijn en je schrijft een brief waarin je je ontslag aanbiedt. In
de tussentijd blijf je gewoon je werk doen. Op de laatste dag van je dienstverband
bij de politie lever je je spullen in, en dat is het.”
Marco voelde de grond onder zich wegzakken.
“Ben je niet benieuwd naar het goede
nieuws?” vroeg Jacobs.
“Ik heb grootse plannen met je,” zei
Jacobs nadat Marco zich enigszins had hersteld. “Maar je mag er met niemand
over praten, zelfs niet met je ouders of met Marcia.”
Marco knikte.
“Jij gaat infiltreren in het criminele
milieu, met name in de Joegoslavische maffia. Ik heb begrepen dat je al
een aantal contacten hebt gelegd en dat je geen onbekend gezicht meer bent
in dat wereldje.”
Marco knikte weer.
“Even een vraagje,” zei hij. “Waarom
kan ik niet formeel in dienst blijven bij de politie?”
“Marco, jongen, begrijp dat nu toch!
De vijand slaapt niet! De hele politieorganisatie is zo corrupt als de
pest. De vijand hoeft maar één mannetje op de personeelsadministratie
of de salarisadministratie te hebben en ze weten wat er aan de hand is.
We kunnen geen enkel risico nemen. Het gaat toevallig wel om jouw veiligheid,
weet je wel? Om jouw leven. En zodra je je taak hebt volbracht word je
volledig opnieuw geïnstalleerd, met behoud van rang en anciënniteit.”
“Hoe lang gaat die taak duren?” vroeg
Marco.
“Waarschijnlijk een aantal jaren,”
antwoordde Jacobs.
“Ik weet het niet,” zei Marco. “Ik
moet erover nadenken.”
“Dat mag,” zei Jacobs pissig, “maar
schrijf intussen wel die ontslagbrief.”
“Ik heb er geen zin meer in!” riep hij
tegen Marcia toen hij weer thuis was. “Ik neem ontslag!”
“Wat is er gebeurd?” vroeg Marcia.
“Ach, niks, gezeik. Als ik blijf zit
ik tot m’n pensioen achter een bureau op het Mosplein. Daar voel ik weinig
voor. Ik ga m’n ontslagbrief schrijven.”
“Zou je dat nu wel doen, Marco? Wil
je er niet even over nadenken?”
“Nee, ik heb m’n besluit genomen. Ik
ga iets anders doen.”
Per 1 april 1984 werd het ontslag geëffectueerd.
Op vrijdag 27 april bezocht Marco zijn ouders en at hij bij hen, waarna
hij zich te voet naar discotheek West-End in de Jan Evertsenstraat begaf,
waar hij had afgesproken met zijn maatje Derek Brand, die net weer vrij
was uit de gevangenis. Derek had enige tijd daarvoor twee politie-uniformen
van Marco gebruikt voor een paar ripdeals, maar één ripdeal,
in Rotterdam, mislukte, en Derek zag zich genoodzaakt de twee dealers die
verhaal wilden halen neer te schieten. Ze hadden het beiden overleefd.
Marco dronk wat met Derek en de sfeer
was relaxt. Totdat er op een gegeven moment twee dealers op hen afkwamen
die Derek even wilden “spreken”.
“Ik handel dit wel even af,” zei Derek.
“Ik ben zo terug.”
Marco vertrouwde het zaakje niet toen
Derek naar de uitgang liep en de twee mannen hem volgden. Hij liep hen
achterna, opende de deur en zag dat de twee mannen in de hal hun pistolen
in Derek’s keel drukten en hem bedreigden. Marco bedacht zich niet en schoot
hen beiden in de benen, waarna hij hun wapens afnam. Zo had hij het geleerd
bij de politie: je maakt ze onschadelijk, en pas als dat niet lukt schiet
je ze dood.
Inmiddels had het personeel van de discotheek
de politie gebeld. Marco werd gearresteerd en afgevoerd naar het Bureau
Elandsgracht. De inhoud van zijn zakken werd in beslag genomen, hij moest
zijn broekriem en schoenveters inleveren, en hij werd in een passantencel
geplaatst. Hij kende de routine. Dit had hij zo zelf zo vaak gedaan.
Marco voelde zich verslagen en vernederd,
maar tegelijkertijd was hij blij dat hij zijn maatje’s leven had gered.
Tijdens het verhoor wachtte hij tevergeefs
op de komst van hoofdinspecteur Jacobs, maar die liet zich niet zien. Even
overwoog hij om de rechercheurs te vertellen dat hij undercover was en
dat de actie nodig was geweest om Derek Brand niet achterdochtig te laten
worden, maar hij liet die optie snel varen. Hij wilde John Jacobs niet
in verlegenheid brengen.
Marco werd veroordeeld tot vijftien
maanden gevangenisstraf, waarvan negen maanden voorwaardelijk.
Toen John Jacobs het nieuws hoorde,
wreef hij zich in zijn handen. “Ha, kat in ’t bakkie!” dacht hij. “Nu is
hij waar ik ‘m hebben wil. Nu is hij gemotiveerd.”
7.
Gedetineerd
In Rusland heb je speciale gevangenissen
voor ex-politiemensen, rechters en officieren van justitie die de fout
zijn ingegaan, maar in Nederland bestaat zoiets niet, dus moest Marco Hendriks
zijn tijd uitzitten in een gewone gevangenis, waar de meeste gevangenen
doorgaans niet dol zijn op politiemensen.
Maar Marco was een uitzondering. Binnen
een paar uur nadat hij van het Huis van Bewaring was overgebracht naar
de gevangenis wisten de gevangenen dat Marco de beste vriend was van Derek
Brand en dat hij twee dealers had neergeschoten om zijn maatje te verdedigen.
De gevangenen noemden hem zoals men hem in de Amsterdamse onderwereld noemde:
“de rus”. Dat was inmiddels zijn geuzennaam geworden.
Tijdens de zitting van het hoger beroep
bezocht hoofdinspecteur John Jacobs hem in het gerechtsgebouw, terwijl
hij in gesprek was met zijn advocaat, Bennie Frei.
“Ik zou graag tien minuten met uw cliënt
willen spreken,” zei Jacobs.
Frei keek Marco aan. Marco knikte.
Frei verliet het vertrek.
“Geen zorgen, deze kamer heeft geen
afluisterapparatuur,” zei Jacobs tegen Marco.
“Hoe gaat het met je?” vroeg hij.
Marco zuchtte. “Ik heb geen baan meer,
ik zit in de gevangenis, hoe denk je dat ik me voel?”
“Ik begrijp wat je moet doormaken,
Marco, maar laat me je uitleggen wat er aan de hand is. Wij willen de Amsterdamse
penoze laten geloven dat jij niet langer bij de politie werkt, wij willen
hen laten geloven dat jij één van hen bent. De enige manier
waarop we dat geloofwaardig kunnen maken is door jou je tijd te laten uitzitten.
Het is niet anders. In de gevangenis kun je je netwerken opbouwen en ik
wil dat je Joegoslavisch gaat leren, zodat je kunt verstaan wat die gasten
onder elkaar zeggen. Met een beetje goede wil word jij de beste undercover
agent die we ooit hebben gehad.”
“Waarom focussen jullie je op de Joegoslaven?”
vroeg Marco.
“Omdat we in de Joegoslavische maffia
willen infiltreren,” zei Jacobs. “De Joegoslavische maffia is een van de
grootste georganiseerde bendes die Amsterdam ooit heeft gekend. Ze zijn
buitengewoon gewelddadig en hun personele reserve is schier onuitputtelijk.”
“Dus ik moet Joegoslavisch gaan leren,”
zei Marco cynisch. “Anders nog iets?”
“Ja, je gaat beste maatjes worden met
Milos Patanic, maar overdrijf het niet. Laat hem jou benaderen, in plaats
van jij hem.”
“Wie is Milos Patanic nu weer?”
“Milos Patanic is de persoonlijke bodyguard
van Adnan Anovic, de Godfather van de Joegoslavische maffia in Amsterdam.
Patanic zit tien maanden uit voor het neerschieten van een ripper.”
“Ik ken hem,” zei Marco. “En als ik
iets te vertellen heb, hoe benader ik jullie dan?”
“Als je ons iets te vertellen hebt
neem je contact op met je reclasseringsambtenaar, Rob de Rue. Je kunt volledig
open kaart met hem spelen. Hij werkt voor ons.”
Ondanks het feit dat de rechtbank Marco’s
verzoek om vrijspraak of strafvermindering niet in overweging nam, voelde
hij zich veel beter toen hij naar de gevangenis werd teruggebracht. Hij
zou John Jacobs wel eens laten zien dat hij de beste undercover agent was
die zij ooit hadden gehad!
Marco leerde Joegoslavisch uit een
boek en een serie cassettes, en hij oefende zijn nieuwe taalkundige vaardigheden
met Joegoslavische gevangenen, die het allemaal wel amusant vonden en bereid
waren om hem ”echt Servisch” te leren, in plaats van het Servo-Kroatisch
van de cassettes.
Op een dag, toen Marco in de sportzaal
van de gevangenis aan het trainen was, werd hij benaderd door een grote
Joegoslaaf, die hem vertelde hoe hij de gewichten het best kon gebruiken.
Hij bleek Milos Patanic te zijn, Adnan Anovic’ bodyguard. Marco hoefde
Patanic niets over zichzelf te vertellen, want Patanic was volkomen op
de hoogte wie hij was.
“Mag ik je bedanken voor het omleggen
van die klootzak Asmir Stilic?” grijnsde Patanic. “Ook namens mijn baas?”
Een week later werd Marco ernstig gemolesteerd
door een paar gasten uit Rotterdam, die hem een “vuile tyfuswout” noemden.
Na deze gewelddadige gebeurtenis veranderde Marco’s leven in de gevangenis
ingrijpend. De gasten uit Rotterdam warden doodgestoken door vier Joegoslavische
gevangenen die nooit gepakt werden, en Marco werd altijd vergezeld door
Joegoslavische gevangenen wanneer hij zich niet in zijn cel bevond. Voor
iedere medegevangene, en zelfs voor gangsters ver daarbuiten, was het duidelijk
dat Marco Hendriks deel uitmaakte van de Joegoslavische maffia. En met
hen viel niet te spotten.
Hoofdinspecteur John Jacobs nam de telefoon
op. Zijn collega Ruud Boeket was aan de lijn. “De Rotterdamse jongens hebben
hun werk gedaan, met het verwachte resultaat. Helaas zijn zij niet meer
onder ons.”
“Ach gut,” zei Jacobs.
8.
De Joegoslavische maffia
Ten gevolge van de Joegoslavische burgeroorlog
steeg de Joegoslavische bevolking in Nederland tot ongeveer 25.000, waarvan
5.000 illegale immigranten waren. De politie had lang nodig voordat men
zich realiseerde dat veel Joegoslavische criminelen uitstekend georganiseerd
waren. Hun criminele activiteiten begonnen met het zogenaamde “balletje-balletje”,
een truc met drie bekers en een balletje die op straat werd gespeeld, en
breidden zich uit tot liquidaties in opdracht van Nederlandse bendes, autodiefstal,
drugsmokkel, handel in vuurwapens, prostitutie, etc. De meeste Joegoslavische
bendes waren regionaal georiënteerd; de grootste bendes opereerden
in Amsterdam, Rotterdam/Den Haag, en Groningen.
De Amsterdamse bende van de Joegoslavische
maffia was de machtigste organisatie, die werd geleid door Adnan Anovic,
de Godfather van de Joegoslavische maffia in Nederland. Zijn tweede man
was Luka Pukanic, eveneens afkomstig uit Belgrado, en zij waren berucht
om hun “hit-and-run” liquidaties. Wanneer zij iemand dood wilden, bestelden
ze gewoon een paar moordenaars uit Belgrado, die met een retourticket het
vliegtuig naar Amsterdam namen, hun opdracht uitvoerden en nog dezelfde
dag naar Belgrado terugvlogen.
Tijdens een bijeenkomst van de “Cowboys”
bespraken hoofdinspecteur John Jacobs en commissaris Edwin Bloem de Joegoslavische
maffia met hun collega’s.
“Laten we man en paard noemen,” zei
Bloem, “momenteel worden wij in Amsterdam geconfronteerd met drie grote
criminele organisaties: de Joegoslavische maffia, de Denkers en Delta.
Dit is een enorm probleem dat we met legale middelen niet kunnen bestrijden;
althans niet met de middelen en de budgetten die ons zijn toebedeeld.”
“De Joegoslavische maffia wordt geleid
door Adnan Anovic, de Denkers door Roy Lommers en Freddie Olivier, en Delta
wordt geleid door Paul de Wit,” zei John Jacobs. “Dus wanneer we succesvol
willen zijn, dienen we tenminste twee van deze drie organisaties uit te
schakelen. Met andere woorden: welke organisatie laten we met rust?”
Sommige van de aanwezige rechercheurs
waren van mening dat de Denkers de kleinste groep van de drie bendes waren,
dus dat die het eerst moesten worden geëlimineerd. Anderen konden
de nodige sympathie opbrengen voor Paul de Wit, dus vonden zij dat hij
mocht blijven.
“Denk aan waarschijnlijkheid en succes,
jongens,” zei John Jacobs.
“De Denkers zijn niets zonder Lommers
en Olivier, en Delta is niets zonder De Wit,” zei Bloem. “Dus zonder hen
zal het heel snel gedaan zijn met hun organisaties.”
“De Joegoslavische maffia daarentegen,”
vervolgde Jacobs, “is veel minder afhankelijk van een charismatisch leider
als Anovic. Zij opereren als paramilitaire organisaties. Zodra een commandant
het loodje legt wordt er een andere commandant benoemd.”
“In dit geval Luka Pukanic,” zei Bloem.
“En na hem iemand anders, en weer iemand
anders,” zei Jacobs. “Er komt geen eind aan.”
“John, jij bent een schaker. Wat zijn
jouw volgende zetten?”
“Tja, wanneer we besluiten om onze
inspanningen ten aanzien van de Joego’s tot een minimum te beperken, en
er tevens zorg voor willen dragen om het aantal slachtoffers zo klein mogelijk
te houden omdat we geen belang hebben bij nog meer gezichtsverlies, dan
denk ik dat de Joego’s wel een steuntje in de rug kunnen gebruiken,” zei
Jacobs.
“Strategie?” vroeg Bloem.
“Okay,” zei Jacobs. “Zelfs wanneer
Paul de Wit en Lommers en Olivier in de bak zitten, zullen zij hun organisaties
vanuit de gevangenis kunnen besturen, dus dat is geen oplossing. Zij moeten
worden geliquideerd, uiteraard niet door ons, en we moeten de daders kunnen
arresteren, wie zij ook zijn, maar daar houdt het op.”
“Maar dan hebben we een insider nodig,”
zei Bloem.
“Die hebben we al,” zei Jacobs. “Hij
warmt zich op.”
Na de bijeenkomst praatten Bloem en
Jacobs nog even na, onder het genot van een sigaar en een glas Bourbon.
“Niet om het een of ander, en bespaar
me de details, maar wat voor een figuur is die insider van jou?” vroeg
Bloem.
“Hij is een van ons,” antwoordde Jacobs.
“Een politieman?” vroeg Bloem.
“Inderdaad,” zei Jacobs. “En geloof
me, meer wil je echt niet weten.”
Omdat Milos Patanic nog een maand moest
uitzitten, kon de Joegoslavische maffiabaas Adnan Anovic wel een goede
bodyguard gebruiken, dus toen Marco Hendriks na negen maanden uit de gevangenis
werd ontslagen lagen er een baan en een vuurwapen op hem te wachten.
9.
De insider
In de gevangenis had men hem wel cocaïne
aangeboden, en had hij die altijd beleefd maar beslist afgewezen, maar
nu hij deel uitmaakte van de Joegoslavische maffia, waar zoveel cocaïne
in omloop was en zoveel mensen het gebruikten, met name ‘s avonds, was
het veel moeilijker om van het spul af te blijven. Men zegt wel dat er
niet zoiets als “cocaïneverslaving” bestaat, maar Marco Hendriks wist
uit eigen ervaring dat dit een mythe was. Nu hij in een bekend café
zat, naast een vent die zijn dealer placht te zijn, wetend dat die coke
bij zich had, had hij het er uitermate moeilijk mee. Marco zweette en was
misselijk. Hij haastte zich naar het toilet om over te geven, hetgeen het
alleen maar erger maakte omdat hij in deze ruimte zijn coke placht te snuiven,
en niet te weinig. Hij zag het voor zich.
Marco haastte zich terug naar de bar
en bestelde nog een dubbele cognac; Hennessy zoals gewoonlijk. Alweer een
verslaving waar hij één dezer dagen eens goed over moest
nadenken. Hij zou het onderwerp aanroeren wanneer hij met Rob de Rue sprak,
zijn reclasseringsambtenaar, die voor hoofdinspecteur John Jacobs werkte.
Rob de Rue was een geschikte peer. Hij
was een echte, officiële reclasseringsambtenaar, dus het viel niet
op als Marco contact met hem had. Er werden voortdurend telefoons afgetapt,
niet alleen door de politie maar ook door de onderwereld, die beschikte
over kostbare en de meest geavanceerde apparatuur om telefoons en ruimten
aft e luisteren, om erachter te komen waar hun vijanden mee bezig waren
en of zij afluisterapparatuur hadden verstopt. De onderwereld had ook insiders
in de politieorganisatie, corrupte politiemensen die gevoelige informatie
doorspeelden. Tijdens een inval bij het hoofdkwartier van de Hell's Angels
vond de politie een A-viertje met de volgende tekst: “Praat niet over serieuze
dingen. Deze ruimte wordt afgeluisterd.”
Rob de Rue had onbeperkte toegang tot
gevangenen en arrestanten, hetgeen hem perfect maakte als intermediair
tussen politiemensen en hun undercover agenten of informanten, dus telkens
wanneer hoofdinspecteur Jacobs informatie van Marco Hendriks nodig had,
of wanneer Marco iets aan Jacobs wilde toevertrouwen, namen zij contact
op met Rob de Rue. Rob was geen boodschappenjongen; hij was in feite Marco’s
handler, en waarschijnlijk ook de handler van andere undercover agenten.
Ook hij was in het bezit van een apparaat waarmee afluisterapparatuur kon
worden gedetecteerd, en het was illegaal om gesprekken tussen een reclasseringsambtenaar
(of een advocaat) en zijn cliënt af te luisteren, tenzij één
van beide partijen van het afluisteren op de hoogte was en er toestemming
voor had gegeven. Dus wanneer Rob erachter kwam dat een spreekkamer werd
afgeluisterd, had hij de bevoegdheid om het afluisterapparaat onbruikbaar
te maken of een niet-afgeluisterde ruimte te eisen.
Omdat hij als undercover agent binnen
de Joegoslavische maffia opereerde, als persoonlijke lijfwacht van Adnan
Anovic, had Marco Hendriks volgens John Jacobs formeel de bevoegdheid om
criminele handelingen te plegen, zolang die nodig waren voor zijn karakter
en globaal de goedkeuring konden wegdragen van zijn directe meerdere (Jacobs)
en een team van speciale officieren van justitie. Deze buitengewone bevoegdheid
sloot het verwonden en zelfs doden van criminelen niet uit, dus in feite
had Marco een “license to kill”. De regels en richtlijnen zeiden dat enig
geld verkregen door undercover activiteiten “direct en onverwijld” in de
staatskas moest vloeien, maar er werd niets vermeld over goederen als auto’s,
TV’s, huizen of drugs, dus werd Marco geadviseerd om zoveel mogelijk betaling
te ontvangen in goederen. Het feit dat hij sommige goederen verkocht en
het geld in eigen zak stak, kwam niet onder de aandacht van zijn superieuren,
en Marco kreeg sterk de indruk dat het hen geen bal kon schelen. Hoofdinspecteur
John Jacobs vroeg nooit naar dergelijke details.
Jacobs kwam erachter dat de functiebeschrijving
van de persoonlijke bodyguard van het hoofd van de Joegoslavische maffia
zich niet beperkt tot het beschermen van de baas. De bodyguard kan ook
worden opgedragen om iemand te vermoorden en zich van het lijk te ontdoen,
of iemand “waarschuwen”door hem flink in elkaar te slaan, zelfs in afwezigheid
van de baas. Marco Hendriks voldeed aan al deze eisen en Jacobs had daar
geen problemen mee, omdat Marco anders zijn geloofwaardigheid zou verliezen,
met alle gevolgen van dien. De enige die er wel moeite mee leek te hebben
was Rob de Rue, maar zowel Marco als Jacobs zeiden dat hij zich niet druk
moest maken. Marco's eerste moord in opdracht was een Joego uit Groningen,
die weigerde Anovic’ aandeel in de prostitutiebusiness te betalen. Marco
schoot hem twee keer in het hart, maar kreeg direct op zijn kop van Anovic,
die zei: “Ins Gesicht, verdammt noch mal! Ins Gesicht!”
Hoofdinspecteur John Jacobs wilde dat
Marco zich zou bevrienden met Luka Pukanic, de tweede man van de Joegoslavische
maffia in Amsterdam, omdat die Anovic t.z.t. zou opvolgen. Marco begreep
waarom sommige van zijn collega’s Jacobs “de Schaker” noemden: hij dacht
altijd een aantal zetten vooruit.
Eén van de eerste opdrachten
die Marco namens Anovic moest uitvoeren was het smokkelen van 205 vuurwapens
van Duitsland naar Nederland. Terwijl Marco op de weg terug in Duitsland
onderweg was naar grens, kwam hoofdinspecteur Jacobs erachter dat de Nederlandse
douane en marechaussee bezig waren met een gigantische operatie, en dat
de kans heel groot was dat Marco zou worden gepakt met de vuurwapens. Met
de commandant van deze belangrijke operatie bellen en tegen hem zeggen
dat ze Marco’s Mercedes moesten doorlaten was geen optie, want je kon niemand
vertrouwen. Ook bestond de kans dat Marco’s auto werd gevolgd door de Joego’s.
Wanneer zij zouden zien dat Marco’s auto als enige met rust zou worden
gelaten, zouden ze met zekerheid vermoeden dat er iets goed fout zat. Marco
laten arresteren was ook geen optie, daarvoor was hij te waardevol. Wat
kon hij doen?
John Jacobs moest een aantal belangrijke
mensen uit hun bed bellen, maar uiteindelijk werd de gehele operatie van
de marechaussee en de douane voortijdig beëindigd, een half uur voordat
Marco ongestoord en zich niet bewust van de gebeurtenissen de grens passeerde.
Marco Hendriks uit de moeilijkheden
houden was relatief gemakkelijk in de regio Amsterdam, waar superrechercheur
Jacobs vele ijzers in het vuur had om Marco’s strafbare feiten te kunnen
verdoezelen, maar buiten zijn jurisdictie was het een bijna onmogelijke
taak om zoiets te doen zonder het gevaar te lopen dat de hele operatie
werd opgeblazen.
10.
Een collega undercover agent
In ruwe lijnen had de Amsterdamse politie
twee methoden om zendingen drugs ongemoeid te laten: de Prisma methode,
waarbij kleinere zendingen hun bestemmingen bereikten om de smokkelaars
genoeg vertrouwen te geven om steeds grotere hoeveelheden te verzenden,
en de Delta methode, waarbij undercover agenten de kans kregen om de criminele
organisatie waarvoor zij “werkten” te bewijzen dat zij betrouwbaar waren
en loyaal ten opzichte van die organisatie.
Om die reden is het geenszins toeval
dat de machtigste en meest gewelddadige drugsbende van Nederland in politieke
kringen “Delta” werd genoemd. Hoofdinspecteur John Jacobs recruteerde een
Chileense gangster met de naam Carlos Ramirez om deze organisatie te infiltreren,
met dezelfde methode als hij had gebruikt bij Marco Hendriks en Adnan Anovic:
hij liet de man een misdrijf plegen, waardoor hij in de gevangenis belandde,
waar hij vriendschap moest sluiten met de gangster (of één
van diens naaste medewerkers), waarna de gangster zijn nieuwe vertrouweling
zou inhuren als persoonlijke bodyguard.
Carlos Ramirez was een moddervette
clown, zo gek als een deur, maar buitengewoon gevaarlijk. Behalve de “Cowboys”
en de personeelsadministratie van de politie wist niemand waar hoofdinspecteur
Jacobs woonde, maar toen hij probeerde om Carlos Ramirez “geintjes te flikken”,
vond Jacobs’ dochter de volgende dag haar lievelingskonijn dood in zijn
hok, door het hart geschoten met een 9 mm kogel. Nu zou Jacobs daarop hebben
kunnen reageren door Ramirez te dreigen eerst zijn ballen te doorzeven
en daarna zijn hersens, maar hij wist dat Ramirez niets om zijn eigen leven
gaf, dus kondigde Jacobs aan dat hij het eerstvolgende vliegtuig naar Valparaiso
zou nemen om Ramirez’ moeder het leven zuur te maken. Dat had effect –
eindelijk een politieman die dezelfde taal sprak als hij – en vanaf dat
moment waren ze “maatjes”.
Dus stal Carlos Ramirez 30 kilo cocaïne
van een landgenoot in Amsterdam, alleen maar om hem af te zeiken, en schoot
de man vervolgens dood bij een haringkar toen hij verhaal wilde halen.
Uiteraard schreeuwde deze actie om wraak, dus toen een lid van de Chileense
bende probeerde om Ramirez te liquideren, liquideerde Ramirez hem, en dit
verhaal herhaalde zich twee keer.
Ramirez werd eerst in de gevangenis
van Scheveningen ondergebracht, waar hij bevriend raakte met Nelis Willemsen,
één van de ontvoerders van biermagnaat Boris Bentholt, en
toen naar de Amsterdamse Bijlmerbajes, waarin hij bevriend raakte met Paul
de Wit, het hoofd van Delta, de meest gevreesde criminele organisatie die
Nederland ooit heeft gekend.
Paul de Wit kwam van gegoede huize.
Zijn vader was eigenaar van een frisdrankenfabriek en gaf zijn zoon de
beste opleiding die er was, maar zoonlief gaf er de voorkeur aan om op
de middelbare school drugs te verkopen, zodat hij van school werd getrapt,
waarna hij besloot een nieuw leven te beginnen in Amsterdam, eerst als
drugsdealer, vervolgens als bedeleider. Hij was zeer bedreven in het opzetten
en managen van criminele organisaties. Hij breidde zijn organisatie uit
tot de grenzen van het maximaal haalbare, in al haar facetten, met inbegrip
van het gebruik van corrupte politiemensen, officieren van justitie, rechters
en politici. En toen hij te dicht bij het koningshuis kwam wist de Amsterdamse
politie dat De Wit dood moest, op welke wijze dan ook.
Zo ontstond Operatie Delta. Paul de
Wit moest dood, maar wie zou hem vermoorden? Schaker John Jacobs had Carlos
Ramirez in gedachten, omdat hij een goede relatie met De Wit had, maar
nog altijd trouw aan Jacobs, maar Ramirez eiste een veilige aftocht en
wilde voor geen geld terug naar de bajes. Voor geen geld. Dat was een complicatie,
want hij wist veel. Te veel.
Hoofdinspecteur John Jacobs had een
probleem met commissaris Edwin Bloem, een man die hij bewonderde, maar
die een obstakel vormde wanneer hij Operatie Delta wilde laten slagen.
Jacobs wist heel goed hoe je je verloste van obstakels, maar Bloem, de
oprichter van de “Cowboys”, was een heel ander verhaal. Bloem was te integer,
te veel een fatsoenlijke ouderwetse diender om hem als een rat van kant
te kunnen maken. Dus moest Jacobs een manier vinden om Bloem weg te promoveren,
hetgeen een probleem op zich was omdat Edwin Bloem ten onrechte werd geassocieerd
met omkoping: de half miljoen die Eddie Wong hem ooit had aangeboden.
John Jacobs moest een manier vinden
om zichzelf tot hoofd van de CID te laten promoveren, of Bloem te laten
promoveren tot hoofdcommissaris, hetgeen eveneens zou betekenen dat hij
vrij spel had. .
Het politieke klimaat was niet rijp
voor veranderingen, maar de verkiezingen kwamen eraan. De ministers die
verantwoordelijk waren voor de politie waren de minister van Justitie en
de minister van Binnenlandse Zaken, en tijdens een bijeenkomst van de “Cowboys”
suggereerde Jacobs dat Bloem’s maîtresse Anne Derksen, nu nog burgemeester
van Arnhem, een perfecte minister van Justitie in een nieuw kabinet zou
zijn, waarschijnlijk een coalitie van de Partij van de Arbeid en het CDA.
Edwin Bloem nam dit advies ter harte, sprak erover met Anne, die onmiddellijk
enthousiast was en in het openbaar begon te praten over de noodzakelijke
veranderingen binnen het ministerie van Justitie. Anne Derksen wist de
partijleiding van de PvdA ervan te overtuigen dat zij de beste minister
van Justitie zou zijn die men zich zou kunnen wensen. Restte Jacobs met
de vraag wie de volgende minister van Binnenlandse Zaken zou kunnen worden.
Het was hem duidelijk dat die post naar de andere coalitiepartij zou gaan.
Jacobs zag geen mogelijkheden om het CDA nog vóór de verkiezingen
te beïnvloeden.
Zoals voorspeld werd de coalitie van
de Partij van de Arbeid en het CDA een feit, en Anne Derksen werd minister
van Justitie. Het CDA koos Karel Botermans als minister van Binnenlandse
Zaken. Botermans was een geboren politicus, uitermate gewiekst, maar had
wat PR problemen. Dat schiep mogelijkheden voor Jacobs.
Binnen twee maanden werd Edwin Bloem
benoemd tot hoofd van het Bureau Lijnbaansgracht, zowaar geen kattenpis,
terwijl hoofdinspecteur John Jacobs werd benoemd tot hoofd van de CID.
Operatie Delta kon van start gaan.
Jacobs vond Marco Hendriks niet overtuigend
genoeg als gangster. Hij moest verharden, meer op zijn hoede worden, zich
minder gedragen als een politieman. Voor dat doel gaf hij Carlos Ramirez
de opdracht Marco’s maatje Derek Brand te vermoorden. Dat zou hem zeker
de juiste richting in sturen.
De moord paste prima in het straatje
van Ramirez, die wist dat Derek Brand zijn baas, Paul de Wit, in het gezicht
had geslagen en dat De Wit wraak op wraak zinde. Die wilde echter eerst
zijn geld terug van Brand, want Derek had een container met hasj van hem
leeggehaald. Hij stuurde Eddie Tulp naar Brand met de boodschap dat hij
alles moest teruggeven, omdat hij anders zou worden omgelegd. Maar Derek
lachte Tulp recht in zijn gezicht uit en zei dat De Wit kon doodvallen.
Ramirez kon vervolgens zijn gang gaan; hij kreeg carte blanche van De Wit.
Op 6 oktober 1989 werd Derek Brand
op straat, voor zijn woning, doorzeefd met kogels, terwijl hij in zijn
auto zat. De auto zag eruit als een vergiet. Dit was zeker niet de verjaardag
waarop hij had gehoopt.
Marco was er kapot van. Hij verdacht
Kenny Jones ervan de opdracht tot de moord te hebben gegeven, maar in de
Amsterdamse onderwereld ging het gerucht, verspreid door Kenny Jones, dat
juist Marco Hendriks zijn maatje Brand had vermoord. En dat kwam zijn naam
en geloofwaardigheid als gangster ten goede, zoals Jacobs had gepland.
Met Marco Hendriks viel niet te spotten.
11.
Er moet wat gebeuren
Voor hoofdinspecteur John Jacobs, hoofd
van de CID, was het duidelijk dat de Delta-bende en de Joegoslavische maffia
perfect naast elkaar konden bestaan, zonder enig probleem, maar dat was
de bedoeling niet. De bedoeling was dat de Joego’s de Nederlandse gangsters
zouden liquideren, waarna de politie zou kunnen zeggen dat er in Nederland
geen georganiseerde misdaad bestond.
Dus gaf Jacobs Carlos Ramirez opdracht
om de Denkers, geleid door Freddie Olivier en Roy Lommers, te vertellen
dat de Joego’s een gemakkelijk doelwit waren. Dus verkochten Olivier en
Lommers de Joego’s 50 kilo heroïne, waarvan 1 kilo echt was en 49
kilo uit zelfrijzend bakmeel bestond. Adnan Anovic, die zich liet adviseren
door zijn bodyguard Marco Hendriks, die op zijn beurt in opdracht van Jacobs
werkte, dacht dat Olivier en Lommers deel uitmaakten van Paul de Wit's
Delta gang, terwijl Carlos Ramirez, Paul de Wit's bodyguard, die ook voor
Jacobs werkte, zijn baas vertelde dat de Joego’s het op hem hadden gemunt.
Toen De Wit dat niet wilde geloven werd op 28 september 1990 de Londenaar
Ray Petersen, die sinds zes jaar het hoofd was van De Wit’s afdeling drugs,
vermoord in het American hotel in Amsterdam.
Geheel volgens plan begaf Adnan Anovic
zich naar Paul de Wit om zijn geld van de ripdeal terug te eisen, terwijl
Paul de Wit, begrijpelijk, zei dat hij er niets mee te maken had en dat
Anovic zich met zijn eigen zaken moest bemoeien.
Niemand streek Paul de Wit tegen de
haren in, en al helemaal niet nadat hij met zijn bodyguard Carlos Ramirez
had gesproken. Dit betekende dat Anovic, ook vanwege de liquidatie van
Ray Petersen, dood moest en dat Carlos Ramirez die opdracht moest uitvoeren.
Nadat hij de kwestie met John Jacobs
had doorgesproken en Jacobs hem een foto van Anovic had gegeven, zodat
hij niet de verkeerde man neerschoot, begaf Carlos Ramirez zich op 27 oktober
1990 naar de woning van Adnan Anovic, wachtte hij op straat totdat Anovic
op de tweede verdieping voor het raam ging staan om te telefoneren, en
richtte hij zijn Glock 17 op Anovic. Hij vuurde twee dodelijke schoten
af. “Ins Gesicht,” zoals Jacobs had gezegd.
De volgende ochtend verklaarde hoofdinspecteur
John Jacobs op de televisie dat Anovic was vermoord door onbekende Nederlandse
gangsters. Freddie Olivier en Roy Lommers zochten een veilig heenkomen,
omdat ze vreesden dat de Joego’s hen zouden vermoorden. Uiteindelijk lieten
ze zichzelf arresteren met een auto vol wapens, omdat ze dachten dat de
gevangenis de enige plaats was waar ze veilig zouden zijn.
Het wachten was op een reactie van de
Joego’s, maar die bleef uit.
“Er gebeurt niets!” riep Jacobs tegen
zijn teamleden. “Er is geen dynamiek! Er moet iets gebeuren!”
Hij nam contact op met Rob de Rue en
vroeg hem contact op te nemen met Marco Hendriks. Jacobs wilde weten wat
de Joego’s van plan waren.
Na de dood van zijn baas was Marco geen
lijfwacht meer. Marcia was pas bevallen van een prachtige dochter, Suzanne,
dus hij zat veel thuis, verschoonde luiers, deed boodschappen, en keek
televisie. Hij maakte nog wel deel uit van de Joegoslavische maffia en
verrichtte hand en spandiensten voor de nieuwe baas, Luka Pukanic. Pukanic
had na de dood van Adnan Anovic een paar belangrijke wijzigingen in de
Joegoslavische maffia doorgevoerd. Eén daarvan was dat hij de tussenpersonen
in de cocaïnehandel had uitgeschakeld en de cocaïne rechtstreeks
betrok van producenten in Colombia, hetgeen hem de bijnaam “Koning van
de Cocaïne” opleverde.
Marco begon steeds meer cocaïne
te gebruiken. Hij had het niet meer onder controle. Thuis probeerde hij
zich in te houden, ook vanwege Suzanne, maar in de kroeg liep het regelmatig
uit de hand. Hij maakte ruzie met zijn beste vrienden, Derek Brand en Peter
van Woerden. Met name Peter had veel problemen met Marco’s cokegebruik
en hij sprak hem daar regelmatig op aan, hetgeen Marco woest maakte. Waar
bemoeide die lul zich mee?
Pukanic vertrouwde Marco Hendriks niet
echt, maar omdat Marco de enige Nederlander in de Joegoslavische maffia
was, kon hij hem niet goed controleren. Dus haalde Pukanic zijn Nederlandse
zwager Bertje Zuidland in de organisatie, als boekhouder, zodat die Marco
een beetje in het oog kon houden.
Pukanic wilde Marco testen. “Als je
echt bij ons hoort vermoord je Paul de Wit voor mij,” zei hij tegen Marco.
“Geen probleem,” antwoordde Marco.
Hoofdinspecteur John Jacobs steunde
het plan volledig, maar hij kon de liquidatie van Paul de Wit niet goedkeuren
zonder toestemming van Franciscus Arvidi, advocaat-generaal van het Openbaar
Ministerie in Amsterdam. Mr. Arvidi was eveneens een schaker en stond doorgaans
pal achter Jacobs, maar de liquidatie van de grootste bendeleider van Nederland
was een zaak die tot in de kleinste details moest worden voorbereid. Een
complicatie was het feit dat het in 1990 opgerichte Interregionale Recherche
Team (IRT) ook belangstelling voor De Wit had. Het IRT kon Jacobs wel schieten,
want toen zij bij de Belastingdienst het dossier van De Wit wilden opvragen,
bleek dat hele dikke dossier plotseling spoorloos te zijn verdwenen, en
pas later kwamen zij erachter dat het dossier bij John Jacobs in een la
lag. In de opvatting van het IRT had Jacobs veel te veel macht.
Zonder het groene licht van Arvidi
af te wachten liet Jacobs Marco via Rob de Rue weten dat hij Paul de Wit
mocht omleggen, maar dat hij nog even geduld moest hebben omdat dit een
belangrijke operatie was.
12.
Het einde van Paul de Wit
Club Juliana’s op de hoek van de Breitnerstraat
en de Apollolaan in Amsterdam-Zuid, ook wel “barretje Hilton” genoemd omdat
het zich onder het Hilton hotel bevond, was het nachtelijke trefpunt van
de Amsterdamse jetset en de Amsterdamse penoze. Het was een besloten club.
Er kwamen vooraanstaande zakenlieden, vastgoedmagnaten, scheepvaart- en
havenbaronnen, gangsters, maar ook politici, artiesten en… politieofficieren
als John Jacobs en Edwin Bloem, die een “gezellig babbeltje” onder het
genot van een drankje met bendeleiders als Paul de Wit niet uit de weg
gingen. Dat was de reden waarom het observatieteam van de CID van Jacobs
en de tactische recherche de expliciete opdracht kregen het terras van
de Club Juliana’s en de directe omgeving daarvan niet langer af te luisteren
met richtmicrofoons.
Het is donderdag 27 juni 1991, vlak
na middernacht, als twee bodyguards van Paul de Wit nonchalant Club Juliana’s
betreden om te controleren of het veilig is om hun baas te laten binnenkomen.
Het is nog rustig in de bar. In een hoek zitten twee onbekende vrouwen
met elkaar te praten. De bodyguards gaan weer naar buiten om Paul de Wit
te halen, die met nog twee bodyguards in de auto zit. Ten gevolge van overmatig
cokegebruik is de bendeleider al een paar jaar uitermate paranoïde.
Carlos Ramirez, De Wit’s persoonlijke bodyguard die altijd bij hem is,
is deze avond verhinderd vanwege maagklachten.
Nadat Paul de Wit en zijn bodyguards
zich hebben gezeteld komt zijn zakenpartner en vriendin Minnie Eckhart
binnen, die De Wit hartelijk begroet, hoewel zij een zakelijk conflict
hebben. Minnie wil namelijk uit de drugshandel stappen en eist een “gouden
handdruk”, maar De Wit vindt dat ze daar geen recht op heeft en dat ze
teveel geld vraagt.
Paul de Wit zegt dat hij een afspraak
heeft met drugshandelaars Chris Verdonk en Kenny Jones, die met hem willen
samenwerken, en Minnie gaat ergens anders zitten.
Even later komen twee rechercheurs
van het team van John Jacobs binnen, die Paul de Wit al de hele avond hebben
gevolgd omdat Jacobs hen heeft verteld dat hij vermoedt dat De Wit het
wil aanpappen met een vrouwelijke politiefunctionaris. Zij zijn die nacht
in heel Amsterdam de enige rechercheurs met piketdienst, en dat is heel
uitzonderlijk.
Tijdens het gesprek met Verdonk en Jones
wordt nogal wat gedronken en begint Paul de Wit zich te ontspannen. Hij
voelt zich niet bedreigd en op een gegeven moment zegt hij tegen zijn bodyguards:
“Jongens, ga maar naar huis, dit kan nog wel even duren.”
“Weet je het zeker, Paul?” vraagt een
van de bodyguards.
De Wit raakt geïrriteerd want
hij wenst dat zijn bevelen onmiddellijk worden opgevolgd. “Doe nou gewoon
wat ik zeg, lul, dan leef je langer.”
De bodyguards verlaten de bar en Minnie
Eckhart volgt hen naar buiten. “Jongens, waar gaan jullie naartoe?” vraagt
ze.
“Paul heeft ons naar huis gestuurd,”
zegt een bodyguard.
“Ja, maar dat kun je niet doen, hoor!”
protesteert Minnie. “Dat is veel te gevaarlijk voor Paul!”
“Lieverd, je weet toch hoe Paul is?”
antwoordt de bodyguard.
Minnie weet het; het heeft geen zin
om tegen de wil van de grote baas in te gaan.
Om half twee ’s nachts is het gesprek
tussen Paul de Wit en Chris Verdonk en Kenny Jones beëindigd. Verdonk
heeft zijn zin niet gekregen en voelt zich zwaar beledigd. Hij vertrekt
onmiddellijk. Kenny Jones heeft tijdens het gesprek vrouwelijk schoon in
de bar ontdekt en loopt naar de vrouwen toe om kennis te maken.
De twee rechercheurs, die Jacobs op
de hoogte hebben gebracht van het feit dat Paul de Wit zich uitstekend
vermaakt in Club Juliana’s, worden onverwacht afgelost door twee collega’s.
Marco Hendriks kan het thuis niet meer
uithouden en rijdt in zijn groene VW Golf naar Club Juliana’s. In de auto
neemt hij eerst nog een flinke snuif coke. Als hij binnen komt ziet
hij Paul de Wit zitten, en daarom houdt hij flink afstand. Hij ziet een
ex-collega van de politie en heeft een kort gesprek met hem, over koetjes
en kalfjes. Marco bestelt een dubbele Hennessy, alhoewel hij het liefst
direct rechtsomkeert had gemaakt. Maar dat zou gezichtsverlies betekenen.
Paul de Wit is flink aangeschoten en
onder de invloed van coke, en zit zich op te fokken. Waarom negeert die
gast hem? Wie denkt hij wel dat hij is?
“Hé, Joego-neuker, denk je dat
ik bang voor je ben omdat je rechercheur bent geweest?” roept hij opeens
naar Marco. Er zijn dan al twintig minuten voorbij gegaan waarin De Wit
niets anders heeft gedaan dan hem wazig aanstaren.
“Val dood, zak,” antwoordt Marco geërgerd.
“Laat me met rust.”
“Hoezo klootzak?” roept De Wit. “Niemand
noemt mij klootzak!”
“Ik zei geen klootzak, ik zei val dood,
zak,” zei Marco.
“Dood??? Dood???” roept De Wit, “als
ik dat wil dan zijn jouw vrouw en jouw kindje NU dood! Liggen ze met een
doorgesneden keel in bed als jij straks thuis komt! Weet wel tegen wie
je het hebt, vriend!”
En dan slaan bij Marco de stoppen door.
Hij loopt naar Paul de Wit toe, grijpt hem bij de kladden en sist: “Ik
laat mijn vrouw en kind niet bedreigen! Kom maar mee naar buiten!”
Paul de Wit kijkt hulpeloos om zich
heen, maar de aanwezigen in de bar draaien zich om. Zij willen zich afzijdig
houden. Je kunt je maar beter niet bemoeien met een conflict tussen gangsters.
“Nou kom dan, laat eens zien wat voor
een vent je bent zonder je bodyguards,” dringt Marco aan.
Paul de Wit staat met moeite op en
wankelt achter Marco aan naar buiten. Die heeft ‘m zelf ook al flink zitten.
Op de Apollolaan is het doodstil. Het
is kwart voor vier ’s nachts. Paul de Wit kan zich niet staande houden
en Marco trekt hem overeind aan de revers van zijn Armani pak. Het liefst
zou hij De Wit een kogel door de kop jagen, maar dat mag niet van John
Jacobs. Nog niet.
Paul de Wit is doodsbenauwd. “Laat
me alsjeblieft leven!” zegt hij tegen Marco.
Marco spuugt De Wit in het gezicht.
“Ik walg van je!” zegt hij.
Dan laat hij De Wit los. Die laat zich
op de grond vallen.
Marco loopt naar zijn auto en rijdt
naar huis, waar hij om tien over vier arriveert.
De twee rechercheurs van het team van
John Jacobs zijn de vechtersbazen naar buiten gevolgd. Nadat Marco Hendriks
is weggereden houden ze Paul de Wit nog even in de gaten. Ook kijken ze
zorgvuldig of ze worden geobserveerd. Op de parkeerplaats van het Hilton
hotel staat een auto met twee inzittenden. Een van de rechercheurs wenkt
naar de mannen in de auto. De rechercheurs gaan weer naar binnen. De mannen
stappen uit de auto en lopen naar Paul de Wit, die probeert overeind te
krabbelen. Wanneer De Wit de mannen ziet, probeert hij zijn pistool te
pakken, maar bedenkt zich wanneer hij de mannen herkent. “Sorry, foutje,”
zegt hij. Eén van de mannen trekt ook zijn pistool, een Smith &
Wesson 9mm, en schiet Paul de Wit van dichtbij dood, met één
kogel in de borst en nog eens drie door het hoofd.
“Ins Gesicht,” zoals John Jacobs had
gezegd.
Tien minuten later zijn er vier surveillancewagens
ter plaatse en wordt de plaats delict afgezet. Het begint licht te worden.
Hoofdinspecteur Jacobs zelf is om zes
uur die ochtend aanwezig op het plaats delict. Het levensloze lichaam van
Paul de Wit ligt dan nog steeds op het trottoir van de Apollolaan. “Ik
heb wel een idee wie de dader is,” zei hij tegen een collega.
13.
“Ex-politieman verdacht van moord op Paul de Wit”
“Godverdomme! Godverdomme nog aan toe!”
riep Marco Hendriks uit toen Marcia hem de volgende ochtend vertelde dat
Paul de Wit die nacht was vermoord.
Een uur later kreeg hij telefoon van
hoofdinspecteur John Jacobs, en dat was vreemd, want die nam altijd contact
op via Rob de Rue.
“Marco, kun je over een half uurtje
naar het HB komen? Ik heb iets met je te bespreken,” vroeg Jacobs.
“Moet ik me zorgen maken,” vroeg Marcia
toen hij zich haastte om naar de Elandsgracht te gaan.
“Welnee,” antwoordde Marco. “Ik ben
zo weer thuis.”
“Ik word verwacht door hoofdinspecteur
Jacobs,” zei hij tegen de man achter de balie van het Hoofdbureau van Politie
aan de Elandsgracht.
“Wacht u hier maar even. U wordt zo
gehaald.”
Even later liep John Jacobs hem tegemoet
en begroette hij Marco joviaal.
“Volg mij maar,” zei hij tegen Marco.
“Hé, gaan we niet naar jouw
afdeling?” vroeg Marco toen ze over de gang liepen.
“Nee, ik moet eerst hier even zijn,”
zei Jacobs.
Op de afdeling moordzaken stonden ze
vreemd te kijken toen John Jacobs zo maar met de verdachte van de moord
op Paul de Wit kwam binnenlopen.
“Heren, hij is helemaal voor jullie,”
zei Jacobs. “Marco, de mazzel.”
“Er zijn getuigen dat jij bonje had
met Paul de Wit en dat jullie samen naar buiten zijn gegaan. Da’s dus kat
in ’t bakkie!” zei de verhorende rechercheur triomfantelijk, na een urenlang
verhoor.
“Ik heb het al tien keer gezegd: ik
heb Paul de Wit niet vermoord. Ik heb ‘m in de bek gespuugd en ik ben naar
huis gegaan! Jullie zeggen dat hij om kwart over vier is vermoord, maar
toen lag ik al lang en breed in bed!” zei Marco.
“Lam en breed zal je bedoelen,” zei
de rechercheur. “Jammer voor jou Marco, maar getuigenverklaringen spreken
jouw verklaring tegen.”
‘Welke getuigen? Er waren geen getuigen!”
riep Marco.
“Er zijn getuigen die hebben verklaard
dat jij op of omstreeks 04.15 uur aanwezig was op de Apollolaan,” zei de
rechercheur. “Als je na de schermutseling op straat gewoon weer naar binnen
was gegaan om je rekening te betalen, had je nu een alibi gehad. Zoals
de zaken nu staan ben je de enige verdachte. Je bent hierbij aangehouden
en je wordt ingesloten. Helaas, het is niet anders.”
Hoofdinspecteur John Jacobs was er onmiddellijk
van uitgegaan dat Marco Hendriks de dader van de aanslag was. Hij dacht
dat Marco zijn geduld niet had kunnen bewaren en impulsief had geschoten.
Had Marco nu maar gewoon gewacht totdat hij, Jacobs, de aanslag had voorbereid,
dan was er niets aan de hand geweest, maar nu hij voor zijn beurt had geschoten
gaf hij er blijk van dat hij onbetrouwbaar was als undercover agent, dus
moest hij van het toneel verdwijnen. Met Jacobs viel niet te spotten.
Omdat zijn afdeling niet direct betrokken
was bij de zaak, moest hij de processen-verbaal en de getuigenverhoren
overlaten aan de rechercheurs van moordzaken. Die leken er echter in toenemende
mate van overtuigd te zijn dat hun ex-collega Marco onschuldig was en gingen
creatief om met het interpreteren van de feiten en vermoedens. Dus zorgde
Jacobs ervoor dat de processen-verbaal snel werden herschreven en dat er
maar één conclusie kon zijn: Marco Hendriks had Paul de Wit
vermoord.
Tijdens zijn voorarrest gedroeg Marco
zich als een voorbeeldige gevangene. Tijdens de verhoren bleef hij ontkennen
dat hij iets met de moord op Paul de Wit te maken had. Bijna vier maanden
later vond de zitting plaats. De rechtbank verklaarde het Openbaar Ministerie
echter niet ontvankelijk, omdat er geen enkel bewijs was dat Marco Hendriks
Paul de Wit had vermoord en omdat de politie en het O.M. vanaf het eerste
moment vooringenomen te werk waren gegaan.
Marco werd onmiddellijk in vrijheid
gesteld. Het Openbaar Ministerie beraadde zich om in beroep te gaan, maar
dan moest er wel een getuige komen…
Carlos Ramirez, de persoonlijke bodyguard
van de vermoorde bendeleider Paul de Wit, ontving een half miljoen voor
zijn “hulp bij het opsporen van twee gestolen schilderijen, een Frans Hals
en een Jacob van Ruijsdaal. Met dit geld vertrok hij halsoverkop naar zijn
vaderland Chili, waar hem een goed leven wachtte.
Op woensdag 3 juli 1991 werd Paul de
Wit in besloten kring begraven.
Luka Pukanic ontving Marco met open
armen. “Welkom thuis!” zei hij. In de Joegoslavische maffia werd Marco
beschouwd als “een echte vent”, omdat hij niet bang was iemand overhoop
te schieten die hem het leven zuur maakte. Marco sprak – letterlijk – hun
taal. Hij hoorde bij hen. Met John Jacobs wilde Marco niets meer te maken
hebben. Die had hem zo gigantisch laten zakken, daar waren geen woorden
voor.
Marco’s maatje Peter van Woerden begon
hem meer en meer te ontlopen, vanwege Marco’s cokegebruik en toenemende
onvoorspelbaarheid, en was inmiddels beste maatjes geworden met drugshandelaar
Kenny Jones. Eddie Tulp, voormalige lijfwacht van Paul de Wit, had een
partij drugs van Jones gestolen en Jones wilde wraak nemen met de hulp
van Peter.
Op dinsdag 17 maart 1992 vond er in
de woning van Kenny Jones een bijeenkomst plaats waarin werd gesproken
over de liquidatie van Eddie Tulp, die alleen maar uitgevoerd kon worden
door de Joegoslavische maffia. Omdat Kenny Jones geen Joegoslavisch sprak
vonden de onderhandelingen namens Luka Pukanic plaats met diens zwager
Bertje Zuidland en Marco Hendriks.
Marco had een gloeiende hekel aan Kenny
Jones omdat die zijn maatje Peter van Woerden had ingepalmd, maar realiseerde
zich ook dat Peter een volwassen man was die verantwoordelijk was voor
zijn eigen keuzes. Toen ze het eens waren over de wijze waarop Eddie Tulp
moest worden geliquideerd en de prijs die Jones daarvoor moest betalen,
zei Jones tegen Marco: “Je gaat Eddie toch niet zelf omleggen, hè?”
“Hoezo?” vroeg Marco.
“Nou, van Peter heb ik gehoord dat
jij niet van de coke kunt afblijven, dus eh…”
“Wat lult die klootzak over mij!” barstte
Marco uit. “Laat ‘ie zich met z’n eigen zaken bemoeien! Ik maak ‘m helemaal
dood!”
Toen Marco vervolgens van diverse mensen
hoorde dat Peter van Woerden niet discreet omging met het verkondigen van
zijn mening over Marco’s cokegebruik, vond hij het tijd worden om eens
een hartig woordje met Peter te praten.
Kenny Jones wist Bertje Zuidland ervan
te overtuigen dat Peter van Woerden moest worden gewaarschuwd dat Marco
Hendriks hem dood wilde hebben, maar toen zij drie dagen later, op vrijdag
20 maart 1992, bij Peter op bezoek gingen om hem op de hoogte te brengen,
wilde die er niets van weten. “Jij kent Marco helemaal niet,” zei Peter.
“Dat doet hij niet.”
Jones en Zuidland vertrokken weer.
Diezelfde avond bracht Marco een bezoek
aan Peter van Woerden en confronteerde hij hem. “Je lijkt wel een oud wijf
man, met je gelul over mij! Wat moeten de mensen wel niet van mij denken?
Jij maakt m’n naam kapot, m’n reputatie!”
“Nee Marco, dat doe je zelf!” zei Peter.
“Jij maakt jezelf kapot door de coke!”
De ruzie liep hoog op, en toen Peter
van Woerden op Marco’s gevoel probeerde te spelen door te roepen “Zou jij
een vader willen hebben die zwaar aan de coke was? Zou jij een vrouw willen
hebben die verslaafd was?” was voor hem de maat vol. Hij had al genoeg
schuldgevoelens, daar hoefde die afvallige klootzak niet nog eens een schepje
bovenop te doen.
Marco doorzeefde Peter van Woerden
met zestien kogels. Na de eerste drie kogels zei de stervende Peter, die
op de grond lag, “Kenny heeft toch gelijk gehad.” Daarop vuurde Marco nog
eens dertien kogels af, die eigenlijk bedoeld waren voor Kenny Jones, de
vuile verrader.
Toen Kenny Jones en Bertje Zuidland
hoorden dat Peter van Woerden was geliquideerd, besloten zij naar Marokko
te vluchten. Half april 1992 keerden zij terug naar Nederland, waar zij
onmiddellijk werden gearresteerd voor betrokkenheid bij de moord op Peter
van Woerden. Kenny Jones pleitte zich vrij door Marco Hendriks aan te wijzen
als de moordenaar.
Op 24 april 1992 werd Marco’s auto
in het centrum van Amsterdam klemgereden door de politie. Marco werd gearresteerd
en in bewaring gesteld.
Een dag later werd Kenny Jones verhoord
door hoofdinspecteur John Jacobs, die niet bij de zaak betrokken was. “Kenny,
op de avond dat Paul de Wit werd vermoord was jij toch ook in Club Juliana’s?”
“Klopt,” zei Kenny.
“Je weet toch dat Marco Hendriks van
die moord werd verdacht en is vrijgesproken, hè?”
“Natuurlijk.”
“Dat betekent dat we naar een andere
dader moeten zoeken, iemand die in die nacht ook ter plaatse was, en één
daarvan ben jij,” zei Jacobs.
“Ja, maar ik was het niet, ik heb het
niet gedaan,” zei Kenny.
“Misschien is dat zo,” zei Jacobs,
“en misschien ook niet. Maar als jij nou eens iets gezien had, waarover
je tot nu toe uit angst voor Marco Hendriks hebt gezwegen, dan zou je ons
daar zeer mee helpen.”
Lucien Graanoogst, die sinds 1978 voor
Paul de Wit werkte en de organisatie als geen ander kende, nam na de dood
van De Wit de leiding van de Delta-bende over. In de praktijk was dit al
geruime tijd het geval, vanwege het cokegebruik en de paranoia van De Wit.
Graanoogst geloofde niet dat Marco Hendriks Paul de Wit had vermoord, maar
was er van overtuigd dat de Joegoslavische maffia erachter zat. Dat was
de reden waarom op 30 mei 1992 Neven Lomic, een naaste medewerker van Luka
Pukanic, koelbloedig werd doodgeschoten in café ’t Biggetje in de
Amsterdamse Jordaan. Dezelfde avond werd Donny Fennink, Graanoogst’s bodyguard,
gearresteerd op verdenking van de moord.
Nadat Kenny Jones uiteindelijk in mei
1992 een verklaring had afgelegd tegen Marco Hendriks, werden hij en Bertje
Zuidland als door de Joegoslavische maffia bedreigde getuigen ondergebracht
aan de Costa del Sol in Spanje. Een maand later werden ze haastig naar
Florida in de Verenigde Staten gevlogen omdat de Joegoslavische maffia
inmiddels achter hun verblijfplaats was gekomen.
In september 1992 werd Marco Hendriks
door de rechtbank veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf voor de doodslag
van Paul de Wit en op 15 oktober 1992 tot twaalf jaar gevangenisstraf voor
de moord op Peter van Woerden. Kroongetuige in deze zaak was Kenny Jones,
zonder wiens getuigenis Marco niet veroordeeld zou zijn geweest.
Marco’s advocaat Bennie Frei adviseerde
Marco in beroep te gaan tegen het vonnis van de rechtbank.
14.
Het leven gaat door (voor sommigen)
Marco Hendriks zat in de gevangenis
zijn straf van twintig jaar uit, maar hoopte op vrijspraak in de zaak De
Wit en strafvermindering in de zaak Van Woerden wanneer beide zaken in
beroep voor de rechter kwamen. Zijn vrouw Marcia en dochter Suzanne kwamen
hem in de gevangenis bezoeken.
“Zal je altijd van me blijven houden?”
vroeg Marco. “Zal je me altijd trouw blijven?”
“Natuurlijk lieverd, wat dacht je dan?”
antwoordde Marcia.
“Oh schat, dank je wel, dat had ik
zo nodig!” snikte Marco.
Het ging niet goed met hem, wist Marcia.
Hij was doodsbenauwd dat hij in de gevangenis zou worden omgelegd in verband
met de moord op Paul de Wit, die hij niet gepleegd had, of dat zijn vrouw
en dochter iets zou worden aangedaan. Uit frustratie begon hij steeds meer
te eten en te snoepen, en werd hij steeds dikker.
Zijn baas Luka Pukanic bezocht hem
eveneens, op verzoek van Marcia, om hem wat moed in te praten. “Wees gerust,
Marco, jij en Marcia en Suzanne zijn veilig. Jullie zijn familie van ons.”
Ook kreeg Marco bezoek van Paul Gavrilovic,
een vertrouweling van hem waar hij in de Joegoslavische maffia nauw mee
samenwerkte. “Paul, wil je mij een enorme dienst bewijzen?”
“Natuurlijk!” antwoordde Paul.
“Wil je in mijn huis gaan wonen om
Marcia en de kleine te beschermen?”
“Marco, ik doe alles voor je. Natuurlijk
doe ik dat.”
“Dank je wel Paul, je bent een echte
vriend,” zei Marco.
Toen Marco hoorde dat Donny Fennink,
een naaste medewerker van Lucien Graanoogst, de nieuwe baas van de Delta-bende,
naar dezelfde gevangenis was gebracht als waar hij verbleef, vroeg hij
uit vrees voor zijn leven onmiddellijk overplaatsing naar een andere gevangenis
aan. Maar die beslissing liet lang op zich wachten en uiteindelijk liep
hij Fennink tegen het lijf.
“Jezus Marco, wat ben jij dik geworden!”
riep Donny.
Hij stelde Marco gerust door te zeggen
dat Lucien hem niet verdacht van de moord op Paul de Wit en bovendien dat
de tijden waren veranderd. Paul was er niet meer; nu was het tijd om vooruit
te kijken en niet achterom.
Wybe Terpstra was een autohandelaar
die gespecialiseerd was in terreinwagens, en de Joegoslavische maffia huurde
regelmatig auto’s van hem. Doorgaans regelde Bertje Zuidland deze dingen
met Terpstra, die nooit vragen stelde en er zelfs voor zorgde dat de auto’s
na gebruik volledig werden ontdaan van vingerafdrukken en ander bewijsmateriaal,
maar Zuidland zat al geruime tijd in het buitenland omdat hij een beschermde
getuige was en Terpstra wilde de Range Rover terug die nog steeds werd
gebruikt door Luka Pukanic, zonder dat er voor werd betaald.
Toen twee medewerkers van Wybe Terpstra
op maandag 2 november 1992 voor Pukanic’ huis stonden om de Range Rover
mee te nemen, kwam Pukanic naar buiten rennen en bedreigde hij de mannen
met een pistool. Een van de buren belde daarop de politie, en toen die
hem wilden arresteren schoot hij een rechercheur neer en ging hij er in
de Range Rover vandoor.
Ondanks een internationaal arrestatiebevel
arriveerde Pukanic op woensdag 4 november 1992 veilig in Belgrado, van
waaruit hij de Joegoslavische maffia in Amsterdam bleef besturen. Hij benoemde
de Roemeen Silviu Ungureanu als plaatselijk leider van de organisatie in
Amsterdam.
Nu de Joegoslavische maffia ernstig
was verzwakt, zag Lucien Graanoogst de kans schoon om opruiming te houden.
Op 1 april 1993 liet hij de negentienjarige Aleksandar Talic en de eenentwintigjarige
Miloslav Obradovic vermoorden. Hun volledig uitgebrande auto werd gevonden
in Amsterdam-Noord. Beide mannen waren doodgeschoten. Talic zat nog in
de auto, Obradovic lag ernaast. De jongens stonden erom bekend dat ze in
opdracht liquidaties uitvoerden.
Op 23 mei 1993 was Frankie Wong, de
zoon van Eddie, aan de beurt. Nadat Eddie Wong, de leider van de 14K triade
in Europa, op 3 maart 1975 in Amsterdam was vermoord, was zoon Frankie
zich op kleinere schaal gaan bezighouden met de heroïnehandel en deed
hij later zaken met Paul de Wit. Na de dood van Paul de Wit zette de politie
Frankie voortdurend onder druk om te praten, onder andere door hem te vertellen
dat hij “op de lijst” stond van mensen die geliquideerd zouden worden,
en het gerucht wilde dat Frankie bereid was om een verklaring af te leggen
in ruil voor strafvermindering. Frankie werd doodgestoken en in de polder
bij Zeewolde gedumpt.
Het dreigen met “de lijst” was in die
tijd een geliefde methode van hoofdinspecteur John Jacobs om criminelen
aan het praten te krijgen. Uiteraard was die dreiging nergens op gebaseerd
en sloeg Jacobs er ook maar een slag naar, maar vaak werkte het wel.
Op 17 juni 1993 werd Marco Hendriks’
vonnis van twintig jaar gevangenisstraf in de beroepszaak bekrachtigd.
Omdat het Openbaar Ministerie vermoedde dat hij door de Joegoslavische
maffia zou worden bevrijd, werd Marco in augustus overgeplaatst naar Unit
5 van de onlangs geopende Extra Beveiligde Inrichting (EBI) te Vught.
De EBI was opgericht nadat er een aantal
gewelddadige ontsnappingen van criminelen hadden plaatsgevonden. Het regiem
was buitengewoon en buitensporig streng. Al vanaf de eerste dag had Marco
last van zijn ogen, niet alleen vanwege het droge klimaat en het neonlicht,
maar ook omdat er nergens een mogelijkheid was om in de verte te kijken.
Hij moest het grootste deel van de dag alleen in zijn cel doorbrengen en
bij het verlaten van zijn cel werd hij eerst geboeid om vervolgens individueel
begeleid door meerdere bewaarders naar de luchtplaats te worden gebracht.
Het luchten vond plaats in kooien die rondom, ook boven en onder, van dikke
tralies waren voorzien om ontsnapping door middel van een helikopter of
tunnels te voorkomen. Hij werd één uurtje per dag gelucht
en zag de rest van de dag geen daglicht.
Vanwege het voortdurende isolement
was een langdurig verblijf in de EBI schier onmenselijk, en Marco begon
al snel te lijden aan een toestand die men “bajesmaf” noemt. Hij werd paranoïde,
nog meer dan hij al was tijdens zijn cokegebruik buiten de gevangenis.
Marco mocht één telefoontje
per dag plegen en eens per week bezoek ontvangen. Ondanks het feit dat
zich een enorm dikke glasplaat tussen de bezoeker en de gedetineerde bevond,
waardoor fysiek contact absoluut onmogelijk was, werd Marco na elk bezoek
uitwendig en inwendig gevisiteerd, hetgeen inhield dat een gevangenisbewaarder
zijn vinger in Marco’s anus stak om te controleren of er iets in was verstopt.
Een enorme en vooral nodeloze vernedering met geen ander doel dan hem psychisch
kapot te maken. Dit beleid werd bepaald door de directeur van de EBI te
Vught, een man die vanwege zijn middeleeuwse denkbeelden al meerdere malen
binnen de Dienst Justitiële Instellingen was overgeplaatst en nu op
zijn plaats leek te zijn.
Luka Pukanic, die in Belgrado relatief
ongestoord van het leven genoot, was zijn maatje Marco Hendriks niet vergeten.
Hij wist de 34-jarige Ivan Isailovic te bewegen de moord op Paul de Wit
te bekennen, zodat Marco daarvan zou worden vrijgesproken. Isailovic verklaarde
in Belgrado dat hij De Wit had vermoord omdat die in 1991 zijn broer Dusko
Isailovic had laten liquideren. Helaas nam het Openbaar Ministerie, onder
leiding van Franciscus Arvidi, die persoonlijk naar Belgrado was afgereisd
om Isailovic te verhoren, de verklaring niet serieus omdat hij niet in
staat was om aan te tonen dat hij ten tijde van de moord in Amsterdam was
geweest. Dusko had echter professioneel gehandeld en juist geen sporen
achtergelaten van zijn Amsterdamse missie, hetgeen niet echt tot Arvidi
leek door te dringen.
15.
Een parlementaire enquête
Tijdens een bijeenkomst van de “Cowboys”
in september 1993 kondigde commissaris Edwin Bloem aan dat hij zich wilde
terugtrekken uit de groep. Als reden gaf hij aan dat het politieke klimaat
drastisch zou gaan veranderen na de Tweede-Kamerverkiezingen in mei 1994.
Anne Derksen, zijn geheime maîtresse, die nu nog Minister van Justitie
was namens de PvdA, was tot nu toe in staat geweest invloed uit te oefenen
op het beleid van het Openbaar Ministerie, met name in Amsterdam, waar
zij ervoor had gezorgd dat Franciscus Arvidi en andere CID-officieren die
de methoden van de “Cowboys” onderschreven en faciliteerden in overleg
met hoofdinspecteur John Jacobs het Amsterdamse beleid konden bepalen,
voor zover zij niet in de wielen werden gereden door het Interregionaal
Recherche Team (IRT), waarvan commissaris Bernard van Ooyen teamleider
was. Maar Anne zou met zekerheid niet terugkeren in een volgend kabinet,
en dat zou betekenen dat de “Cowboys” hun politieke steun zouden verliezen.
John Jacobs wilde er niets van weten
en zei dat hij genoeg belangrijke mensen kende om ervoor te zorgen dat
dit niet gebeurde, maar Bloem was verre van overtuigd.
“Jongens, ik heb er geen zin meer in,
ik vraag overplaatsing aan, ik wil rust in m’n leven. Privé gaat
het niet lekker, ik moet er even uit. Bovendien zou ik een hoop kritiek
over me heen krijgen wanneer men erachter zou komen dat ik enerzijds bevriend
ben met de baas van het IRT en anderzijds nauwe contacten onderhoud met
het team van John.”
“Maar dat hoeft elkaar toch niet te
bijten, Edwin,” zei John. “Dat zou elkaar toch niet mogen bijten?”
“Dat doet het helaas wel, John,” antwoordde
Edwin Bloem.
John Jacobs had altijd geweigerd om
voor het IRT te werken. Hij vond commissaris Van Ooyen een “slappe zak”.
Commissaris Bernard van Ooyen legde
op 1 oktober 1993 per onmiddellijke ingang zijn functie als teamleider
van het IRT Noord Holland / Utrecht neer, en commissaris Sebastiaan Morriën
volgde hem op. Maar Morriën zag te veel onregelmatigheden en wilde
zijn handen er niet aan branden. Hij liet op 26 oktober 1993 weten dat
het IRT opsporingsmethoden hanteerde waarvoor hij geen verantwoordelijk
wenste te dragen en legde na ruim drie weken zijn functie neer.
Binnen de korpsleiding ontstond een
enorme rel, waarbij de politieofficieren elkaar over en weer van corruptie
beschuldigden, hetgeen er uiteindelijk toe leidde dat het IRT op 7 december
1993 werd opgeheven.
Er werd een commissie ingesteld die
tot de conclusie kwam dat de onregelmatigheden te wijten waren aan het
korps Amsterdam. Daarop vroeg men in de Tweede Kamer om een parlementaire
enquête, die op 6 december 1994 werd ingesteld. Tegenover deze commissie
verklaarde commissaris Van Ooyen dat John Jacobs hem en zijn collega’s
had bedreigd met de woorden: “Jullie komen nog wel aan de beurt voor wat
jullie het Amsterdamse korps en de Amsterdamse CID hebben aangedaan.”
Het speet hoofdinspecteur John Jacobs
geenszins dat Edwin Bloem de handdoek in de ring gooide en dat het IRT
was opgeheven. Die club was hem al een doorn in het oog vanaf het moment
dat zij werd opgericht. Hij was vastberaden zijn eigen club in stand te
houden en zijn positie niet op te geven.
Hoewel ten gevolge van de parlementaire
enquête allerlei procedures binnen het politieapparaat werden ontwikkeld
die door elke politiefunctionaris in acht dienden te worden genomen, had
John Jacobs daar lak aan. Hij deed het voorkomen alsof hij de procedures
opvolgde, maar wist ze in de praktijk keurig te omzeilen. Hij zorgde ervoor
dat niemand hem iets kon maken, desnoods door zijn critici onder druk te
zetten.
John Jacobs was in 1984 begonnen met
één politie-infiltrant: Marco Hendriks. Tien jaar later,
in 1994, beschikte zijn CID, die inmiddels was hernoemd tot Criminele Inlichtingen
Eenheid (CIE), over een potentieel van maar liefst zesentwintig ex-politiefunctionarissen
die actief voor de CIE als undercover agent werkzaam waren in criminele
organisaties. De meesten van hen waren ex-rechercheurs die net als Marco
Hendriks de fout in waren gegaan, of speciaal voor dit doel de fout in
waren gemanipuleerd. Een aantal van hen werd gerund door reclasseringsambtenaar
Rob de Rue, die dagelijks in contact stond met Jacobs.
Jacobs had veel vrienden in het criminele
milieu, maar nog meer vijanden. Ook binnen het Amsterdamse politiekorps
had hij veel vijanden. Hij was keihard, hij kon je om niets laten vallen
als een baksteen, hij ging volkomen zijn eigen gang, had lak aan de regels,
en hij wilde alleen maar werken met mensen die hij absoluut kon vertrouwen.
Veel “gewone” rechercheurs solliciteerden op een functie bij de CIE, maar
dan kregen zij te maken met commissaris Edwin Bloem, de voorzitter van
de sollicitatiecommissie, en uiteraard met hoofdinspecteur John Jacobs.
De meeste sollicitanten werden om het minste geringste afgewezen. Wanneer
Bloem dan vervolgens aan Jacobs vroeg waarom hij dat had gedaan, antwoordde
Jacobs zoiets als “die rotkop stond me niet aan”, of “ik ken z’n vader
nog van vroeger”. En dat maakte Jacobs niet geliefd bij zijn collega’s
van de Amsterdamse tactische recherche.
Het maakte Jacobs “geen zak uit”. Hij
voelde zich oppermachtig, onaantastbaar, en was dat ook. Hij was enorm
imposant en intimiderend. Hij was een ongelikte beer, met een dierlijke,
agressieve uitstraling. Wanneer een hogere politieofficier hem wilde bekritiseren,
beschikte hij altijd wel over informatie die de man in kwestie ernstig
zou kunnen belasten, en wanneer Jacobs vervolgens zei: “de mazzel”, kon
de betreffende commissaris of hoofdcommissaris (of officier van justitie)
niet anders dan met de staart tussen de benen rechtsomkeert maken.
Op 12 december 1994 nam commissaris
Edwin Bloem contact op met Rob de Rue. Op 15 december 1994 bezocht Rob
de Rue Marco Hendriks in de EBI te Vught.
16.
Het tijdperk van de afpersing
Het was bijna Kerstmis en Marco Hendriks
ging gebukt onder een ernstige depressie. Zijn vrouw Marcia was onlangs
bevallen van een zoon, en het kon zijn kind niet zijn want hij zat al sinds
24 april 1992 vast. Marco had van diverse mensen gehoord dat het kind Milos
heette en dat Paul Gavrilovic de vader was. Marcia en Paul leefden al meer
dan een jaar samen “als man en vrouw”, vertelde een medegevangene.
Marco was enorm teleurgesteld, woedend
ook. Tijdens haar bezoek aan de EBI had ze nooit iets laten merken van
een relatie met Paul Gavrilovic, laat staan dat ze zwanger van hem was.
En dan Paul, die hem had beloofd dat hij voor Marcia en Suzanne zou zorgen.
Wat een judas! En zijn dochter Suzanne woonde bij die klootzak en noemde
hem vader!
“Marco, er gebeuren rare dingen in de
stad,” zei commissaris Edwin Bloem tegen Marco.
De beide mannen bevonden zich een afluistervrije
verhoorkamer in de Extra Beveiligde Inrichting te Vught.
“Vertel mij wat,” antwoordde Marco
mat.
Hij kon in de EBI geen radio luisteren
of TV kijken, maar had zijdelings iets over het tumult ten gevolge van
het parlementaire onderzoek gehoord.
“Het rommelt in de politieorganisatie,”
zei Bloem. “Er gaat heel wat veranderen, en ik heb jouw hulp nodig om John
Jacobs ter verantwoording te roepen. John is te ver gegaan, hij is ontspoord.”
“Pfff!” zei Marco. “Heeft u enig idee
waar John Jacobs toe in staat is?”
“Dat heb ik, Marco, en om hem een halt
toe te roepen heb ik je hulp nodig. Wees gerust, ik werk niet alleen. Ik
heb belangrijke mensen achter mij staan.”
“Commissaris, u weet niet wat u van
mij vraagt! Alleen al het feit dat ik hier met u zit te praten kan mijn
einde betekenen!”
Marco had veel respect voor commissaris
Bloem, maar hier moest hij over nadenken. In de dagen na het bezoek van
Bloem realiseerde hij zich dat hij zich geen zorgen meer hoefde te maken
om zijn gezin. Zijn vrouw en zijn maatje Paul hadden hem verraden, John
Jacobs had hem verraden, Luka Pukanic zat in Belgrado, en het zou nog 18
jaar duren voordat hij weer vrij zou zijn. Een schier oneindige tijd; hij
zou dan 56 jaar zijn. Wat had hij te verliezen? Alleen zijn leven, en dat
leven stelde niets voor. Een betere manier om “zelfmoord” te plegen in
de EBI kon hij niet bedenken.
Rob de Rue zat met een groot probleem.
Door de parlementaire enquête werd de onderste steen boven gehaald
en de kans bestond dat ook hij onder ede zou worden gehoord. Hoe was het
mogelijk dat een reclasseringsambtenaar jarenlang undercover agenten had
gerund voor de Amsterdamse recherche en de CID? Hij zou heel wat uit te
leggen hebben en bovendien zou hij zijn baan kwijt zijn. Mogelijk zou zelfs
tot gevangenisstraf worden veroordeeld.
Rob had geen andere keus dan samen
te werken met commissaris Bloem, die in het geheim bezig was bewijsmateriaal
tegen John Jacobs te verzamelen.
Hoofdinspecteur John Jacobs van de CIE
was strijdvaardig. Hij had zijn vertrouwelingen John Kratt en Ruud Boeket,
waarmee hij de DEA opleiding in Amerika had gevolgd, opdracht gegeven hun
mond dicht te houden over alles wat zich de afgelopen tien jaar op Narcotica
en de CID had afgespeeld. Jacobs zette de een na de andere hoge functionaris
onder druk om hetzelfde te doen en er zorg voor te dragen dat de parlementaire
commissie hem met rust liet. De geheimen die hij in de loop der jaren had
verzameld, inclusief documenten, foto’s en geluidsopnamen, kwamen hem nu
goed van pas.
Karel Lauffer, samen met Nelis Willemsen
de leiders van de bende die in 1983 biermagnaat Boris Bentholt had ontvoerd,
kocht in 1994 de beroemde Amsterdamse nachtclub Campo Allegre aan de Oudezijds
Voorburgwal, via zijn stroman Reint Oudorp. Van het losgeld van de ontvoering
was 8 miljoen nooit gevonden, en dat wilde Lauffer graag zo houden. Nadat
hij gebrouilleerd was geraakt met zijn oude maatje Nelis Willemsen, zocht
Lauffer toenadering tot zijn jeugdvrienden Roy Lommers en Freddie Olivier,
wier bende “de Denkers” berucht was voor haar gewelddadigheid. Reint Oudorp
werd al snel buiten spel gezet toen Lauffer hem niet meer nodig had. Karel
Lauffer was op zoek naar een manier om zijn geld legaal – of semi-legaal
– voor hem te laten werken en kreeg contact met vastgoedmagnaat Warner
de Leeuw, die zijn financieel adviseur werd. De Leeuw stond bekend als
de bankier va de onderwereld, en Lauffer was zijn sterke arm, de man die
De Leeuw’s woord kon bekrachtigen.
In die hoedanigheid verzamelde Lauffer
genoeg informatie over De Leeuw, feiten die het daglicht niet konden verdragen,
om De Leeuw af te persen, uiteraard op een “beschaafde” manier. Karel Lauffer
was tenslotte geen gangster meer.
Via Lauffer was Warner de Leeuw betrokken
bij omvangrijke hasjdeals, en omdat het bewijs niet overtuigend was kwam
De Leeuw onder strafvervolging uit door een miljoen gulden boete te betalen.
Uiteraard bleven Lauffer’s activiteiten
niet onopgemerkt. Zijn grootste vijand binnen het Amsterdamse politiekorps
was hoofdinspecteur John Jacobs van de CIE (“sectie stiekem”).
Door op de bende van Karel Lauffer
te focussen had John Jacobs een troef in handen die zijn weerga in de Nederlandse
samenleving niet kende. Die was ernstig geschokt toen biermagnaat Boris
Bentholt werd ontvoerd en de daders na tien jaar weer op straat stonden,
en de machtige top-ondernemers van het land, waaronder niet in de laatste
plaats Bentholt zelf, stelden alles in het werk om hoofdinspecteur John
Jacobs in de gelegenheid te stellen zijn levenstaak – het achter de tralies
brengen van de daders, en deze keer voorgoed – te vervullen. Tijdens de
parlementaire enquête trokken deze invloedrijke multimiljonairs aan
diverse politieke touwtjes om hun wensen kracht bij te zetten, uiteraard
anoniem, want ook zij waren hun leven niet zeker.
Op advies van commissaris Bloem nam
Marco Hendriks zijn advocaat Bennie Frei in vertrouwen en vertelde hij
hem alles wat hij wist over John Jacobs. Frei had van alles verwacht, maar
dit overtrof zijn stoutste verwachtingen. En zo legde hij op 13 januari
1995 het “dossier Jacobs” aan, met als eerste stuk de volledige verklaring
van Marco Hendriks. Zonder er ook maar een cent voor te ontvangen richtte
Bennie Frei zich op de aanvulling van het dossier met informatie die t.z.t.
de aanklacht tegen Jacobs kon onderbouwen.
Binnen het politieapparaat had commissaris
Edwin Bloem zichzelf op een zijspoor gezet om buiten de invloedsfeer van
John Jacobs te blijven, waardoor die niet langer op Bloem’s steun kon rekenen.
CIE-officier Franciscus Arvidi was met vervroegd pensioen gegaan in de
hoop dat de parlementaire commissie hem niet zou oproepen. Anne Derksen,
de maîtresse van Bloem, was niet langer in functie als minister van
Justitie en haar opvolgster was een voorstander van transparantie en reorganisatie
van het politieapparaat, dus dat schoot ook niet op.
Met behulp van politieke vriendjes
slaagde Jacobs er echter in drie medestanders op het Openbaar Ministerie
te laten benoemen als CIE-officier in Amsterdam: Cor Welmoed, Frans Klijn
en Bram Geraerds.
Cor Welmoed, een gereformeerde rakker
van de oude stempel die als jurist was afgestudeerd op het onderwerp “strafbare
godslastering”, was gespecialiseerd in zware criminaliteit. John Jacobs
had in de loop der jaren honderden zware criminelen achter de deuren doen
belanden, en hoe controversieel zijn methoden ook mochten zijn, zijn methoden
waren effectief en dat verdiende de loyaliteit van het O.M.
Frans Klijn, een voormalige belastingambtenaar
uit de Achterhoek, was al geruime tijd een trouwe volgeling van Nederland’s
goeroe op het gebied van de moderne criminaliteitsbestrijding: John Jacobs.
Klijn hing aan Jacob’s lippen, en Jacobs kon in zijn ogen niets verkeerds
doen.
Formeel was Bram Geraerds, “de onderkoning
van justitie”, de CIE-officier die John Jacobs moest aansturen, maar iedereen
die Geraerds en Jacobs kende wist dat het omgekeerde het geval was. Ondanks
het feit dat Geraerds al jaren netjes getrouwd was met zijn vrouw, stond
hij er in bepaalde kringen om bekend dat hij homoseksueel was, met een
voorliefde voor jonge jongens. John Jacobs, die een hekel aan “flikkers”
had, kon optimaal gebruik maken van die informatie.
Hoofdinspecteur John Jacobs was erin
geslaagd om na de arrestatie van Marco Hendriks een nieuwe informant in
de Joegoslavische maffia te recruteren door hem zwaar onder druk te zetten:
de 44-jarige Vladimir Lukovic. Maar Silviu Ungureanu, Luka Pukanic’ plaatsvervanger
in Amsterdam, kwam erachter en liet Lukovic op 29 juli 1995 op klaarlichte
dag in de Derde Oosterparkstraat te Amsterdam vermoorden. Het was een tegenslag
waar Jacobs niet op had gerekend, en hij was bloedsjagrijnig.
Ondanks zijn pogingen om dit te voorkomen
kreeg Jacobs een oproep om op 18 september 1995 om half toen ’s ochtends
te worden gehoord door de parlementaire commissie, onder voorzitterschap
van politicus en journalist Henk Oosting.
Jacobs liet onmiddellijk een collega
van Bureau Interne Onderzoeken (BIO) bij zich komen om een aantal “hypothetische
gevallen” door te nemen.
“Stel dat wij een ex-politieman als
infiltrant runnen, is hij dan formeel een politie-infiltrant?” vroeg Jacobs.
“Nee, zodra hij geen formeel dienstverband
meer bij de politie heeft, is hij een burger-infiltrant.”
“Hoe kun je er, buiten de CIE-organisatie
om, achter komen of er door de CIE gebruik wordt gemaakt van informanten
en infiltranten?”
“Op twee manieren: wanneer er melding
van is gemaakt in processen-verbaal en wanneer er betalingen zijn verricht
via Bureau Financieel Economische Bedrijfsvoering (FEB).”
John Jacobs was van mening dat elke
zichzelf respecterende undercover agent zich binnen de criminele organisatie
waarin hij werkzaam was zelf moest zien te bedruipen, dus van betaling
was doorgaans geen sprake, en in voorkomende gevallen maakte hij gebruik
van het “potje onvoorzien”, waarin zich altijd wel een paar ton bevond.
Dit geld, waarvan de korpsleiding niet op de hoogte was, was in beslag
genomen en afkomstig van misdrijven. In processen-verbaal werd door zijn
CID nooit melding gemaakt van infiltranten, dus hij kon met een gerust
hart naar de parlementaire commissie gaan.
Een bloemlezing uit het verhoor van
John Jacobs:
De voorzitter: “Zes jaar geleden, toen
u uw stuk schreef over de problemen bij de Nederlandse recherche, schreef
u: het komt voor dat informanten c.q. infiltranten onder regie van de politie
en Justitie criminele werkzaamheden verrichten en dat zij daarvoor beloond
worden in de vorm van een partij verdovende middelen, hetgeen zij ten eigen
bate mogen verkopen; een en ander gedoogd door politie en Justitie. Dat
is toch eigenlijk doorleveren in het klein?”
De heer Jacobs: “Ik heb toch niet gezegd
dat wij dat zo gedaan hebben?”
De voorzitter: “Dat heeft u nooit gedaan?”
De heer Jacobs: “Dat hebben wij nooit
gedaan.”
De voorzitter: “U heeft nooit een kilo
meegegeven?”
De heer Jacobs: “Nee.”
De voorzitter: “Dat weet u helemaal
zeker?”
De heer Jacobs: “Ja.”
De voorzitter: “Een informant heeft
van u nooit iets mogen verkopen?”
De heer Jacobs: “Nooit verkopen, dat
klopt.”
De voorzitter: “Een informant heeft
van u nooit iets mogen houden?”
De heer Jacobs: “Als het... Wat bedoelt
u met "houden"?”
De voorzitter: “Toch wel? Van zijn
criminele winst?”
De heer Jacobs: “Nee, nee.”
De voorzitter: “Dat weet u helemaal
zeker?”
De heer Jacobs: “Dat weet ik helemaal
zeker, ja.”
De voorzitter: “Van wanneer af weet
u dat helemaal zeker?”
De heer Jacobs: “Wij hebben altijd
de stelling ingenomen, al vanaf 1978, dat informanten geen zaken mogen
verkopen en zeker niet winsten houden.”
De voorzitter: “Mogen informanten verder
strafbare feiten plegen waarvoor zij betaald worden door criminelen?”
De heer Jacobs: “Pardon?”
De voorzitter: “Mogen informanten dus
nooit een strafbaar feit bij u plegen?”
De heer Jacobs: “Niet onder onze regie.”
De voorzitter: “Mogen zij het misschien
dan wel onder regie van de tactische recherche?”
De heer Jacobs: “Nee.”
De voorzitter: “Hoe komt het dan dat
wij toch kennis hebben van twee gevallen waarbij weer een deel is doorgeleverd,
ook in Amsterdam? Er moeten meerdere andere zaken zijn waarbij een gedeelte
van de heroïne niet is onderschept.”
De heer Jacobs: “Van een heroïnezaak
weet ik niets.”
De voorzitter: “Die komt ook voor in
de doorlichting. Maar daar weet u niets van?”
De heer Jacobs: “Nee.”
De voorzitter: “Komt er nog wel een
informant bij u binnen, een nieuwe?”
De heer Jacobs: “Er zijn er genoeg.”
De voorzitter: “Je moet in Amsterdam
dus blijkbaar minder voor elkaar krijgen dan elders in Nederland. U zegt
namelijk dat u de grenzen scherper stelt. Waarom zou ik dan nog informant
worden in Amsterdam? Dan kan ik toch veel beter naar een andere plek gaan
in Nederland?”
De heer Jacobs: “Dat zou u aan die
informanten moeten vragen. Ik weet het niet. Ze komen nog steeds.”
De voorzitter: “Op welk motief?”
De heer Jacobs: “Motieven zijn er vele:
wraak, concurrentiebeding, dollartekens in de ogen. Zo kan ik er een aantal
noemen.”
De voorzitter: “Zijn er gevolgen te
merken in die zin dat er minder mensen naar u toe komen nu er blijkbaar
minder met ze af te spreken is?”
De heer Jacobs: “Nee.”
De voorzitter: “Hoeveel van de grote
zaken worden in Amsterdam gestart op basis van CIE-informatie?”
De heer Jacobs: “Vrijwel alle.”
De voorzitter: “Heeft u politiemensen
als informant in uw bestand?”
De heer Jacobs: “In het verleden?”
De voorzitter: “Nu.”
De heer Jacobs: “Nee, tenzij een politieman
die in de straat X woont naast de crimineel Y in zijn privé-tijd
iets ziet. Als uit zou komen dat hij dat verraden heeft, kan hij problemen
krijgen. Dan zou je hem als informant kunnen opnemen.”
De voorzitter: “Heeft u op dit moment
politieambtenaren als informant ingeschreven?”
De heer Jacobs: “Dat zou alleen kunnen
in zo'n geval.”
De voorzitter: “Dat vroeg ik niet.
Heeft u op dit moment politieambtenaren als informant ingeschreven?”
De heer Jacobs: “Dan gaat het om eenmalige
informatie of informatie die een paar keer wordt verstrekt. Die politieman
wordt dus niet gerund.”
De voorzitter: “Heeft u runners uit
andere regio's als informant?”
De heer Jacobs: “Nee.”
De voorzitter: “Vroeger wel?”
De heer Jacobs: “Het is wel eens voorgekomen.”
De voorzitter: “Mijnheer Jacobs,
bent u in feite, zelfs met die goede resultaten, toch gehandicapt doordat
u zo weinig kunt?”
De heer Jacobs: “Niet echt gehandicapt,
maar het kan altijd beter en daar streven we ook naar. Ik denk dat de verhouding,
zoals hij ook al zei, tussen CIE-rechercheurs en tactische rechercheurs
nog niet de juiste is. Wij hebben nu 40 CIE-rechercheurs in Amsterdam.
Ik denk dat dat nog te weinig is om een beter beeld van de informatie te
krijgen.”
De voorzitter: “Wordt met extra bevoegdheden
uw werk nu veel beter?”
De heer Jacobs: “Het is niet alleen
van bevoegdheden afhankelijk. Er zijn een aantal dingen op de rails gezet,
heb ik begrepen, onder andere de kroongetuige. Ik weet niet of dat weer
gaat werken, maar in ieder geval staan dat soort dingen op de rails. Dat
lijkt mij een goede zaak. Alleen, bij elke zaak zal apart bekeken moeten
worden of er zo'n nieuw middel ingezet kan worden.”
De voorzitter: “Dank u wel.”
Om twintig over elf was het verhoor
voorbij.
De conclusies van de parlementaire commissie
waren dat de opsporingsmethoden niet door de beugel konden omdat ze nauwelijks
te sturen of te controleren waren, dat veel politiekorpsen wel een nieuwe
korpsleiding konden gebruiken en dat de politieleiding zich onvoldoende
realiseerde dat zij onder het gezag van het O.M. en de burgermeester stond.
Hoewel John Jacobs niet met name werd
genoemd in de conclusies, stelde de enquêtegroep voor het zogeheten
geheime CIE-traject - de fase waarin politie informatie vergaart die niet
in processen- verbaal komt te staan - af te schaffen. “De rechter, en later
de verdachte, moet in principe kennis kunnen nemen van alle gebruikte opsporingsmethoden.
Vergaande tactieken, zoals de gecontroleerde doorlevering van drugs, burgerinfiltratie
en een kroongetuigeregeling worden door de commissie afgewezen.”
17.
Het hoofdkantoor in Belgrado
Hoewel Luka Pukanic sinds november 1992
in Belgrado woonde om uit handen van de Nederlandse justitie te blijven,
was hij nog steeds erg betrokken bij de Amsterdamse onderwereld. Zo had
hij nog een appeltje te schillen met Roy Lommers en Freddie Olivier, die
in november 1990, vlak na de moord op Adnan Anovic, een partij drugs van
de Joegoslavische maffia hadden gestolen die bestemd was voor de Egyptische
broers Adofo en Bomani Hafez.
Van Henk Blok, een van de leiders van
de Delta-bende, had hij nog drie ton tegoed, en tot nu toe had Blok die
geweigerd te betalen. Dat vroeg om een adequate reactie.
Ook moest er nog een rekening worden
vereffend met Bertje Zuidland, zijn zwager, die hem had besodemieterd door
een miljoen van hem achterover te drukken en in 1993 een interview had
gegeven met een weekblad, waarin hij een boekje open deed over de Joegoslavische
maffia. Bovendien was Bertje beste maatjes met Kenny Jones, de vuile klootzak
die tegen Marco Hendriks had getuigd en hem had aangewezen als de dader
van de moord op Paul de Wit.
Luka maakte zich zorgen om Marco. Hij
werd helemaal bajesmaf daar in de EBI in Vught, en nu had zijn vrouw hem
ook nog besodemieterd met Paul Gavrilovic. Deze kwestie was bijzonder pijnlijk
omdat Gavrilovic familie van hem was.
Direct nadat Luka Amsterdam had verlaten
was de Joegoslavische maffia in paniek geraakt. Sommige bendeleden waren
trouw gebleven aan Luka en zijn plaatsvervanger Silviu Ungureanu, anderen
hadden zich bij losse groepjes aangesloten, die elkaar tot overmaat van
ramp bestreden. Dat was een probleem waar hij op korte termijn een oplossing
moest vinden, want hij was financieel in hoge mate afhankelijk van het
geld dat via Amsterdam binnen kwam.
Luka belde af en toe met de secretaresse
van Marco’s advocaat Bennie Frei, om te vragen hoe het met Marco was en
of er nog iets gebeurde om hem uit de bak te krijgen. Bennie had zijn secretaresse
opdracht gegeven geen details los te laten, want hij was in het diepste
geheim bezig met een strategie die inhield dat hij eerst hoofdinspecteur
John Jacobs wilde laten veroordelen voor corruptie, manipulatie en het
aanzetten tot moord, op basis waarvan de zaak tegen Marco kon worden herzien.
Luka Pukanic kwam er achter dat Bertje
Zuidland in 1995 in Amsterdam een bedrijfje had opgericht. Hij scharrelde
wat in onroerend goed en gebruikte deze activiteit om drugsgeld van anderen
wit te wassen.
Op 15 juni 1998 werd Bertje ’s ochtends
om half acht in zijn kantoor doodgeschoten. Niet alleen had Luka Pukanic
wraak genomen, ook had hij daarmee een signaal afgegeven aan de Amsterdamse
onderwereld dat hij nog steeds in de running was en dat er ernstig met
hem rekening moest worden gehouden. Het gevolg was dat een deel van de
oude, uit elkaar gevallen Joegoslavische maffia weer nader tot elkaar kwam
en bereid was weer met elkaar samen te werken. Dat was één
van de eigenschappen van het Slavische volk: het voelde zich het best wanneer
het met de knoet werd geregeerd.
Toen Kenny Jones een paar centen te
besteden had gaf hij de huurmoordenaars Carlo Dreesmann en Daniël
Dusseljee opdracht om Silviu Ungureanu uit de weg te ruimen, als vergelding
voor de liquidatie van zijn maatje Bertje Zuidland. De liquidatie werd
uitgevoerd in Amsterdam-Osdorp op 1 juli 1999. Dreesmann en Dusseljee werkten
doorgaans met vuurwapens, maar Dreesmann wilde – tegen de zin van Dusseljee
– wel eens met explosieven experimenteren. Het werd een complete mislukking.
In de eerste plaats hadden ze zich vergist in de auto, die niet van Ungureanu
was maar van zijn naaste medewerker Alex Rukavina. In de tweede plaats
stapte niet Rukavina in de auto, maar diens 26-jarige vriendin Monica de
Vries, die vervolgens werd opgeblazen. Monica was op slag dood.
Kenny Jones eiste zijn geld terug,
maar bond in toen Carlo Dreesmann en Daniël Dusseljee dreigden hem
om te leggen.
Vervolgens werd op 9 december 1999 Kenny
Jones neergeschoten voor zijn huis in Amsterdam. Hij werd geraakt in zijn
lever en zijn maag, maar wist de aanslag te overleven. Luka Pukanic was
woedend op de gasten die hij de opdracht voor de aanslag had gegeven. Hij
had de verrader van zijn maatje Marco uit de weg willen ruimen, maar de
bastaard leefde nog. Knoeiwerk!
Op 23 september 2000 werd Henk Blok
op de Haarlemmerdijk van achteren in het hoofd geschoten. Hij overleed
ter plaatse. Geld maakt niet gelukkig, dacht Luka Pukanic.
Hoewel de meeste mensen wel geloofden
dat deze liquidatie was uitgevoerd door de Joegoslavische maffia, verspreidde
hoofdinspecteur John Jacobs in het kader van het “tactisch lekken” het
gerucht dat Karel Lauffer erachter zat. Toen Freddie aan Karel vroeg of
dat waar was, antwoordde Karel: “Tja, wie weet…”
Freddie kende Karel niet. Karel was
een sluwe, maar angstige man, een man die weliswaar in staat was om iemand
opdracht te geven een vijand te vermoorden, maar dat zelden ook echt deed.
Waar hij op uit was was vrees, mensen die bang voor hem waren, en door
te weigeren de suspense te ontkrachten, en zelfs door er aan mee te werken
om die suspense in stand te houden, werden bepaalde personen in de Amsterdamse
onderwereld bang voor hem, en dat was Kareltje Lauffer’s enige doel.
Het gerucht leidde er uiteindelijk
toe dat Freddie Olivier de banden met zijn nieuwe maatje Lauffer verbrak.
Die was heel teleurgesteld in het feit dat Freddie de valse beschuldiging
heel serieus nam en zinde op wraak omdat Freddie niet in staat was de vriendschap
hoger te waarderen dan de geruchten. Jacobs gniffelde. Wat was schaken
toch een fascinerende sport…
Jacobs kende Karel Lauffer als geen
ander en hij wist dat Karel geen held was. Maar die wetenschap was niet
in het belang van zijn doel: hem achter slot en grendel brengen. Dus ging
hij mee in Karel’s suspense en presenteerde hij hem zoals Karel zichzelf
graag gepresenteerd zou zien in de onderwereld: als een levensgevaarlijke
man, zonder genade, die maar hoefde te kikken om je te laten omleggen.
De mensen die hem echt kenden wisten wel beter.
Karel Lauffer had er alle belang bij
om de mythe van Karel Lauffer levend te houden. Dat anderen met die mythe
aan de haal gingen en allerlei moorden aan hem toeschreven, paste precies
in Karel’s straatje.
Op 10 oktober 2000 werd de 40-jarige
Roy Lommers geliquideerd op het Gelderlandplein in Amsterdam. Lommer’s
lijfwacht wilde wat geld van Lommers om een TV te kopen, want hij verveelde
zich. Maar de zuinige Lommers zei dat hij nog ergens een TV had staan.
Die zouden ze samen wel even ophalen. Toen ze Lommers’ flat op het Gelderlandplein
verlieten om de TV in de auto te zetten, had de lijfwacht letterlijk zijn
handen vol en was hij niet op tijd om de gewapende aanvaller neer te schieten.
Luka Pukanic was tevreden. Lommer’s
compagnon en vriend Freddie Olivier’s beurt kwam nog wel.
Op 17 november 2000 werden de dertigjarige
Zoran Delac en zijn Nederlandse vriendin vermoord in de Damstraat in Amsterdam
terwijl zij in een Argentijns restaurant zaten te eten. Zoran had de fout
gemaakt om na het vertrek van Luka Pukanic naar Belgrado een eigen organisatie
op te richten, die concurreerde met Luka’s organisatie. Luka had hem de
kans geboden om met hem samen te werken, maar Zoran wilde daar niets van
weten. En nu was hij dood. Zo jong nog.
Op 26 februari 2001 werd Freddie Olivier
beschoten op de Keizersgracht, voor de deur van zijn advocaat Richard Bax.
Olivier overleefde de aanslag en vluchtte vrijwel onmiddellijk naar Thailand.
In Amsterdam wist men nu wel dat het
verstandig was om rekening te houden met de Joegoslavische maffia, maar
er waren twee mensen die daar niet van overtuigd waren en zich oppermachtig
voelden: Karel Lauffer en John Jacobs. En vooral Jacobs had alle redenen
om zich zorgen te maken, want Luka Pukanic had zijn doodvonnis getekend:
Jacobs moest dood omdat hij Marco Hendriks erin had geluisd.
18.
"Ex-politieman op straat geliquideerd"
Op dinsdag 12 februari 2002 werd Marco
Hendriks overgeplaatst van de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) te Vught
naar de Penitentiaire Inrichting Lelystad (PIL), waar hij volkomen bajesmaf
arriveerde. Negen jaar geïsoleerd verblijf in de EBI hadden ervoor
gezorgd dat hij geen daglicht meer kon verdragen, dat hij niet met mensen
kon omgaan, dat hij zich zeer ongemakkelijk voelde in gezelschap en dat
hij leed aan agorafobie, een aandoening die men pleinvrees noemt. Marco
had extreme angst voor grote open ruimten, voor situaties waarin veel mensen
bij elkaar komen. Hij was dan bang dat hij niet op tijd in zijn veilige
cel kon terugkeren. Ook anticipeerde hij op die angst. Deze angst voor
de angst leidde regelmatig tot paniekaanvallen, zeker in de eerste maanden
na zijn aankomst in de gevangenis van Lelystad, waar hij veel meer vrijheden
had.
Ook was hij onrustig en voelde hij
zich machteloos omdat hij had gehoord dat Paul Gavrilovic zijn vrouw en
dochter en hun gezamenlijke zoontje Milos had meegenomen naar Podgorica,
in Montenegro, en dat hij hen regelmatig mishandelde.
Luka Pukanic zorgde ervoor dat Marco
een PlayStation 2 in zijn cel kreeg. Dit was een geavanceerde spelcomputer
waarmee je ook audio-cd’s kon afspelen. Marco’s favoriete spel was Grand
Theft Auto Vice City, dat zich afspeelde in 1986 in Miami, met het fictieve
maffialid Tommy Vercetti in de hoofdrol.
Marco vond het eerst maar niks, maar
raakte al gauw verslaafd aan het spel.
Op 20 juni 2002 werd Luka Pukanic in
de Bulgaarse hoofdstad Sofia gearresteerd omdat Amsterdam een internationaal
opsporingsverzoek had laten uitgaan. Pukanic werd onmiddellijk aan Nederland
uitgeleverd en in afwachting van het vonnis tegen hem in de EBI te Vught
geplaatst. Daar schreef Pukanic brieven aan zijn maatje Marco Hendriks
in Lelystad, en er ontstond een levendige correspondentie tussen de twee
mannen.
Op 26 september 2002 vond er in het
Amsterdamse café The News aan de Korte Leidsedwarsstraat een
indrukwekkende schietpartij plaats, waarbij drie leden van de Joegoslavische
maffia door een kogelregen werden gewond en twee werden gedood. Niemand
van de aanwezigen was bereid een getuigenverklaring af te leggen.
De reden van deze liquidatie was het
feit dat een lid van de bende van Pavle Markovic, een afvallige tak van
de Joegoslavische maffia die zich na het vertrek van Luka Pukanic naar
Belgrado in de regio Amsterdam had gevestigd en zich bezighield met de
handel in heroïne, het had aangepapt met een nichtje van Silviu Ungureanu.
Het 17-jarige meisje was vervolgens verdwenen in de scène van heroïnegebruikers.
De Roemeen Ungureanu, die al jaren de belangen van Luka Pukanic in Amsterdam
behartigde, had Markovic al een paar keer te kennen gegeven dat hij zijn
nichtje terugwilde, maar Markovic was er niet van onder de indruk. Daarom
besloot Ungureanu de man die zijn nichtje had verleid om te laten leggen,
en als gevolg daarvan werd ook een aantal onschuldigen getroffen.
Dit alles was koren op de molen van
hoofdinspecteur John Jacobs, want het toonde eens temeer aan dat Amsterdam
een bijzondere stad was, die een bijzondere aanpak nodig had.
Hoewel Karel Lauffer voor Jacobs “de
hoofdprijs” was, kwam Nelis Willemsen, die samen met Lauffer leider was
geweest van de bende die biermagnaat Boris Bentholt had vermoord, direct
daarna op Jacobs’ lijst van mensen die “aangepakt” moesten worden.
Op de derde plaats stond Marco Hendriks,
die teveel wist en mogelijk bereid was zijn mond voorbij te praten.
Op 24 januari 2003 werd de 45-jarige
Nelis Willemsen in Amstelveen op klaarlichte dag van dichtbij vanaf een
motor doodgeschoten met een CZ Skorpion, een semi-automatisch wapen dat
gemakkelijk onder een jas kan worden verstopt. De motor met de daders vluchtte
in de richting van Amsterdam. Hoewel er doorgaans na een dergelijke liquidatie
een leger van politiemensen op de been wordt gebracht, werd deze zaak afgedaan
met een minimum aan politiepersoneel. De daders zijn nooit gevonden. Hoofdinspecteur
John Jacobs liet tactisch lekken dat Willemsen al enige tijd ruzie had
met Karel Lauffer.
Op maandag 3 maart 2003 werd de succesvolle
CIE-rechercheur John Jacobs bevorderd tot commissaris en benoemd tot hoofd
van de Dienst Nationale Recherche (DNR). Dit was voor commissaris Edwin
Bloem de aanleiding om met onmiddellijke ingang zijn dienstverband bij
de politie te beëindigen.
De DNR bestreed de zware, georganiseerde
misdaad, door criminele samenwerkingsverbanden en de verwevenheid tussen
boven- en onderwereld aan het licht te brengen. De dienst was gespecialiseerd
in de smokkel van cocaïne, heroïne, cannabis en xtc, mensenhandel,
witwassen, terrorisme, computermisdrijven, etc. en beschikte over ruim
negenhonderd medewerkers. De opsporingswerkzaamheden werden verricht onder
het gezag van het Landelijk Parket, dat enige dagen na Jacobs’ benoeming
werd uitgebreid met de OvJ’s Cor Welmoed, Frans Klijn en Bram Geraerds.
Hoewel het hoofdkantoor van de DNR
zich in Driebergen bevond, koos commissaris John Jacobs ervoor om zijn
intrek te nemen in de kantoortoren in Amsterdam-Zuidoost waar de Unit Randstad
Noord van de DNR was gevestigd, maar hij verkaste al snel met zijn CIE-team
naar de Kolonel Six-kazerne aan de Kabelweg in Amsterdam, een gebouwencomplex
dat karakter had en slechts vijf kilometer van het centrum was verwijderd.
In de gevangenis van Lelystad voelde
Marco Hendriks zich, vergeleken met de EBI in Vught, “zo vrij als een vogeltje”,
en toen hij te horen kreeg dat hij zou worden overgeplaatst naar de Zeer
Beperkt Beveiligde Inrichting (ZBBI) De Keern te Hoorn, probeerde Marco
zich daar met alle mogelijke middelen tegen te verzetten. Maar justitie
was van mening dat Marco zich, nu hij over niet al te lange tijd zou worden
vrijgelaten, moest voorbereiden op zijn terugkeer in de maatschappij, en
daar was De Keern uitstekend voor geschikt.
Volgens de directeur van de gevangenis
Lelystad zou Marco in De Keern zijn agorafobie kunnen overwinnen.
Op 18 maart 2004 heeft Marco Hendriks
om een tien over vier een afspraak met zijn huisarts in Hoorn. Om enkele
minuten voor vier verlaat hij met een medegevangene De Keern op zijn fiets
en rijden ze samen in de richting van het centrum. Wanneer de medegevangene
zich veilig voelt om de drukke weg over te steken, aarzelt Marco en wacht
hij tot een aantal auto’s is gepasseerd. Het is inmiddels drie minuten
over vier. Dan steekt hij over. Hij wordt daarbij gevolgd door een voetganger,
een man met een zwarte jas met capuchon, die tijdens het lopen een CZ Skorpion
semi-automatisch geweer onder zijn jas vandaan haalt en vervolgens op Marco
begint te schieten. Marco valt van zijn fiets en stort ter aarde; de man
loopt naar hem toe en vuurt nog een schot af. Daarna loopt de man op zijn
dooie gemak weg, steekt schuin het Keern weer over en loopt over de Dampten
langs ZBBI De Keern. Tenslotte gaat hij rechts de hoek om, richting Provinciale
weg en verdwijnt uit het zicht.
De politie formeert onmiddellijk een
Team Grootschalig Onderzoek (TGO), waarin twintig rechercheurs van het
politiekorps Noord-Holland Noord worden opgenomen.
Om kwart voor zeven wordt het lichaam
van Marco Hendriks afgevoerd van het plaats delict.
19.
Proloog van de aanslag op Marco Hendriks
Commissaris Edwin Bloem was al geruime
tijd op de hoogte van de criminele activiteiten van zijn collega John Jacobs,
maar was niet in staat om daar ook maar enig bewijs van te produceren,
dankzij het keiharde bewind van Jacobs en het feit dat veel hooggeplaatste
figuren binnen de korpsleiding en ver daarbuiten hem de hand boven het
hoofd hielden.
Nadat reclasseringsambtenaar Rob de
Rue zich bereid had verklaard zijn ervaringen met John Jacobs aan het papier
toe te vertrouwen, in de vorm van een verklaring die uitermate belastend
was voor Jacobs, en ook Marco Hendriks wilde meewerken door alles over
zijn samenwerking met Jacobs te vertellen, had Marco’s advocaat Bennie
Frei, een ex-officier van justitie, de taak op zich genomen de zaak tegen
Jacobs juridisch voor te bereiden.
Eind 2003, toen Marco zich nog in de
gevangenis in Lelystad bevond, vernam commissaris Bloem dat Jacobs zich
in interne politiekringen (wat er nog was overgebleven van de “Cowboys”)
dusdanig had uitgelaten over Marco, dat men daaruit kon opmaken dat hij
wist of vermoedde dat Marco tegen hem wilde getuigen. Dit betekende in
de opvatting van Bloem dat Marco’s leven in gevaar was.
Commissaris Bloem had sinds kort een
tumor in de maag en diende zich regelmatig te laten onderzoeken op Oncologie.
Tijdens een bezoek aan het ziekenhuis leerde hij een man kennen die sprekend
op Marco Hendriks leek, alleen een stuk magerder. Edwin Bloem raakte bevriend
met de man, Bertus van Zimmeren, en kwam erachter dat Bertus terminaal
patiënt was en nog maar zes maanden had te leven. Bovendien was Bertus
zwaar depressief en wilde hij het liefst zo snel mogelijk sterven, op een
humane manier.
Edwin Bloem zag bepaalde mogelijkheden,
maar durfde pas na enkele weken met Bertus over zijn plan te praten. Bertus
werd, naarmate hij over het plan nadacht, steeds enthousiaster, en ging
uiteindelijk met het plan akkoord. Dan had zijn leven – en zijn dood –
toch nog zin gehad.
Op 28 december 2003 werd het “Team Marco
2” in het leven geroepen. Dit team bestond uit commissaris Edwin Bloem,
advocaat Bennie Frei, Carola Munnik, een verpleegster die gespecialiseerd
was in het begeleiden van terminale kankerpatiënten, Bettien van Buren,
een collega van Carola, Frank Buitenzorg, de huisarts van Bloem, en Michiel
Overgaag, een vertrouweling van Bloem die als officier van justitie verbonden
was aan het Landelijk Parket te Amsterdam. Overgaag, die verder nergens
bij betrokken was en puur diende als observator, werd van elke individuele
stap op de hoogte gehouden om de integriteit van de operatie te kunnen
waarborgen.
De eerste taak van het team was het
vinden van een geschikte woning. Bertus kon niet in zijn eigen woning in
Oud West blijven wonen, dat zou teveel opvallen. Purmerend, Heerhugowaard,
Almere of andere steden die voornamelijk werden bevolkt door oud-Amsterdammers
waren ook geen optie, omdat de kans groot was dat men Bertus als Marco
Hendriks zou gaan herkennen naarmate Bertus meer gelijkenis met Marco ging
vertonen. Uiteindelijk werd een geschikte woning gevonden in een groot
flatgebouw in Hellevoetsluis, waar Bertus door het leven ging als “meneer
Oltmans”, die ziek was en thuis werd verpleegd.
Bertus’ inboedel werd niet van Amsterdam
naar Hellevoetsluis verhuisd; Bertus stelde daar geen plaats op. Het enige
wat hij graag mee wilde nemen was zijn Boeddha-beeld, dat hij jaren geleden
had gekocht in Japan.
De volgende stap was van culinaire aard.
Bertus moest zeker 20 kilo aankomen. Om dit te kunnen bewerkstelligen werd
er een frituurpan aangeschaft. Bertus was namelijk gek op kroketten, maar
mocht ze van zijn eigen huisarts niet eten. Van dokter Frank Buitenzorg
mocht dat – in dit uitzonderlijke geval – wel, dus Bertus nam het ervan.
Bertus had kip nog kraai. Hij was 49
jaar, was jarenlang als machinist op de grote vaart werkzaam geweest, had
de hele wereld gezien en ervan genoten, maar hij had nooit tijd of zin
gehad om een relatie te beginnen, te gaan trouwen en kindjes te krijgen.
Hij was opgegroeid in een weeshuis en had al vroeg geleerd dat je je maar
het best niet teveel aan mensen kunt binden. Als gevolg van die levenshouding
had hij geen vrienden.
Maar nu genoot hij van alle aandacht
die hij kreeg. Zuster Carola en zuster Bettien wisselden elkaar af, dus
er was dag en nacht iemand bij hem om hem zuurstof, morfine of andere middelen
toe te dienen. Zuster Bettien had zijn haar geknipt en geverfd, en ze had
make-up op zijn gezicht gesmeerd om te zien hoe hij er zo uitzag. Hij mocht
kroketten eten zoveel hij wilde, en mocht daar – in beperkte mate – ook
een biertje of een borreltje bij drinken, als hij daarna tenminste niet
hoefde te fietsen. Bertus had sinds zijn veertiende niet meer gefietst,
dus dat moest hij nog wel wat oefenen. In de woonwijk met flats in Hellevoetsluis
waar hij nu woonde keek men daar niet van op. Daar bemoeide men zich niet
met elkaar, en al helemaal niet met vreemden.
Dokter Buitenzorg kwam elke dag vanuit
Amsterdam bij hem langs om hem te onderzoeken en een spuitje te geven die
hem fit maakte, en Edwin kwam zeker drie keer in de week met hem kaarten.
Het team was al snel tot de conclusie
gekomen dat de persoonsverwisseling niet kon plaatsvinden voordat Marco
was overgeplaatst naar Hoorn. Bij aankomst in De Keern zou er een identificatie
plaatsvinden waarbij vingerafdrukken werden genomen en foto’s werden gemaakt.
De vingerafdrukken werden eenmalig gecontroleerd en niemand zou ooit nog
naar de foto’s omkijken. De verwisseling moest dus vroegtijdig na aankomst
van Marco in De Keern plaatsvinden, als het personeel nog niet vertrouwd
was met de details van Marco’s gezicht, zijn mimiek, zijn manier van lopen,
etc.
Ruimschoots voor de overplaatsing naar
Hoorn had Marco al een verzoek ingediend om in Hoorn een huisarts te krijgen.
Dit verzoek werd door Justitiële Instellingen ingewilligd. Marco koos
voor dokter Frank Buitenzorg, die sinds kort in Hoorn was gevestigd.
Commissaris John Jacobs had zijn collega
Ruud Boeket benaderd om Marco Hendriks in Hoorn om te leggen, maar Boeket
weigerde dit. “Rot op John, mij te gevaarlijk.”
Jacobs wist echter dat Boeket in de
Achterhoek een schuur had waar hij hoogwaardige wiet verbouwde. Dus zorgde
hij ervoor dat de plaatselijke politie daar een inval deed. Ruud Boeket
werd op staande voet ontslagen door het Korps Landelijke Politiediensten
(KLPD) en werd in afwachting van het vonnis op vrije voeten gesteld door
de politie Noord en Oost Gelderland.
Vervolgens belde Jacobs met de Nuon
in Doetinchem. Wisten ze daar wel dat meneer Boeket jarenlang illegaal
stroom had afgetapt voor zijn wietplantage?
Ruud Boeket werd geconfronteerd met
een rekening van ? 8.672,93, en die kon hij niet betalen. En toen nam Jacobs
opnieuw contact met hem op.
“Er zit nog wel wat geld in het “potje
onvoorzien” Ruud, dus als jij je gas- en lichtrekening wilt betalen, weet
je wat je voor mij kunt betekenen.”
Ruud Boeket wist uit ervaring dat Jacobs
niet zou stoppen om hem het leven zuur te maken voordat hij hem zijn zin
had gegeven, dus ging hij akkoord.
Jacobs wist van een medewerker van De
Keern dat Marco Hendriks dagelijks om een uur of vier bij zijn huisarts
Frank Buitenzorg werd verwacht. Hij had wat moeite om Marco te herkennen.
Op woensdag 17 maart 2004 vond de generale repetitie plaats. Op donderdag
18 maart bevond Ruud Boeket zich op zijn plaats nabij de plek waar Marco
zou oversteken. Hij haalde zijn CZ Skorpion tevoorschijn, hetzelfde wapen
waarmee hij Nelis Willemsen had geliquideerd, en schoot Marco Hendriks
dood. Vervolgens liep hij weg, de Dampten op, ging linksaf de Provinciale
weg op, onder het viaduct van de A7 door, stak bij de rotonde over en liep
de oprit naar de A7 (richting Amsterdam) op, waar een zwarte VW Golf met
pech op hem stond te wachten. Hij stapte in, de Golf reed weg, de opdracht
was vervuld.
Huisarts Frank Buitenzorg hield uiteraard
rekening met de mogelijkheid dat Bertus op een dag niet zou komen opdagen.
De hele operatie was op die dag gebaseerd. Maar toen die dag op 18 maart
was aangebroken, stond het huilen hem nader dan het lachen. Hij had Marco
Hendriks nooit ontmoet, maar Bertus had hij goed leren kennen, en het zou
zo mooi zijn geweest als alles anders was gelopen, als Bertus geen terminale
kanker had gehad.
De echte Marco Hendriks had sinds half
februari 2004 de plaats van zijn dubbelganger ingenomen in de flat in Hellevoetsluis.
Hij had zijn baard laten staan, was een paar kilo afgevallen, en leek niet
meer op de Marco Hendriks wiens foto’s op vrijdag 19 maart in alle kranten
stonden. Het was de buren in de flat niet opgevallen dat er een persoonsverwisseling
had plaatsgevonden, behalve dan dat ze plotseling regelmatig het geluid
van een PlayStation 2 hoorden. Vreemd dat een zieke man van 50 met zulke
computerspelletjes speelde…
20.
De zaak Jacobs
Ex-commissaris Bloem had het rapport
van het gerechtelijk laboratorium gelezen. Men had zich voornamelijk gericht
op de directe doodsoorzaak, de inslag van de kogels en de hoek van waaruit
de kogels afkomstig waren. Deze gegevens waren nodig voor de rechtzaak
tegen de dader, mocht die ooit gevonden worden. Uit het onderzoek was ook
gebleken dat het slachtoffer terminale kanker had en hooguit nog twee weken
had geleefd wanneer hij niet zou zijn doodgeschoten.
De identificatie van het lijk was gebeurd
door Marco’s stiefvader, dus nadere vaststelling van die identiteit middels
gebitsgegevens en vingerafdrukken hoefde niet plaats te vinden. Marco’s
stiefvader kon het niet aanzien en wierp slechts een vluchtige blik op
het gezicht van zijn stiefzoon. Hij had Marco al jaren niet meer gezien.
“Herkent u de man als uw zoon Marco
Hendriks?” vroeg de rechercheur in het mortuarium.
“Ja ja,” antwoordde Hendriks. Hij had
een krop in zijn keel en veegde een traan weg.
De crematie van Marco Hendriks vond
plaats in besloten kring, nadat het gerechtelijk laboratorium het lijk
had vrijgegeven. De mensen van “Team Marco 2” vonden het niet verstandig
om daarbij aanwezig te zijn, maar in Hellevoetsluis kreeg Marco van commissaris
Bloem een video met de opnamen van een plaatselijke Amsterdamse televisiezender.
Wie had ooit kunnen denken dat hij nog eens naar zijn eigen uitvaart zou
kijken?
Wat Marco het meest trof was dat Marcia
en Suzanne er niet waren, en wat waren zijn ouders oud geworden!
Binnen het arrondissement Amsterdam,
het Landelijk Parket en zelfs het ministerie van Justitie was de bereidheid
om John Jacobs te vervolgen vrijwel nihil. Jacobs had zich in dertig jaar
weten te verzekeren van de loyaliteit van veel hooggeplaatste figuren,
die allen hun eigen redenen hadden om hem de hand boven het hoofd te houden.
Uiteindelijk vonden commissaris Bloem
en advocaat Bennie Frei Jan Alvarez, procureur-generaal voor zware, georganiseerde
misdaad, bereid de zaak onder de loep te nemen.
“Kan dit niet op een andere manier?”
vroeg hij.
“Hoe stelt u zich dat voor?” antwoordde
Edwin Bloem. “Marco Hendriks, die officieel dood is, loopt het hoofdbureau
van politie binnen om aangifte te doen tegen commissaris Jacobs?”
“U zou zelf ook aangifte kunnen doen,”
zei Alvarez.
“Okay, bij deze!” antwoordde Bloem
strijdvaardig.
Uit alles bleek dat Jan Alvarez zijn
handen liever niet aan deze zaak brandde. Maar nadat hij enorm op zijn
donder had gekregen van de parlementaire commissie, die hem “de meester
van de doofpot” had genoemd, wilde hij zichzelf in bepaalde justitiële
kringen bewijzen. Hij wilde zijn naam als “de ijzeren PG” hooghouden.
Alvarez stelde na overleg met het ministerie
als voorwaarde dat er aan de zaak absoluut geen ruchtbaarheid mocht worden
gegeven. Bovendien moesten de zittingen plaatsvinden in een zwaar beveiligde
rechtbank in het arrondissement Den Bosch.
Wat in het kader van de transparantie
en de voorbeeldfunctie de meest opzienbarende rechtzaak van Nederland had
moeten worden, werd zodoende een achterkamertjesproces.
Edwin Bloem overhandigde Alvarez zijn
omvangrijke “dossier Jacobs” en Bennie Frei produceerde zijn dossiers met
de verklaringen van Marco Hendriks.
Vervolgens gaf Alvarez de Rijksrecherche
opdracht om John Jacobs te arresteren en in bewaring te stellen. De Rijksrecherche
aarzelde, want Jacobs was een hooggeplaatste, invloedrijke collega, en
ging pas akkoord nadat Alvarez hen de huid had volgescholden en de Rijksrecherche
een formele vordering tot inbewaringstelling had gefaxt, voorzien van de
handtekening van de procureur-generaal.
In de nacht van 6 op 7 oktober 2004
werd commissaris John Jacobs in zijn woning in Vinkeveen van zijn bed gelicht
door de Rijksrecherche. Aan de Zuwe, het dijkje dat de Vinkeveense plassen
doorsnijdt, bevonden zich aan beide zijden villa's. De bewoners van die
villa’s waren heel wat gewend, want er woonden nogal wat vermogende criminelen.
De aanwezigheid van een politiemacht aldaar was derhalve geen opzienbarend
fenomeen.
Op hetzelfde moment werden op verschillende
plaatsen in Nederland nog meer arrestaties verricht door de Rijksrecherche.
John Kratt en Ruud Boeket verzetten zich heftig, oud-OvJ Franciscus Arvidi
en reclasseringsambtenaar Rob de Rue waren stomverbaasd, maar lieten zich
zonder problemen afvoeren.
Alle verdachten werden ondergebracht
in het cellencomplex van het gerechtshof in Den Bosch, dat al enige jaren
buiten gebruik was. Na te zijn verhoord en in overleg met hun raadsheren
gingen de verdachten akkoord om “zonder enig voorbehoud” te getuigen tegen
John Jacobs, in ruil voor strafvermindering.
Jacobs, Kratt en Boeket werden op 8
oktober 2004 formeel door Alvarez in verzekering gesteld en overgebracht
naar het Huis van Bewaring te Vught, een complex aan de Lunettenlaan waar
de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) deel van uitmaakt. Arvidi en De Rue
werden in afwachting van de zaak tegen hen in vrijheid gesteld, maar mochten
niet naar huis. Zij en hun gezinnen werden ondergebracht in safehouses
van de Dienst Getuigenbescherming van de KLPD, en dienden zich te
allen tijde beschikbaar te houden voor aanvullend verhoor of het verstrekken
van getuigenverklaringen.
Marco Hendriks kon niet onder zijn eigen
naam en voormalige functie worden gehoord als getuige, omdat hij officieel
dood was. Dus werd hij benaderd als Rolf van Doormalen uit Purmerend, de
identiteit die hij van de Dienst Getuigenbescherming had gekregen, en werd
hij in het proces tegen Jacobs opgevoerd als “getuige X1”. Omdat hij weigerde
in een safehouse te gaan wonen, kreeg hij een aantal bodyguards van de
Rijksrecherche toegewezen die hem in zijn woning in Hellevoetsluis moesten
beschermen en hem van en naar de rechtbank in Den Bosch vervoerden. Al
gauw kreeg Marco een goede band met deze rechercheurs.
Via de contacten van Luka Pukanic in
Belgrado had Marco ervoor gezorgd dat Marcia, Suzanne en Milos konden terugkeren
naar Nederland. Het verbaasde Marco dat zij telefonisch contact bleef houden
met Paul Gavrilovic, de man die hen had mishandeld, maar hij kon er niets
aan veranderen; hij was immers dood.
In november 2004 werd Paul Gavrolovic
in Belgrado gearresteerd op verdenking van moord, wapenhandel, smokkel
van harddrugs en vrouwenhandel. Paul Gavrilovic schoof de schuld van die
misdrijven echter op Luka Pukanic, en verklaarde zich in ruil voor strafvermindering
bereid tegen Pukanic te getuigen. Die werd op basis van de leugens van
Gavrilovic bij verstek veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf.
Marco Hendriks was woedend op Gavrilovic,
want hoewel hij wist dat Pukanic geen lieverdje was, wist hij ook dat die
niet schuldig was aan de misdrijven waar Gavrilovic hem van beschuldigde.
Op maandag 10 oktober 2005 kon de rechtzaak
tegen John Jacobs eindelijk van start gaan. Er waren in totaal 23 zittingen
nodig voordat de rechtbank tot een oordeel kon komen. John Jacobs werd
beschuldigd van het aanzetten tot moord, aanzetten tot mishandeling, misleiding
van informanten en infiltranten, misleiding van de korpsleiding, misbruik
van zijn functie, omkoping van getuigen, verduistering van overheidsgelden,
verduistering van uit misdrijf verkregen gelden, schending van zijn beroepsgeheim
en schending van de ambtseed.
Marco Hendriks verscheen als getuige
X1 in de rechtzaal, met een zonnebril, een valse baard en een pruik. Hoewel
het O.M. geen enkel begrip had voor de misdrijven die hij als undercover
agent had gepleegd, werden de gedetailleerde getuigenverklaringen van X1
zeer op prijs gesteld en was gebleken dat zij onontbeerlijk waren voor
de totstandkoming van de zaak.
Zoals verwacht ontkende Jacobs alle
beschuldigingen. Van de onderwereld had hij geleerd dat je alleen iets
bekent wanneer je voor de volle 100% weet dat het kan worden bewezen. Hij
vertelde de rechtbank dat hij op kosten van de KLPD samen met dertien collega’s
een opleiding bij de DEA in Amerika had gevolgd, met de expliciete opdracht
zich de werkwijze en organisatie van de DEA eigen te maken en die in Nederland
te implementeren.
“Heeft u daar bij terugkeer in Nederland
voorstellen toe gedaan bij de korpsleiding?” vroeg de officier van justitie
van het O.M. team van Alvarez.
“Jazeker,” antwoordde Jacobs.
“En is er met die voorstellen iets
gedaan in het kader van formele wijziging van de opsporingsmethoden?” vroeg
de OvJ.
“Nee, helemaal niets,” antwoordde Jacobs.
“De korpsleiding ging er stilzwijgend vanuit dat de in Amerika geleerde
opsporingsmethoden zich eerst maar in de Nederlandse samenleving dienden
waar te maken, en dat er middels trial-and-error methoden op een gegeven
moment een Nederlands praktijkmodel zou ontstaan, op basis waarvan de theorie
kon worden aangepast en toegespitst. En exact dat hebben wij bij de CIE
gedaan. Niets meer en niets minder.”
“Het aanzetten tot moord en de andere
misdrijven waarvan u wordt beschuldigd, behoorden die tot de dingen die
u bij de DEA hebt geleerd?” vroeg de OvJ.
“Laat ik zeggen dat die methoden daar
in de praktijk niet ongebruikelijk waren,” antwoordde Jacobs.
“En was de korpsleiding van die specifieke
details op de hoogte?” vroeg de OvJ.
“Ja, ik denk het wel,” antwoordde Jacobs.
“Ik ben er tenminste altijd van uitgegaan dat dat zo was, en ik heb nooit
signalen gekregen dat het niet zo was. De korpsleiding was altijd verheugd
wanneer een zware crimineel uit de weg was geruimd en ik beschouwde dat
als een teken van goedkeuring.”
In november 2005 was procureur-generaal
Alvarez in zijn slotbetoog vastberaden in zijn stelling dat verdachte Jacobs
schuldig was aan alle hem ten laste gelegde feiten, en dat hij diende te
worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaar omdat de rechtsorde
door het gedrag van deze hoge politiefunctionaris bijzonder ernstig was
geschaad.
De rechtbank ging daar voor een groot
deel in mee en veroordeelde Jacobs tot een gevangenisstraf van 14 jaar.
In separate zaken voor de rechtbank
in Den Bosch, die evenmin toegankelijk waren voor het publiek, werd Ruud
Boeket veroordeeld tot 6 jaar en John Kratt tot 4 jaar gevangenisstraf.
Ex-OvJ Franciscus Arvidi werd schuldig bevonden aan het ten laste gelegde,
zonder oplegging van straf. Reclasseringsambtenaar Rob de Rue kreeg twee
jaar voorwaardelijk.
Ter bescherming van zichzelf, maar ook
omdat de rechtbank hem vluchtgevaarlijk achtte, werd John Jacobs overgebracht
naar de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) in Vught.
21.
De rekening vereffend
De Dienst Getuigenbescherming van de
KLPD, die Marco Hendriks had voorzien van de nieuwe identiteit van Rolf
van Doormalen, geboren te Purmerend op 8 november 1956, had er voor gezorgd
dat Marco’s uittreksel uit het geboorteregister van Amsterdam werd verwijderd.
Door zijn overlijden werden ook zijn strafblad en personele dossiers uit
de verschillende systemen van politie en justitie verwijderd. Alleen de
Dienst Getuigenbescherming wist wie Rolf van Doormalen in werkelijkheid
was.
Na de rechtzaak tegen John Jacobs was
Marco vrij man en kon hij gaan en staan waar hij wilde. De Dienst Getuigenbescherming
drong er bij Marco op aan om naar de Verenigde Staten te vertrekken, maar
dat weigerde Marco. Hij vertrouwde niemand meer, en zeker geen politiefunctionarissen.
Ter afwikkeling van zijn relatie met
de Dienst Getuigenbescherming werd een bedrag van ? 633.625,- overgemaakt
naar een Zwitserse bankrekening op naam van R. van Doormalen.
Op 20 december 2005 sloot Marco de
deur van de flat in Hellevoetsluis voorgoed achter zich. Hij bewoog zich
voorzichtig over straat, want het had gesneeuwd en hij had een zware rugzak
op zijn schouders hangen. Hij nam de bus naar Spijkenisse, en van daar
ging hij met de metro naar Rotterdam Centraal, waar hij een ticket naar
Amsterdam C.S. kocht.
Zijn taxi arriveerde bij de Amsterdamse
begraafplaats Westgaarde in Osdorp, en Marco vroeg de chauffeur om te wachten.
Voorzichtig liep hij naar het urngraf dat Edwin Bloem hem had beschreven.
Hij veegde wat sneeuw van het graf, las de naam “Marco Hendriks”, glimlachte
en opende zijn rugzak. Uit de rugzak haalde hij het Boeddha-beeld van Bertus
van Zimmeren, het beeld waar Bertus zo aan gehecht was. Marco plaatste
het beeld midden op het urngraf, stond op, deed een stap terug en vouwde
zijn handen, hoewel hij niet religieus was.
“Dag Bertus, bedankt jong,” fluisterde
hij.
Van Amsterdam nam Marco de trein naar
Brussel International. De trein stopte in Roosendaal, vlak voor de grens,
en op het perron was veel activiteit van marechaussee en douane. Toen de
marechaussee de trein in kwam en alle paspoorten controleerde, voelde Marco
zich uitermate ongemakkelijk. Op hun verzoek liet hij zijn paspoort zien.
“Uw plaatsbewijs alstublieft,” vroeg
een van de marechaussees.
Marco liet zijn ticket zien.
“Overstappen in Brussel Centraal,”
zei de marechaussee serieus, alsof het normaal was dat Nederlandse marechaussees
zich met dergelijke zaken bezighielden.
Marco kon een glimlach niet bedwingen.
“Heb je een bijbaantje als conducteur?” vroeg hij.
De marechaussee begon te lachen. “Nee,”
zei hij. “We controleren de tickets omdat mensen die de grens overgaan
en geen ticket hebben doorgaans wat te verbergen hebben, en op dit traject
controleren de controleurs van de spoorwegen liever niet. Dus nemen wij
vrijwillig een deel van hun taak over.”
In Brussel nam hij een vlucht naar Nice,
waar hij overnachtte in een hotel tegenover het station.
De volgende dag nam hij de trein naar
Marseille, waar hij ook een nacht doorbracht. Van Marseille nam hij de
trein naar Barcelona, waar hij werd afgehaald door een gebruinde man van
een jaar of zeventig.
“Oom Jan! Wat fijn om u te zien!” zei
Marco.
Jan Bonema, de broer van Marco’s moeder,
had alle contact met zijn familie verbroken toen die niets meer met hem
te maken wilde hebben nadat hij een bankroof had gepleegd en in de gevangenis
was beland. Maar Marco was hem altijd ansichten en verjaarskaarten blijven
sturen, ook nadat hij was aangenomen als politieagent. Hij was op oom Jan
gesteld, maar dat mocht zijn moeder niet weten.
Toen het slecht ging met Marco, nadat
die erachter was gekomen dat zijn vader nog leefde en dat dit geen prettige
man was, en Marco zich heel eenzaam voelde bij de politie, zeker nadat
hij zijn naam had veranderd, had oom Jan hem uitgenodigd om een poosje
bij hem te komen logeren in Sitges.
Daar liet Marco zich in een vlaag van
avonturierszin inschrijven onder de naam Marcus Bruins, en ook opende hij
een bankrekening onder die naam. Na twee weken vakantie vertrok Marco weer
naar Amsterdam, maar de inschrijving op het adres van oom Jan in Sitges
bleef bestaan, en wanneer er post voor hem kwam handelde oom Jan dat altijd
in de naam van Marcus Bruins af. In 1981 diende Marco een verzoek tot naturalisatie
als Spaans staatsburger in, en in hetzelfde jaar werd de naturalisatie
geëffectueerd. In die hoedanigheid beschikte Marco over een volkomen
legaal Spaans paspoort en rijbewijs op naam van Marcus Bruins.
In maart 2006 werd Luka Pukanic door
Nederland uitgeleverd aan Servië, om daar terecht te staan voor de
misdrijven die Paul Gavrilovic hem in de schoenen had geschoven.
Op 20 mei 2006 belt Paul Gavrilovic
in Podgorica om kwart over zeven ’s avonds vanuit zijn VW Golf met zijn
11-jarig zoontje Milos in Amsterdam. Plotseling stokt het gesprek.
“Oh shit!” roept Gavrilovic nog, dan
is de verbinding verbroken.
Gavrilovic heeft de man die hem van
achteren benaderde niet opgemerkt. Pas wanneer hij het pistool ziet dat
op hem is gericht, en het gezicht van de man die het pistool in zijn hand
heeft, weet hij wat er gaat gebeuren.
De man schiet het magazijn van zijn
pistool leeg. Ins Gesicht, zoals hij dat ooit heeft geleerd. Dan werpt
hij het pistool over een schutting en loopt weg, door de troosteloze buitenwijk
van Podgorica, waar om de hoek een taxi op hem wacht.
Dezelfde avond neemt de man de ferryboot
van Durres naar Bari, Italië, waar hij het eerstvolgende vliegtuig
naar Rome neemt.
Op 23 mei 2005 las Marco in Sitges een
artikel in een Nederlands dagblad, onder de kop “Weer kopstuk onderwereld
geliquideerd”.
Marco las aandachtig verder. Hij was
met name geïnteresseerd in de reactie van Marcia Lucassen, de echtgenote
van het slachtoffer. “Hier ben ik toch wel zo kapot van,” zegt Marcia,
als ze samen met haar kinderen Suzanne en Milos na een autorit van ruim
vierentwintig uur in Podgorica arriveert. “We hadden nog zo graag afscheid
van hem genomen. Paul is altijd zo goed voor de kinderen geweest.” Voor
Lucassen is het de tweede keer in anderhalf jaar tijd dat ze de vader van
een van haar kinderen moet begraven. Eerder verloor ze haar ex-man Marco
Hendriks door geweld in criminele kringen. De ex-hoofdagent – ook gerekend
tot de bende van de ‘Joego’s’ – werd in op 18 maart 2004 geliquideerd nabij
de open inrichting in Hoorn, waar hij het laatste staartje uitzat van zijn
straf voor het doodschieten van maffiabaas Paul de Wit.”
Op 25 mei 2005 werd Luka Pukanic door
de rechtbank in Belgrado in vrijheid gesteld omdat hun kroongetuige in
de zaak tegen hem was overleden.
De Montenegrijnse politie kon er niet
achter komen wie Paul Gavrilovic had vermoord. In samenwerking met de Servische
politie onderzocht men zorgvuldig de passagierslijsten van vluchten, met
name vanuit Nederland, maar zonder enig resultaat.
Men ging er van uit dat de daders plaatselijke
criminelen waren en dat de moord een wraakactie was.
En daarmee was de zaak afgedaan.
22.
Epiloog
In het Amsterdamse café Luxemburg
zitten twee oudere heren. Bekenden uit de Amsterdamse onderwereld herkennen
de mannen als oud-commissaris Edwin Bloem en oud-officier van justitie
Franciscus Arvidi. Zij zijn in een ernstig gesprek verwikkeld.
“Edwin, ik begrijp nog altijd niet
waarom jij Marco Hendriks de hand boven het hoofd hebt gehouden,” zegt
Arvidi. “Hij is een misdadiger, hij heeft ernstige strafbare feiten gepleegd.”
“Weet ik, Frans, maar het was het één
of het ander. John Jacobs heeft veel meer misdrijven begaan dan Marco,
heeft veel meer levens op zijn geweten, en betekende een veel groter gevaar
voor de samenleving dan Marco.”
“Maar die Marco zit nu lekker in het
buitenland te genieten van de zon. Dat kan jou toch geen goed gevoel geven?”
vraagt Arvidi.
“Marco Hendriks heeft een zware straf
uitgezeten, waarvan ruim acht jaar in uiterst isolement. Dat is geen kattenpis.
Bovendien is de regeling met Marco het directe effect van de kroongetuigenregeling.
Daar was jij toch altijd een groot voorstander van?” zegt Bloem.
Arvidi knikt. “Je hebt gelijk, Edwin.
Ik stond zelfs aan de wieg van die regeling, maar tegenwoordig denk ik
er wat genuanceerder over. Stel je voor dat Jacobs op zijn beurt van dezelfde
regeling gebruik zou hebben gemaakt door er anderen bij te lappen, nog
hogere functionarissen? Dan zou hij op dit moment ook op vrije voeten zijn.”
“Ben ik niet met je eens,” zegt Bloem.
“Jacobs was in zijn functie een gevaar voor de samenleving, een gevaar
voor de rechtsorde. Hij gaf leiding aan een organisatie binnen een organisatie,
en die organisatie was oppermachtig. Hij perste mensen af, niet alleen
hooggeplaatste mensen, maar ook eenvoudige dienders en kleine criminelen.
Hij was een slecht voorbeeld voor zijn collega’s. Er moest gewoon op een
gegeven moment een eind aan komen, en Marco’s verklaringen waren van doorslaggevend
belang voor de veroordeling van Jacobs. Dus ik gun het hem dat hij in de
zon zit.”
“Tja, misdaad en straf, het blijft
een fascinerende materie,” zegt Arvidi. “Ober, mogen wij nog twee biertjes?”
De camera zoemt uit, zwenkt naar links
en zoomt in op het Lieverdje. De avond valt. Dan klinkt de stem van Ramses
Shaffy die “Het is stil in Amsterdam” zingt. De titels rollen over het
beeld. Alweer een film over de onderwereld van Amsterdam is ten einde.
|